KRONIEK
De vijfde toogdag van I.D.D.K. — Het erfgoed der Reformatie — Noordennummer van Hervormd Nederland — Dooreengelopen kleuren — Vlek Onkunde.
De hervormde organisatie „In dienst der Kerk" (I.D.D.K.) heeft 22 en 23 maart j.l. haar vijfde toogdag te Arnhem gehouden. Dat is telkens weer in het hervormd kerkelijk leven een gebeurtenis. I.D.D.K. is een officieel hervormde organisatie. Er is een gezegde: „aan een strootje kan men zien hoe de wind is". Dat is misschien wel iets overdreven. Maar het is, dacht ik, niet overdreven, dat men aan het thema van een toogdag van I.D.D.K. wèl kan ontdekken, in welke richting „men" — „de werkende meerderheid" — in onze kerk de kerkelijke activiteit wil zien geleid worden.
Dat bleek een vorig jaar in Amsterdam, toen het vraagstuk van de kerkelijke tucht aan de orde werd gesteld. Toen is daar in A'dam betreffende tucht heel veel gezegd, over „de tocht" van de kerk door deze wereld, de tocht met de Evangelieverkondiging. Zulks dan in verband met de afleiding van tucht van „tien", trekken. Tucht kreeg op die toogdag de betekenis van (zege? )tocht van de kerk. Zo afgeleid en toegepast bleef er eigenlijk van wat de Reformatie immer volgens de Schrift onder tucht had verstaan — men denke aan zondag 31 van de Heidelberger catechismus — niet heel veel over. Het geheel deed zich voor mijn besef aan .als een veiligstelling voor 1961.
Dit jaar was in Arnhem de titel, ik kan ook zeggen: het thema: „Zijn wij protestanten de Reformatie nog trouw? " De N.R.Crt. d.d. 24-3-'60 noemde deze titel „ietwat misleidend". Volgens haar werd eigenlijk bedoeld: „Leven wij als reformatorische christenen uit het verleden, of zijn de krachten van de Reformatie nog sterk genoeg voor een bijdrage heden ten dage aan Europa". Het genoemde blad vindt het „opmerkelijk", dat op deze toogdag van begin tot einde de nadruk is komen te vallen op „gemeenschap". „Steeds klonk het woordje: „samen".
„Hervormd zijn betekent niet dat men blijft gebonden aan een historische beslissing in een ver verleden, maar, prof. Bronkborst zou het in zijn grote referaat zo zeggen: „het christendom bevat veel meer schatten dan de reformatoren hebben kunnen opdelven; trouw zijn aan de Reformatie betekent niet dat wij zelfgenoegzaam bij hun beslissingen blijven staan, maar voortgaan in hun voetspoor, en beslissingen nemen waar zij in hun dagen nog niet aan toe konden zijn".
De visie van prof. Bronkhorst, de eerste spreker op de eigenlijke toogdag, was zo breed, dat hij de huidige positie van de vrouw — of dat ook insloot haar toegang tot het ambt, stond in de verslagen, welke ik las, niet met zoveel woorden — ook uit de Reformatie zag opkomen. Wel plaatste hij — verslag van „Herv. Weekblad" d.d. 31-3-'60 — de „geestige" opmerking, „dat de vrouwen veelal nog vrijgesteld zijn wegens broederdienst". Ja de inleiders — de tweede spreker was dr. A. A. van Rhijn — zagen veel uit de Reformatie opkomen en zich ontwikkelen: tolerantie, democratie, de vrijheidsrechten, die aan de oude Engels-Amerikaanse constitutie zijn ontleend, en zo maar meer. Ondanks dat de blik voornamelijk op de toekomst was gericht — de N.R.Crt. zo schijnt het mij, was ook gegrepen door het wondere perspectief, dat werd aangegeven. De verslaggever plaatste als opschrift: „Reformatie is vooruitzien" — zij volledigheidshalve vermeld, dat dr. A. J. Bronkhorst begon met de Reformatie te schetsen als „een religieuse beweging na een nieuwe ontdekking van de Evangelische boodschap van de rechtvaardiging door het geloof alleen".
Ter voorbereiding op deze toogdag heeft de Provinciale afdeHng Friesland van I.D.D.K. een samenkomst belegd, waarin de oud-hoogleraar, prof. dr. Haitjema, heeft gesproken over: „Het erfgoed der Reformatie".
Ik weet niet of zulks meer pleegt te gebeuren, dan wel of het bestuur der friese afdeling dit nu met het oog op het onderwerp van de toogdag wel gepast of nodig achtte. Het zou immers kunnen zijn, dat men niet al te gerust over de koers was, en daarom eventuele bezoekers van de toogdag alvast enig tegenwicht wilde geven.
Wat hiervan zij, het referaat van prof. Haitjema, waarvan ik een résumé las in „Hervormd Zeist" d.d. 18-3-'60, gaf wel een wat ander geluid dan op de toogdag werd gehoord. Men oordele zelf.
„Prof. Haitjema stelde, dat de Hervorming niet een sociaal-revolutionaire beweging was, zoals in het verleden vaak is beweerd en zoals nog wel beweerd wordt. Ook was de Hervorming geen worsteling om de autonome vrijheid van het persoonlijk geweten, zoals Rome het vaak heeft laten voorkomen en zoals de Verlichting in de eeuwen na de Reformatie scheen te bevestigen"
Hij stelde herhaaldelijk en met nadruk in het licht, dat het in de Reformatie vóór alles ging om de heilsleer: Daarin schuilt de onvergankelijkheid van 't erfgoed der Reformatie. Daarin bestaat de onherroepelijkheid der beslissingen, die in de Hervorming zijn gevallen. Het gevaar bestaat vooral in deze tijd", zo zei hij verder, „dat wij verward raken in de wereld van het ethos, de wereld van het christelijk handelen in staat en maatschappij". Na er op gewezen te hebben, dat „wij als protestanten hebben te strijden op twee fronten, op het front tegen Rome, en dat tegen alle geestdrijverij", spiritualistisch - sectarisch denken en ook tegen het humanistisch denken dat meer wil putten uit de Renaissance dan uit de Reformatie", vervolgt het verslag:
„Zowel op het front tegen de verroomsing als op het andere front wordt het erfgoed der Reformatie op het ogenblik door gevaren bedreigd. Op het front, dat tegen de verroomsing is gekeerd, schuilen volgens prof. Haitjema o.a. gevaren in de liturgische en de oecumenische beweging. In beide bewegingen zitten naar zijn mening zwakke plekken. Aan de andere kant schuilen er gevaren in een overladen apostolische gerichtheid, die met name in de Hervormde Kerk dreigt, een overmatige apostolische ijver, die het kerk-zijn doorlopend dreigt te verwereldlijken".
Voorts memoreerde prof. Haitjema, dat in de decennia vóór de tweede wereldoorlog „een stijgende waardering voor de leer was waar te nemen. Na die wereldoorlog kwam „de kentering". Alles werd toegespitst op de praktijk. Hij zag hier „groot gevaar ontrouw te worden aan de Reformatie". Hij meende, dat „in de kerk er tegenwoordig wel eens al te veel aandacht besteed wordt aan de ethische problemen van de samenleving". In dit verband viel de zin: „ook de komende toogdag te Arnhem schijnt daar niet aan te ontkomen, als men de agenda beziet".
Prof. Haitjema heeft wat dit laatste betreft wel een profetische blik gehad. Het verslag, dat ik over de discussie las, wijst daarop wel voldoende. Zij verzandde nl. in allerlei praktische vragen, waarbij de „apartheidspolitiek" haar deel kreeg en het drama in Afrika — en zulks terecht — betreurd werd. Ik zeide, dat het debat „verzandde". Het verslag zegt letterlijk:
„Voor de meeste deelnemers van de sectiebesprekingen bleken de onderwerpen en de voorgestelde vragen echter meestal te moeilijk te zijn, waardoor wel misverstanden ontstonden of de discussie in een domineesgesprek dreigde te ontaarden. Een forum van de sectieleiders en de sprekers heeft de vele vragen samengevat en getracht te beantwoorden".
Als ik alles nog eens op mij laat inwerken, heb ik niet de indruk, dat de 5e toogdag in alle opzichten geslaagd is. En wat zal de vrucht zijn? Nog meerdere actie in de richting van „de wereld van het ethos"? Prof. Haitjema deed goed daartegen te waarschuwen en steeds weer het accent te leggen op „de heilsleer" om welke het in de Reformatie ging. Dat erfgoed zij ook ons ter bewaring aanbevolen. „Men moet niet in allerlei zaken zijn rust vinden, maar in het Woord, dat de Reformatie weer voor ons heeft geopend". Dat was het slot van prof. Haitjema's referaat. Hebben ook wij het niet nodig? Daarin ligt de krachtbron voor alles, waartoe God ons roept in de strijd voor Zijn zaak.
„Hervormd Nederland" is 19 maart j.l. uitgekomen in een dusgenaamd „Noorden-nummer". De naam is niet fraai. Maar in deze tijd van slecht spreken en schrijven raken we wat stijl en taal betreft aan heel wat gewend. Dat miuder verzorgde geldt over het algemeen niet de bijdragen in het hervormd „gezinsblad". Integendeel, die zijn gesoigneerd en to the point. De redactionele leiding is systematisch en doelbewust. Het beleid der redactie Hjkt mij in harmonische samenwerking door permanent contact. En taal en stijl van de bijdragen zijn verzorgd. Ik had met mijn opmerking alleen het oog op de naam van dit nr. dat speciaal aan het kerk-zijn en kerkewerk in de drie provinciën Friesland, Groningen en Drente was gewijd.
Uit alle drie provinciën is een scribent aan het woord om zijn kijk op het kerkelijk leven in zijn gewest te geven. Het gaat niet aan om uit alle artikelen hier iets over te nemen. Ik beperk mij tot Drente. Hier geeft de man die in de pen klom een kort overzicht van wat op een provinciale samenkomst te Assen de afgevaardigden uit de diverse „Jonge Kerk-afdelingen" hadden te melden.
In Assen en Emmen zijn er nog spanningen tussen vrijzinnig en orthodox. Hoogeveen meldt: „De Hoogeveense Jonge Kerk-commissie zit niet met de vraag rechts/links, maar met de vraag rechts-rechtser, wat heel andere moeilijkheden meebrengt". En over Meppel lees ik: „En bij dit alles zit de Meppelse commissie maar wat te kijken: richtingskwesties? Geen sprake van. Bestaat bij ons niet".
Is er bij een dergelijke heterogeniteit eenheid mogelijk? Het vervolg geeft een uiting van een vrouwelijk Jongekerklid, dat haar visie op de zaak aldus formuleert: „de kerk bestaat uit rechtzinnig en vrijzinnig samen; ik moet goed vrijzinnig blijven en de rechtzinnige goed rechtzinnig; en die beide moeten dan in de Jonge Kerk bij volledig respecteren en handhaven van elkanders anders-zijn samen de Hervormde Kerk vormen; juist het samenleven van deze twee tegendelen, dat is Hervormd (zoals ik het zie) en dat willen we in de Hervormde Kerk".
De vraag wordt dan gesteld of dit lid gelijk heeft. Het antwoord is „ja en neen". Hoe dat bedoeld wordt? Luister slechts: „Ja, in zoverre inderdaad in Hervormd belijden vrijzinnig en rechtzinnig meespreken. Nee, in zoverre dat als inderdaad pas vrijzinnig en rechtzinnig samen gestalte kunnen geven aan Hervormd belijden, deze vrijzinnige en rechtzinnige elementen reeds in iedere afzonderhjke gelovige samen horen te zijn. Een vrijzinnige die Hervormd wordt kan dus niet vrijzinnig blijven, evenmin als een rechtzinnige rechtzinnig kan blijven. Een Hervormde is iemand, die niet een van beide is, maar beide tegelijk. Daarom zijn er in de kerk zovelen (gelukkig al!), die op de vraag of zij vrijzinnig of rechtzinnig zijn, niet alleen geen antwoord willen geven, maar zelfs niet kunnen geven".
Tot zover uit het „Noorden-nummer". Hier is „Hervormd" dus zo iets als een hogere(? ) synthese van vrijzinnig en rechtzinnig.
Bij de woorden „zelfs niet kunnen geven" moest ik onwillekeurig denken aan wat onlangs in „Hervormd Weekblad", d.d. 3-3-'60 in heel ander verband door G. Braak Hekke werd verteld. Het verhaal luidt aldus:
„De proef die de kerkeraden van Lochem namen helpt ons dit scherp te zien. De plaatselijke predikanten gaven alle een verklaring van een van de gelijkenissen. Deze werd vermenigvuldigd en zonder ondertekening ter beoordeling gegeven aan alle kerkeraadsleden. Zij moesten dan zeggen van wie de verklaringen waren. Typerend was dat geen enkele alle verklaringen goed thuis kon brengen. Er waren er die de verklaring van de Gereformeerde predikant toeschreven aan de vrijzinnige en die van de vrijziimige werd door verschillende toegeschreven aan de orthodox Hervormde voorganger. Geen kerkeraadslid had zelfs die van zijn eigen predikant goed herkend.
En men zou zeggen dat er toch wel verschil moest zijn tussen de verklaring gegeven door de Gereformeerde predikant en die van de Remonstrantse. Dit zijn toch kerkformaties die volgens de gangbare meningen nog al tamelijk veel verschillen. Uit dit experiment kunnen we de conclusie trekken, dat de verschillen ergens anders liggen dan we gewend zijn aan te nemen".
Naar het recept van de scribent in het „Noorden-nummer" (H. Bartels) waren deze kerkeraadsleden dus wel goed „Hervormd" ook al behoorden ze tot diverse kerken.
Indertijd gaf de toenmahge hervormde Dordtse predikant Bins een brochure uit getiteld: „Dooreen gelopen kleuren". Ik kan me alleen de titel nog herinneren; de inhoud ben ik kwijt. Doch die zal wel ongeveer geweest zijn wat in bedoeld mr. van „Hervormd Nederland" als ideaal van „Hervormd" wordt gesteld en aangeprezen.
De redactie vermeldt, dat dit speciale nr. in 70.000 extra exemplaren werd verspreid. Of al die exemplaren gelezen zijn weet ik niet. Ik hoop van neen. Maar die verspreid en gelezen zijn kimnen genoeg kwaad gedaan hebben en nog doen. Arme kerk, die zo bewerkt wordt! Is dit „behjden van de HeiHge Schrift in gemeenschap met de beüjdenis der vaderen ?
Bunyan verhaalt in zijn onvolprezen „Pilgrim's Progress" — des Christenreis naar de eeuwigheid — van een ontmoeting met iemand, die kwam uit „vlek onkunde". Als het de weg opgaat in „Noorden-nummer" gesignaleerd, is onze kerk spoedig „vlek onkunde". Laat ons — ik heb vooral op de pastores het oog — hier tegen worstelen met alle macht. Gods zaak en de zielen ons toebetrouwd zijn het waard!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 april 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 april 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's