De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

6 minuten leestijd

Deze keer iets uit „De Wekker", het weekblad van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland. In de rubriek „Voor de lens" schrijft ds. Velema uit Apeldoorn over een rapport over het vraagstuk van de zondag en de zondagsarbeid, opgesteld door de Sociaal-Ethische Commissie van het C.N.V.

Volgens ds. Velema is dit rapport breed en instructief. Het staat midden in de vragen van deze tijd, en dat is verblijdend. Het is goed om van dit belangrijke rapport kennis te nemen. Toch kleven er grote bezwaren aan dit rapport. Ds. Velema schrijft:

Hoeveel we ook in dit rapport waarderen kunnen en hoezeer we ook telkens weer dit rapport zullen nodig hebben, als we over Zondagsarbeid spreken, er zit een eiement in dit rapport, dat we ronduit gevaarlijk vinden voor de toekomst van ons christelijk leven.

Volgens dit rapport heeft de zondag drieërlei waarde: religieus, sociaal en recreatief. Dat betekent: de zondag is ons gegeven om de Heere op bijzondere wijze te dienen, om uit te rusten van onze dagelijkse arbeid, en ook om ontspanning te zoeken.

In het rapport wordt ia verband met dit laatste punt — het zoeken van ontspanning — gezegd:

„De arbeid in de moderne industrie vereist in steeds sterkere mate een psychische inspanning. De behoefte aan ontspanning is daarom niet alleen een behoefte aan lichamelijke rust maar ook en vooral een behoefte aan andere, compenserende activiteiten. Met name moeten we hier denken aan de openluchtrecreatie — een vorm van recreatie, die op zichzelf begrijpelijk en — voor zover daarbij aan het feestelijk karakter van de zondag, ook in religieuze zin, niet tekort wordt gedaan — ook aanvaardbaar is. Deze recreatie mag de beoefening van de gemeenschap der heiligen in het samenkomen met de gemeente niet in het gedrang brengen. Als neveneffect van deze openluchtrecreatie treedt echter op sommige plaatsen een aanzienlijke vermeerdering van zondagsarbeid op. In de eerste plaats betreft dit een sterk vergrote activiteit van het vervoersbedrijf en de politie, maar daarnaast kan worden geconstateerd dat een beroep wordt gedaan op de diensten van de horeea-bedrijven en de plaatselijke middenstand. De commissie meent, dat de verstedelijking van ons land en de daaruit voortvloeiende woonvormen openluchtrecreatie ook op zondag van groot belang doen zijn voor het welzijn van de mens en dat faciliteiten daartoe verleend moeten worden."

Tegen deze passage in dit rapport heeft ds. Velema grote bezwaren, en wij menen, dat hij gelijk heeft.

Het is deze passage, die een diepe schaduw werpt over dit rapport, waarin veel goeds staat en veel leerzaams. Mij bekroop een ogenblik de gedachte; Is het rapport daartoe opgezet om op dit punt de gedachten der christenheid in deze richting te leiden?

Het verheugt ons zeer dat de heren prof. Brillenburg Wurth en ds. W. A. Wiersinga deze paragraaf niet voor hun rekening nemen. „Zij zijn van oordeel dat de toenemende openluchtrecreatie op zondag een ernstig teken is van de voortschrijdende secularisatie van het leven, die men terwille van het behoud van een goede zondagsviering en het tekenkarakter daarvan zoveel mogelijk moet terugdringen."

Voor deze stem zijn we ten zeerste dankbaar.

We zijn het hier ook volkomen mee eens. En we betreuren diep dat in dit rapport op deze wijze tegemoet wordt gekomen aan de zucht van de moderne mens, ook de moderne „christenmens" om het met de dienst des Heeren op een accoordje te gooien en op deze manier de kerk van binnenuit uit te hollen.

Deze gedachten moeten met alle kracht m.i. bestreden worden.

Zeker — ik weet dat de practijk van vele kerkmensen deze richting reeds uitgaat. Maar niet dan tot schade van de plaats der kerk, de invloed van het christen-zijn en het persoonlijk geestelijk welzijn. 

Het is wel heel aardig gezegd in dit rapport dat deze recreatie de kerkdiensten niet in het gedrang mag brengen — daar komt het tenminste op neer.

Maar laat men nu ook even in de werkelijkheid gaan staan.

Meent men nu werkelijk dat dit kan?

Ik zie de duizenden, die in het beste geval dan 's morgens nog in de kerk geweest zijn, al uitzwermen naar bos, hei en strand. Menen de opstellers van dit rapport nu werkelijk dat deze mensen op tijd terug zullen zijn voor de tweede kerkdienst?

Gaat het deze richting op dan wordt de tweede kerkdienst beslist om hals gebracht. Is de practijk in het buitenland niet voldoende waarschuwing voor ons in dit tot dusver nog zo rijk bevoorrecht land?

Of moet het ook in ons land deze richting uit? Dan gaat er meer verdwijnen dan alleen de tweede kerkdienst. Laat men daar toch van doordrongen zijn.

Het jammere van deze paragraaf van het rapport is dat het de moderne mens in het gevlij komt op aantrekkelijke manier.

Hier had een positief geluid moeten klinken.

Als ik 's zondagsmiddags in voorjaar, zomer en najaar om een Veluwse gemeente te dienen over de prachtige Veluwe rijd en de honderden zie zitten en liggen in de openlucht, dan denk ik vaak: Hoe zullen we als kerk daartegen kunnen concurreren? En nu is nota bene dit rapport, een bondgenoot van die honderden tegen de kerk — zij het ongewild en onbedoeld. Bovendien — men heeft er in de kringen van de rapporterende commissie blijkbaar geen bezwaar tegen dat op zondag maar gekocht en verkocht wordt.

Maar waar gaan we heen, als deze gedachte gemeengoed wordt in ons christenvolk, dat tot dusver anders werd opgevoed en voorgegaan.

Het grote gebrek in dit rapport — het Fries Dagblad heeft daar zeer terecht op gewezen — is dat het uitgangspunt niet genomen wordt in het gebod Gods, dat ons gebiedt de dag des Heren te heiligen.

Daar had dit rapport mee moeten beginnen. Men was dan tot andere resultaten gekomen. Ook t.a.v. andere zondagsarbeid, die m.i. wat al te vlot getolereerd wordt. Daarom handhaven we ons oordeel — ondanks alle goede bedoelingen en waardevolle opmerkingen — een gevaarlijk rapport, dat tekenend is voor de geestelijke situatie van de Nederlandse christenheid vandaag.

Ds. Velema eindigt met er op te wijzen, dat het altijd al moeilijk geweest is om christen te zijn, en dat het steeds moeilijker zal worden om dat te zijn, omdat de tijd, waarin we leven in zichzelf reeds een aanslag is op het christen-zijn als zodanig.

Wij willen hieraan toevoegen, dat het dringend noodzakelijk is, dat de leidinggevende personen in het C.N.V. ook in het vraagstuk van de zondag en de zondagsarbeid opnieuw de C — christelijk — in het C.N.V. voluit honoreren, willen zij niet het fundament van hun in het verleden zo zegenrijke werk ondergraven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 maart 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 maart 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's