Maria bij Luther 5
5
Nergens heeft Luther zulke mooie en diepe dingen over de ootmoed (de humilitas) gezegd als in zijn Magnificat, uitlegging van de Lofzang van Maria.
In de rooms katholieke middeleeuwse vroomheid was de ootmoed bijna geheel veruitwendingd. De kleding van monniken en nonnen, het bedelen van bepaalde monniken en nonnen, het doen van geringe karweitjes, bepaalde gebaren en bepaalde houdingen en al dergelijke soort dingen golden als bewijzen van ootmoed. Volgens de Regels van Benediotus van Nursia (geb. ± 480), de stichter van de Benediktijnermonnikenorde, is de hoogste trap der ootmoed deze, dat de ootmoedige gezindheid blijkt uit elk gebaar. Het komt er dus op aan, dat de ootmoed te zien is, te zien is door anderen. Op het gevaar van een schijnootmoed, die in wezen hoogmoed is, wordt niet gewezen. Alleen Bernard van Clairvaux, de grote monnik uit de eerste helft van de twaalfde eeuw, had een diepere opvatting van ootmoed. Volgens Walter von Loewenich heeft Luther wel het een en ander van hem geleerd. Ook hij stelde de ootmoed in het middelpimt van heel het christehjk leven. Doch niet het uiterlijk maar het innerlijk karakter van de ootmoed werd daarbij benadrukt. Ootmoed, zegt Bernard, is zelfkennis en als zodanig de weg tot de waarheid. Ze moet gesteld worden boven en voor alle vrome werken; het hele geestelijke leven dient op de ootmoed te worden gebouwd. Ook vinden we bij hem een waarschuwing voor de schijn. Bernard wist, dat het de dood voor alle ootmoed is wanneer ze zich naar buiten wü openbaren. Schijn en wezen staan hier in een onverzoenlijke tegenstelling.
En toch kwam ook Bernard niet daar waar Luther kwam. Want ook bij hem behield de ootmoed een verdienstelijk karakter, al was ze dan ook de enige verdienste waarop de mens zich voor God beroepen kan. De ootmoed is ook voor Bernard een deugd, een kwaliteit, een daad van de mens. Von Loewenich zegt: In plaats dat de ootmoed bij Bernard het einde van alle werken werd, werd zij het voornaamste werk; de gedachte van de ootmoed radikaal ten einde gedacht, moet zichzelf opheffen, dat heeft ook Bernard niet ingezien.
Luther wel. Typerend daarvoor is dat Luther het woord humilitas (= ootmoed) in zijn latijnse bijbel, in de Lofzang van Maria op een zeer bepaalde wijze vertaald en interpreteert. Het woord komt voor in Lukas 1: 48. Door onze Statenvertalers is het vertaald met „nederheid", in de vertaling van het Ned. Bijbelgenootschap met „lage staat". De tekst luidt daar: „Mijn ziel maakt groot den Here, en mijn geest heeft zich verblijd over God, mijn Heiland, omdat Hij heeft omgezien naar de lage staat zijner dienstmaagd". Luther weigert hier te vertalen met „ootmoed", wat door de roomse theologen te doen gebruikelijk was. De reden waarom is bijzonder veelzeggend: Luther kan zich niet voorstellen, zegt hij, dat Maria in haar ootmoed heeft geroemd! Ootmoed is nooit een zaak om in te roemen, want dan is ze geen ootmoed meer, maar hoogmoed. Luther vertaalt dus humihtas niet met „ootmoed" (het Duitse Demut), maar waarmee dan wel? Met „lage staat" of met „nietigheid" (het Duitse Nichtigkeit).
Hier hebben we nu de ootmoed radikaal ten einde gedacht, als het einde van alle werken — om met Von Loewenich te spreken. Eerst voor Luther is ze niet meer een daad, een deugd of eigenschap van de mens van verdienstelijke aard, en nog minder enkel een uitwendig vertoon. De ootmoed van Maria is volgens Luther helemaal niet, dat ze iets is of doet wat haar bij God aangenaam maaikt. Ze is juist niets! Met opzet stelt hij haar telkens tegenover de dochters van Annas of Kajafas, van de overpriesters of van de leden van de Joodse Raad. Die waren rijk en geëerd, terwijl Maria arm, onaanzienhjk en veracht was. Welke verdienstelijldieid zou hierin kunnen schuilen, immers geen enkele! Luther neemt als voorbeeld een bedelaar. Welke verdienste heeft een bedelaar, en waarin is hij te prijzen? Hier prijst men toch alleen de goedheid en de mildheid van de vorst, die de bedelaar de hand reikt!
Ontdekkend is dan vervolgens de excurs die Luther geeft over het onderscheid tussen de ware en de valse ootmoed. Hierin komt wel bijzonder tekenend het verschil met de populaire vroomheid van zijn dagen voor de dag. Er zijn er, zegt hij, die zich nederig en gering kleden (we moeten daarbij speciaal aan de kloosterlingen denken), die zich nederig en gering aanstellen tegenover anderen, nederig en gering werk doen, gering over zichzelf spreken enz., en in de mening verkeren, dat ze daardoor bij anderen en zelfs bij God voor edele, rijke, geleerde en heihge mensen gehouden worden. Wisten ze echter dat dat niet het geval is, dan hielden ze er dadelijk mee op. Dat is nu de onware, valse ootmoed! Zulken zien slechts op het loon, op het resultaat of succes van hun ootmoed; ze houden zich niet met nederige en geringe dingen bezig zonder loon en succes. En daarom: waar geen loon en succes is, daar is het met hun ootmoed uit! De ware ootmoedigen echter zien niet op loon; die zijn met een eenvoudig hart bezig met nederige en geringe dingen, daar gaan ze graag mee om, en ze worden het zelf nimmer gewaar dat ze ootmoedig zijn! Hier welt het water uit een zuivere bron. Dan komt het vanzelf tot een nederig leven. Ze krijgen eer zonder dat ze die zoeken; want ze begeren geen hoge dingen, terwijl de schijnheiligen er zich over verwonderen dat hun eer zolang uitblijft, want die zijn al maar met grote en hoge dingen bezig.
In deze enkele regels zit in hoofdzaak al wat Luther over de ware ootmoed heeft te zeggen. Ze kenmerkt zich volgens hem ten eerste hierdoor, dat ze met geringe en nederige dingen tevreden is en niet streeft naar grote en hoge dingen, want dat is het kemnerk van de superbia, de hoogmoed, de menselijke trots en vermetelheid tegenover God. Ten tweede daardoor dat ze niet om loon werkt, want dat doet alleen een huvirling. Ten derde daardoor, dat ze zelf niet weet en zich bewust is ootmoedig te zijn. Vooral het laatste verdient bijzondere aandacht, namehjk als een echt bijbelse reactie op het zelfbespiegelend karakter der middeleeuwse vroomheid, met name die der kloosterlingen. Luther doorziet deze vroomheid, zelfs in haar edelste gedaante, als een zondige schijnheiligheid in de allesdoordringende ogen van God. De ware ootmoed weet nooit dat ze ootmoedig is, zegt hij, want als ze het wist dan zou ze bij het zien van zulk een schone deugd terstond hoogmoedig worden en dus ophouden ootmoedig te zijn. Ze heeft echter zonder ophouden geringheid en verachting, hjden en kruis voor ogen; en omdat ze deze dingen ziet, kan ze zichzelf niet zien en wordt ze dus zichzelf niet bewust. Vandaar dat Maria zo oprecht verwonderd was toen de engel tot haar zei: Wees gegroet gij begenadigde; de Heere is met u, gij zijt gezegend onder de vrouwen. Zou hij hetzelfde gezegd hebben tegen de dochter van Kajafas bijv. dan zou die er geen ogenblik over geprakldseerd hebben wat het betekende, ze had de groef terstond als vanzelfsprekend aanvaard. Anderzijds, de valse ootmoed weet niet dat ze hoogmoed is; als ze het wist zou ze terstond bij het zien van zulk een hatelijke ondeugd ootmoedig worden; maar ze heeft al maar grote en hoge dingen voor ogen en daarom kan ze zichzelf niet zien en zichzelf bewust worden. O wat een verschrikkelijke hoogmoed gaat er schuil achter nederige kleren, woorden en gebaren, roept Luther uit. Men vliedt de eer, maar met de bedoeling om ze daardoor des te meer te ontvangen; men mijdt grote en hoge dingen maar met de bedoeling om ze des te meer aan te nemen.
Wat Maria doet in haar Lofzang is enkel haar nietigheid en geringheid aantonen. Ze zou daar ook gaarne in gebleven zijn. Ze dacht niet aan eer of verheffing, ook werd ze zich niet bewust ootmoedig te zijn. En dan laat Luther wel een heel fijne opmerking horen: „De ootmoed is zo duur en zo teer, dat ze haar eigen aanblik niet verdragen kan, dat is alleen God voorbehouden". Hij ziet de nederigen aan. Stel dat iemand zijn eigen ootmoed zou kunnen zien en kennen, hij zou over zichzelf kunnen oordelen, dat hij zalig wordt, want we weten dat God de ootmoedigen zeker zalig maakt — maar dan was het met Gods gericht gedaan! Daarom moet God het Zichzelf voorbehouden de ootmoed te zien en te kennen; Hij moet ze voor ons verbergen door ons met geringe dingen bezig te laten zijn, zodat we vergeten naar onszelf te kijken. Hiertoe dient alle lijden van de christenen op aarde. Tot zover Luther over de tegenstelling tussen de ware en de valse ootmoed. Zou ze alleen maar betekenis gehad hebben voor de eerste lezers van het Magnificat? Wanneer zou de valse ootmoed ooit uitsterven? Luther zegt zelf ergens in zijn geschrift dat de scheidslijn van beide door elk christen loopt. Maar dan is wat hij hierover geschreven heeft ook nog actueel voor ons.
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 maart 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 maart 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's