De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Maria bij Luther 4

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Maria bij Luther 4

8 minuten leestijd

De redactie past een woord van excuus. Haar secretaris heeft in een onbewaakt ogenblik een pluim ontstolen aan ds. Exalto van Melissant en die gestoken op de hoed van ds. Tigchelaar van Sint Anthoniepolder, die nu vorige week tegen wil en dank moest pronken met andermans veer! Aan beide heren onze welgemeende verontschuldiging.In dit nummer treffen de lezers no. 4 aan van „Maria bij Luther", in vervolg op no. 5 dat vorige week werd geplaatst. Doordat ds. Exalto de goede gewoonte heeft, elk stuk tot een afgerond geheel te maken, is dit geen groot bezwaar.

4

We zagen in een drietal vorige artikelen, dat Luthers geestelijke en theologische ontwikkeling te illustreren is aan wat hij gepreekt en geschreven heeft over een bijbelse figuur als Maria, de moeder des Heeren. We volgden deze ontwikkeling tot op ongeveer het jaar 1521, waarin zijn Magnificat ontstond. Daaraan zijn de artikelen gewijd die thans volgen.

Wat verstaan we onder het Magnificat? In de latijnse vertaling van het N. Testament, in de vulgata, is „Magnifi­cat" het eerste woord van de Lofzang van Maria (Luc. 1: 46-55). „Magnificat" komt van „magnificare" d.i. „groot maken". Het betekent „zij maakt groot". Met die „zij" is bedoeld „mijn ziel", immers Maria's Lofzang begint met: „Mijn ziel maakt groot de Heere".

Nu was het echter al van ouds de gewoonte om niet slechts het begin maar héél de Lofzang van Maria Magnificat te noemen, dus naar het beginwoord. Bij dit gebruik heeft Luther zich aangesloten. Hij ging zelfs nog een stapje verder door ook zijn eigen geschrift zo te noemen. Zo is Magnificat dus een geschrift óver het Magnificat, óver het Magnificat, Na deze opheldering verdient het aanbeveling even stil te staan bij de tijd waarin het geschrift is ontstaan. Het was een tijd waarin het rond Luther bijzonder spande. Reeds was de jonge nieuwe keizer Karel V te Worms gearriveerd en was de Rijksdag aldaar begonnen. Of Luther al in de kerkelijke ban was gedaan, daarover verschillen tegenwoordig de meningen, maar in ieder geval was de bedreigingsbanbul al verscheidene maanden geleden vanuit Rome te Wittenberg aangekomen, zodat de reformator zich geen enkele illusie behoefde te maken omtrent de bedoelingen van Rome. Hij wist bovendien dat er te Worms over hem gedelibereerd werd en dat elke dag een nodiging tot verschijning voor de Rijksdag te verwachten was.

Het verwondert ons dat Luther in deze spannende dagen de innerlijke rust en de lust bezat om te werken zoals hij gedaan heeft. Zijn leven en werk te Wittenberg gingen gewoon door. Tot op de laatste dag, de dag van zijn vertrek, toen hij tot zijn leedwezen zijn Magnificat onvoltooid moest achterlaten — pas na Worms heeft hij het afgemaakt! Luthers leven wordt gekenmerkt door een geloofsvertrouwen en geloofszekerheid die slechts zeer zeldzaam zijn, en waar we wel jaloers op mogen zijn.

Al vrij kort na zijn eerste optreden (1517) hield hij elke dag rekening met de dood en was hij volkomen bereid om deze prijs voor de zaak der Reformatie te betalen. Hij kon alles in Gods handen geven, vandaar zijn werkkracht en rust, ook wanneer het bijzonder spannend was.

Onze verwondering neemt echter nog toe als we het Magnificat zelf ter hand nemen en lezen. Het is allesbehalve een strijdschrift wat men misschien in deze situatie verwachten zou. Al een en andermaal had Luther bewezen dat hij de kunst verstond, meer dan wie ook maar van zijn tijdgenoten, felle strijdschriften te schrijven. Maar in zijn Magnificat is hij niet de polemicus die zijn tegenstander te lijf gaat, doch de zielzorger, de pastor, die de versterking en de fundering van het geloof der lezers voor ogen heeft. Hier opent hij de Heilige Schrift, niet het minst voor de eenvoudigen — daarom schrijft hij in het Duits en niet in het Latijn, de taal der geleerden. Magnificat wordt een van die geschriften waarvan hij straks op de Rijksdag te Worms zal kunnen zeggen: „Enige van mijn boeken handelen over geloof en leven zo eenvoudig en evangelisch, dat zelfs mijn vijanden zullen moeten toegeven, dat ze waardig zijn om door de christenen te worden gelezen".

We komen nu tot de inhoud van het Magnificat. Het begint met een opdracht. Het is opgedragen aan Johan Frederik, de neef en latere opvolger van Luthers vorst en beschermer keurvorst Frederik de Wijze. Deze Johan Frederik was al vroeg op de hand van Luther en had nog maar kort geleden een goed woordje voor hem gedaan bij zijn oom Frederik (de Wijze), waardoor deze in zijn voornemen was versterkt om Luther niet los te laten, niet over te geven in de handen van de roomse machtshebbers. Uit dankbaarheid daarvoor zien we Luther nu zijn Magnificat aan Johan Frederik opdragen.

Wie echter misschien geneigd zou zijn dit te interpreteren als vorstenvleierij, is er wel helemaal naast. Geen betere remedie daartegen is er dan zelf het geschrift met de opdracht te lezen. De opdracht (niet het geschrift) is in het Nederlands vertaald door prof. W. J. Kooiman in zijn Lutherboekje Door het geloof alleen.

De inhoud van de opdracht komt ia het kort hier op neer. In de handen van vorsten en grote heren, zegt Luther, is het heil van veel mensen gelegen. Daarom komt het er voor hen nog meer dan voor anderen op aan, dat ze God, vrezen. Godvrezende vorsten noemt de Schrift engelen, ja goden, maar niet-Godvrezende vorsten en heren noemt diezelfde Schrift leeuwen, draken, enz. Ieder menselijk hart is licht geneigd tot trots en boosheid, maar dat is zeker het geval als de mens in het bezit komt van macht, rijkdom en eer. Dan krijgt hij gelegenheid om zonder straf kwaad te doen. Het gevaar is dan groot dat hij een dier wordt. Hij doet dan alleen waar hij plezier in heeft. In naam is hij een heer, in werkehjkheid een monster. Ziedaar hoe overheden nodig hebben God te vrezen.

Nu weet ik, zegt Luther verder, in heel de H. Schrift niets wat zo geschikt is om de vreze Gods in het hart van een vorst te planten als het Magnificat, het heilig hed van de Moeder Gods. Waarlijk, allen die goede vorsten willen zijn moeten het leren kennen en leren doen!

Aan het slot van zijn Magnificat-wendt Luther zich wederom tot Johan Frederik. Ook dan weer hetzelfde geluid. Zelden, zegt hij, zijn koningen en vorsten te prijzen. Zelfs David moest vermaand en bestraft worden. Zij leven in groot gevaar. Ze worden bedreigd door hoogmoed, wellust, wrevel, vermetelheid, lediggang en het vergeten van God, kortom door alle ondeugden en ongerechtigheden. Tegen dit alles helpt alleen de vreze Gods, zoals het Magnificat ons die leert. „Daarom mijn genadige heer en vorst, beveel ik Uwe Vorstelijke Genade het Magnificat aan, vooral het vijfde en zesde vers daarvan (Luc. 1: 51-52) want die vormen het middelpunt; ik bid en vermaan Uwe Vorstelijke Genade, dat hij al zijn levensdagen voor niets op aarde ja ook niet voor de hel zozeer zal vrezen als voor wat de Moeder Gods hier „eigenzinnigheid" die slechts aan zichzelf denkt, noemt".

Onbegrijpelijk moet het geacht worden dat de man die dit alles zo vrijmoedig aan de vorst durfde schrijven, en heus niet alleen in zijn Magnificat, in later tijd is uitgekreten voor een „vorstenknechtje". In onze tijd zijn het met name de marxistisch beinvloede schrijvers die zich hieraan te buiten gaan. 'Thomas Müntzer, de revolutionnair, is hun held en Luther moet het ontgelden.

Met vergeet dat Luther niet ia de eerste plaats een politiek of sociaal geinteresseerde was, die opkwam voor de handhaving van een feodale maatschappij en het absolutisme der vorsten, maar een dienaar van het Evangelie met profetische allures. Hij keerde zich dan tegen de een, dan tegen de ander al naar gelang het Evangelie — naar zijn inzicht — dat eiste. Dan nam hij voor niemand een blad voor de mond, ook niet voor de vorsten.

Zijn Magnificat zou men een „vorstenspiegel" kunnen noemen. Aan Johan Frederik — en niet alleen aan hem, maar ook aan andere vorsten — wordt de ootmoed van Maria ten voorbeeld gesteld. Van welke aard deze ootmoed is, zullen we nog vernemen. Zij ontving een eer groter dan welke vorst ook maar ooit ontvangen heeft en toch heeft ze zich nergens op laten voorstaan. Zij gaf God alle eer.

In haar lofzang komt dat tot uiting. Niet alleen in de beginwoorden: Mijn ziel maakt groot de Heere enz, maar ook in wat ze zegt over de hoogmoedigen, de machtigen en de rijken, en over de nederigen en de hongerigen.

Door ervaring kent Maria Gods werk, zegt Luther. Dat werk is, dat Hij altijd schept uit het niets. Uit wat niets, gering, veracht, ellendig en dood is maakt God iets dat kostelijk, eervol, zalig en levend is. Maar ook omgekeerd. God ver­ hoogt niet alleen wat nederig is, maar Hij vernedert ook wat hoog is. Hij breekt in stukken wat gemaakt is evenzeer als Hij heelt wat verbroken is. Geen enkel schepsel kan dit God nadoen.

Gods ogen zien naar omlaag, niet naar omhoog. Luther citeert dan Ps. 138 : 6, wat hij aldus vertaalt: „God is de Alerhoogste en ziet naar omlaag op de nederigen, en de verhevenen kent Hij van verre". Omdat God de Allerhoogste is en niets boven Hem is, kan Hij niet naar boven zien en kan Hij ook niet rondom zich zien, want niemand is Hem gelijk. Hij moet noodzakelijk in zich en beneden zich kijken, en hoe dieper iemand beneden Hem is, des te beter God hem ziet.

In deze geest onderwijst en vermaant Luther zijn vorst. Trouwens alle lezers van zijn geschrift. De hoogmoed (de superbia) is hem de hoofdzonde van het menselijk geslacht, en daartegenover stelt hij de ootmoed (de humilitas). In geen bijbelse figuur zag hij die meer en beter belichaamd dan in Maria, de Moeder des Heeren. Vandaar dat hij haar Lofzang, het Magnificat, koos als Schriftgedeelte waarmee hij zijn vorstelijke begunstiger wilde onderwijzen en vermanen tot het ware christen- en heer-zijn.

Tot zover over de historische achtergrond en de strekking van 't Magnificat.

(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 maart 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Maria bij Luther 4

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 maart 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's