De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het Nieuwe Testament

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het Nieuwe Testament

11 minuten leestijd

Vervolg 1 Cor. 11:4-6.

VII

Na de uitvoerige uiteenzetting van deze verzen uit 1 Cor. 11 stellen wij nu de vraag: wat kunnen wij uit dit gedeelte leren? Welk onderwijs van Godswege en van blijvende betekenis, ligt er in deze verzen?

Wij voelen toch wel: dat is niét, dat de vrouwen in later tijd en in ónze tijd letterlijk, precies eender zich gedragen moeten als die vrouwen in de Corinthische gemeente.

Tegenwoordig horen wij nogal eens zeggen: veel is in de Heilige Schrift tijdgebonden. Men bedoelt dan, dat er in de Schrift bepaalde dingen staan, welke alleen gelden voor een bepaalde tijd en niet voor andere tijden. Die dingen zijn gebonden aan de situatie van de tijd, waarin de Schrift geschreven is, met name aan de cultutirsituatie. Veranderden daarna de tijden en de situatie, dan zouden ook die dingen, nl. bepaalde inzettingen en vermaningen, niet meer gelden. Deze argumentatie gebruikt men immers b.v. ook bij de kwestie van de vrouw in het ambt. Men argumenteert dan immers: Christus en de apostelen hebben de vrouw niet tot het bijzondere ambt in de gemeente toegelaten, omdat dat niet ging in de cultuursituatie van hun tijd, gezien de positie van de vrouw toen. Het is echter onze persoonlijke overtuiging, dat Christus en de apostelen niét daarom alleen maar de vrouw riet toegelaten hebben. In deze was hun handelen niet tijdgebonden, maar werd het gedragen door veel dieper liggende motieven, welke boven een bepaalde tijd uitgrijpen. Wij wezen daar reeds op, en laten dit hier dus rusten.

Echter, nu wagen wij het hier toch wel, om bij deze verzen uit 1 Cor. 11 van een zekere tijdgebóndenheid te spreken. Doch dan bedoelen wij daar dit mee: de apostel sluit hier aan bij bepaalde zeden en gewoonten, welke hij in zijn dagen vindt, nl. dat de vrouwen in het openbaar de sluier dragen. Die zeden en gewoonten wil hij zien gehandhaafd. Maar, waar gaat het hem daarbij om? Om die sluier? Och neen, doch immers om datgene, wat het dragen van die sluier tot uitdrukking bracht: die verhouding van man en vrouw, de positie van de man én van de vrouw. En dat dat ook duidehjk zou zijn in het optreden naar buiten.

Zo kunnen wi] thans de vraag stellen: wat is mi voor ons, die in een heel andere tijd en cultuursituatie leven en zeden en gewoonten aantreffen, welke soms reeds eeuwenlang zijn gegroeid en ingeburgerd, het punt van betekenis? Die sluier? Daar denkt niemand aan, ook niet in de gemeente van Christus. En niemand voelt daarom zijn christelijk geweten bezwaard. Bovendien stuiten wij hier dan op een inconsequentie: in onze kringen eist men soms beslist het „lange" haar voor vrouwen en meisjes, maar niet de sluier. Waarom dan het één wel en het ander niet? En, in sommige streken van ons land dragen de vrouwen soms het haar nog kort, om het onder de muts en het oorijzer te kunnen bergen, ook christelijke vrouwen. En men voelt dat niet ais zonde. Maar wel, als een meisje „kort" haar draagt.

Wij bedoelen maar te zeggen, dat het er niet om gaat, precies letterhjk te willen toepassen, wat Paulus in 1 Cor. 11 schrijft. En dat wij er ons hier ook wel voor zullen wachten, om precies aan te geven, waar dat dan in zou moeten bestaan. Waar zouden wij dan terecht komen? In een aangeven, hoe lang precies het haar door een vrouw of meisje gedragen moet worden of hoe precies de kleding moet zijn? Maar het gaat er om, dat wij nadruk zouden leggen op dat beginsel, dat de apostel stdt in dit hoofdstuk en op de zónde tegen dit beginsel, nl. de emancipatiezucht, dat de vrouw niet meer haar plaats zou kennen en eerbiedigen, waarop God Zelf haar gesteld heeft bij de schepping, — een plaats, welke ook in de gemeente, die weet van verlossing en herschepping, gehandhaafd moet blijven. Och neen, dan gaat het hier ook niet om de kwestie b.v. of een vrouw, die ongehuwd is, een zelfstandige positie in de maatschappij mag bekleden, welke past bij haar plaats en aanleg, haar door God gegeven. Maar, dan gaat het hier om de kwestie, dat zij zich nooit er toe zou laten verleiden, waar ook geplaatst, om dat onderscheid tussen man en vrouw, van God gesteld, dat hoofd zijn van de man, niet meer te eerbiedigen.

In de Corinthische gemeente dreigde het gevaar tot dit laatste in dat afwerpen van de sluier en in dat onbedekt zijn bij het bidden en profeteren in de samenkomsten der gemeente. In andere tijden en in andere situaties kan dit gevaar weer bij andere dingen dreigen óf in andere dingen uitkomen. Stellig ook in de mode en in de kleding, welke wel iets uitwendigs zijn, maar uitdrukking kunnen geven aan wat er innerlijk bij iemand leeft. En zo bedenken wij hier weer, dat het bij deze zaak niet alleen dus gaat om mode en kleding, om ons uitwendig gedrag, maar ook om ons innerlijk, wat daar leeft. En dan betreft het hier niet alleen de vrouw, doch ook de man.

En nu opent zich voor ons, om zo te zeggen, een wijd veld. Wie is er niet bij betrokken, als hij of zij, eigen leven en wat er omgaat in eigen hart trekt in het hcht van het beginsel en de zonde tegen dat beginsel, waarover de apostel in 1 Cor. 11 schrijft? Wij formuleren dat beginsel nu een ogenblik zo: de verhoudingen, waarin de Heere Zelf ons stelde in het leven moeten geëerbiedigd worden, de verbanden, welke Hij legde. mogen niet verbroken, het gezag, dat Hij stelde, mag niet afgeschud.

Welnu, een mens, hetzij een man of een vrouw, die zich niet will laten leiden door het Woord Gods en weigert daarvoor te buigen, doch liever eigen weg blijft gaan en eigen zirmen blijft volgen, staat die minder schuldig, dan die vrouwen in de Corinthische gemeente, die de sluier afwierpen? Leeft bij die mens niet dezelfde zondige neiging? En de mens, die niet gelovig bezig is met het Woord, als het hem wijst op zijn zonde, zodat het hem innerlijk verbrijzelt, en evenmin als het hem getuigt van Christus, zodat het hem tot die Zaligmaker uitdrijft, maar die dat nog rustig naast zich neerlegt en geen last heeft van zijn ongeloof? Of die mens, die zijn leven geheel laat opgaan in de tijdelijke dingen, in de zucht naar levenswelstand en levensveraangenaming, en de eeuwige diagen terzijde schuift? Vallen die niet onder hetzelfde oordeel, als die vrouwen in de Corinthische gemeente, ja, erger, dan dezen? Of als iemand niet wandelt naar de ordeningen Gods voor het geestelijk leven, en b.v. slap is in de kerkgang, in het lezen van het Woord, en slordig in het gebruik van de Sacramenten, zonder daar last van te hebben?

En om nog even hierop door te gaan: als iemand zegt voor het Woord Gods te buigen en in het maatschappehjke en sociale leven bekommert hij zich niet om de beginselen van dat Woord, omdat dat hem minder past, wat is dat in principe anders, dan wat die Corinthische vrouwen deden? Of als ouders het gezag van het Woord Gods niet handhaven in hun gezin? Of als jongens en meisjes in de omgang met elkaar alleen bevrediging van hun begeerten zoeken en niet elkaar eerbiedigen, als schepselen, wier lichamen tempelen van de Heilige Geest mogen zijn?

Wat dreigt op allerlei terreia in het uitwendige leven, én in het innerlijk leven van de mens het gevaar om te vervallen in het kwaad, dat Paulus in deze verzen bestrijdt. Wie goed ziet, ziet, dat dit kwaad reeds in het paradijs begonnen is. Daar heeft God de mens een plaats gegeven, ia ere, doch onder Zijn heilzaam gezag. Maar de mens was daarmede niet tevreden. De emancipatiezucht ontwaakte in zijn ziel. Deze zuóht is eigenlijk de oerzonde. En wie zichzelf leert kennen, vindt dit kwaad maar al te zeer terug in eigen hart en leven. Eén is er, Die ook wel verzocht is tot dit kwaad, maar staande is gebleven, Christus Jezus, Die, hoewel Hij de Zoon was, als Middelaar steeds Zijn Hoofd erkend heeft en de gezagsverhouding geëerbiedigd, ja, gehoorzaamheid geleerd heeft uit hetgeen Hij heeft geleden. Zal nu dit kwaad nog weer in ons hart en leven tegengegaan, bestreden en overwoimen worden, dan is daartoe bijzondere genade nodig, de genade van de Geest van Christus! Wie zichzelf leert kennen en het leven, waaria hij geplaatst is, zal steeds weer bidden om die genade, opdat liij èn voor zijn eigen innerlijk leven èn bij zijn optreden naar buiten de ordeningen en gezagsverhoudingen, die God gesteld heeft, zou mogen eerbiedigen. Daar kan ook alleen maar zegen in liggen!

Tenslotte willen wij toch nog even hier terugkomen op het punt, dat het kwaad, dat de apostel in deze verzen beschrijft, ook kan uitkomen in de kleding. En zo passen wij dit nog éénmaal toe, op wat onze tijd in dit opzicht te zien geeft. Zeker, bij de kleding spelen ook de zeden en gewoonten en de mode een rol. Die zijn op zichzelf geen norm. Die kunnen ook wisselen naar het klimaat, naar de eisen van het praktische leven. En daarom, nogeens, wagen wij er ons heus hier niet aan, om er op in te gaan, hoe lang het haar van een vrouw of meisje precies zou moeten zijn en hoe precies de kleding van de man en van de vrouw. Mag het meisje beslist nooit een lange broek dragen, denk aan het melkerspak en aan wat de meest nuttige kleding is bij een lange fietstocht in de kou. Echter, wij zullen ook bij dit punt er niet blind voor moeten zijn, dat bepaalde zeden en gewoonten mede bepaald worden door de géést van een bepaalde tijd. En die geest kan zijn een geest, die niet begeert het Woord Gods, Zijn Wet en de openbaring van Zijn heil in Christus, gestalte te geven in het leven, doch juist het tegenovergestelde. En nu kunnen wij toch niet ontkennen, dat juist in ónze tijd die zondige emancipatiezucht op allerlei gebied zich baanbreekt. En daar bhjft de mode niet buiten. Zo kan ook daarin veel zijn, waarin ook dit kwaad gestalte zoekt, dat de mens en met name de vrouw, alle eerbaarheid aflegt, en zoekt het gedurfde, opvallende en aantrekkelijke in de verkeerde zin van het woord. En daarom heeft de gemeente van Christus, juist, omdat zij weet van dat Woord Gods, van Zijn Wet en van de openbaring van Zijn heil in Christus, steeds te onderscheiden en voorzichtig te wandelen. En zullen er ook een „halt" en een „neen" moeten vallen. Maar al te spoedig en al te gemakkelijk laat zij zich meeslepen ook op het pimt van de kleding. En maar al te gauw is het christelijk geweten en normbesef op dit punt afgestompt. En men voelt niet eens meer, hoe ook in „dit uitwendige" diepere grondbeginselen tot hun recht moeten komen.

Laten wij hierbij nog bedenken, dat de gemeente van Christus steeds te zoeken heeft naar een eigen levensstijl en dat zij „de wereld" niet gelijkvorming heeft te worden. Natuurlijk is dit laatste vooral een zaak van het hart, wat leeft er in het hart? Doch hier gaat het ook om de uitwendige dingen, om levensgewoonten, mode, kleding. Waarbij wij dan heus nog niet tot een ander uiterste van hopeloos ouderwets en onaantrekkelijk behoeven te vervallenl

In Paulus' dagen lette de wereld ook op wat in de gemeente gebeurde. Anderen zelfs vonden het lélijk, als de vrouwen zo deden, als Paulus in 1 Cor. 11 beschrijft. Nog let de wereld op de kerk. En als de kerk zover mogelijk in allerlei dingen met haar meegaat, vindt ze dat dan mooi, of lacht ze erom, en voelt ze toch nog dat ze dan te maken heeft met zout, dat bezig is almeer haar kracht te verliezen?

Hoe komt het, dat, ondanks het feit dat allerlei acties op touw worden gezet om de buitenkerkehjken te trekken, de kerk op dit punt zo weinig resultaten boekt? Zou één van de oorzaken niet zijn, behalve het gebrek aan de rechte prediking, het gebrek aan geestelijk leven en aan een eigen levensstijl, waarin wat God in Zijn Woord openbaart, gestalte krijgt? Waar dit laatste gevonden wordt, zal de gemeente respect of... haat van de kant van de wereld ontmoeten. Maar dan is het om Christus' wil en tot Christus' eer!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 maart 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Uit het Nieuwe Testament

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 maart 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's