DE ZEGEPRAAL DER RENAISSANCE
II
Wij hebben de vorige keer reeds laten blijken, dat wij niet de stelling van de zegepraal der Renaissance in twijfel trokken, maar sceptisch stonden tegenover de stelling van de mislukking van de Reformatie. Deze stelling werd nader toegelicht door de opmerking, dat de Reformatie er niet in geslaagd zou zijn „het laatste antwoord der genade op het probleem van de schuld te verbinden met al de rechtstreekse en zijdelingse problemen en antwoorden van het leven".
De man, die de dingen zo stelt, moet ten aanzien van de Renaissance zowel als van de Reformatie van andere meningen en waarderingsvoorstellingen uitgaan dan wij traditioneel gewoon zijn. Dit wordt trouwens ook bevestigd door de kritiek, welke hij zowel op Luther als Galvijn uitbrengt. Hoewel wij ons welbewust voor ogen houden, dat èn Luther èn Calvijn mensen waren als alle anderen, feilbaar wijl zondaren, zijn we er niet van overtuigd, dat prof. Niebuhr het reformatorisch geloof in alle delen recht doet met zijn kritiek.
Ondanks zijn grote scherpzinnigheid gepaard gaande aan een gedegen geleerdheid en dikwijls warm aandoende vroomheid, verkondigt hij toch denkbeelden, die wij niet kunnen overnemen en die naar ons gevoelen nóch de Reformatie, nóch de Renaissance zuiverder voorstellen. Wij schrijven een en ander in de eerste plaats toe aan zijn anthropologische inzichten, d.w.z. aan zijn beschouwing over het wezen en de bestemming van de mens. Daarmede hangt een waardering van de Renaissance samen, die daaraan een positieve waarde wil schenken in een mate en op een wijze als Calvijn en Luther niet hebben kunnen doen. Hiermede raken wij aan het eigenlijke conflict.
Wij willen dit met een enkel voorbeeld toelichten. „De Renaissance", zo merkt prof. N. op, „gelooft, dat de mens vermogens bezit van rationele of mystieke aard, die hem volkomen in staat stellen de hoogste doelstellingen van het leven te vervullen". Welke waarde hij aan deze vermogens wil toekennen, kan uit de volgende zinsnede duidelijk worden:
„Opgemerkt dient te worden, dat terwijl het perfectionisme (streven naar volmaking) der Renaissance zich bewust baseerde op klassieke opvattingen omtrent de menselijke situatie (curs. van mij, S.), het onbewust een ChristeÜjkbijbels element aan haar wereldbeschouwing toevoegde". (Dl. II, blz. 140, 141.)
Met deze laatste zinsnede heeft hij de christelijke verwachting der voleindiging op het oog. De klassieke wereldbeschouwing draagt een pessimistisch karakter. Derhalve moet het optimisme der Renaissance uit andere bron verklaard. Het idealisme der Renaissance ziet prof. N. alzo als de vrucht van twee beginselen:
a. De welbewuste terugkeer tot de klassieke waardering van de mens.
b. De onbewuste invloed van de christehjke verwachting. Uit deze onbewuste invloed der christehjke verwachting wil hij dus het optimisme van de Renaissance-geest verklaren.
Het ligt echter voor de hand, dat aan dit optimisme van de Renaissance-geest een cultuurwaardering gepaard gaat, welke toch anders ligt dan die van de Reformatie. Het Christendom en inzonderheid het protestantse „Christendom" is wel eens als in beginsel vijandig aan de cultuur beoordeeld en veroordeeld. Wij willen niet ontkennen, dat een schriftuurlijke, d.i. een profetische blik op de cultuur en de cultuurontwikkeliag kritisch kan zijn en nooit zonder kritiek is. Hoe zou dat anders kunnen in een wereld van zonde en ongerechtigheid? Het is ook juist, dat een profetische visie op, wat de cultuur behoorde te zijn, van een geheel ander beeld uitgaat dan de werkelijkheid te aanschouwen geeft.
Doch juist, omdat de profetische visie een positieve waardering der cultuur heeft, omdat zij de scheppende heerhjkheid Gods kent en eerbiedigt, en omdat zij de gaven Gods met dankbaarheid erkent, daarom leidt het geloof tot een ander en onderscheiden oordeel over, wat zich als cultuur aandient.
Deze cultuurvisie hangt weer samen met twee dingen:
1e. Hoe ziet en waardeert men de mens?
2. Hoe ziet en waardeert men de geschiedenis?
3e. Welke plaats kent men daarin toe aan de mens en wat is het antwoord op de vraag: waar gaan wij heen?
Om op het eerste punt nog wat nader in te gaan. Hoe denkt men over de zonde?
Een en andermaal hebben wij reeds op het oordeel van prof. Niebuhr gewezen aangaande de moderne mens, waarbij hij opmerkt, dat deze niet van zonde wil weten. Dat is ons trouwens niet onbekend. Het kan voorkomen, dat een jonge man, die eindexamen H.B.S. heeft gedaan nog nooit het woord zonde heeft ontmoet. Het is haast ongelooflijk, maar het kan.
De klassieke wereldbeschouwing weet er weinig of niets van en de Renaissancegeest onderscheidt zich meer door zelfverheffing en hoogmoed dan door zondebesef.
Welnu, iedereen zal derhalve toestemmen, dat het al of niet erkennen van de zonde en met name de ernst der zonde van overwegende betekenis is voor de waardering van de menselijke cultuur en voor iemands gezicht op de wereldgeschiedenis.
Allerminst beweren we, dat prof. Niebuhr de zonde niet ernstig zou nemen. Integendeel, hij is overtuigd, dat de mens een zondaar is in hart en nieren. Er is echter nog een kant aan deze zaak. Men kan de zonde zeer ernstig nemen en over haar karakter zodanig denken, dat men toch weer afbreuk doet aan de ernst.
Ook dit punt is voor onze lezers niet nieuw, want reeds eerder hebben wij de aandacht gevestigd op de eigenaardige beschouwingen van K. Barth ten aanzien van de zonde als „onmogelijke mogelijkheid". Wij herinneren aan zijn uiteenzetting aangaande het z.g. nietige. Naar aanleiding daarvan zet hij tegenover de positieve wil Gods aangaande de dingen, die Hij schiep, het niet willen Gods ten aanzien van de dingen, die Hij niet geschapen heeft. O.i. volkomen ten onrechte wil Barth de niet geschapen dingen als in.die zin verworpen dingen beschouwen. Hij ziet daarin een oorzaak van weerstanden in het leven, die zich als een rebellerende macht openbaren. Geen schepsel is in staat die weerstandige macht te onderwerpen. Dat kan God alleen en als Hij die gaat overwinnen, moet Hij zich derhalve de zaak van de zonde zelf aantrekken.
Op deze wijze heeft de zonde, zoals men kan inzien, een zeker noodzakelijk karakter gekregen. Men zou kunnen zeggen: een zeker natuurlijk karakter.
Ook willen wij niet beweren, dat prof. N. deze visie van K. Barth overneemt, ofschoon hij ongetwijfeld bij hem in de leer is geweest. Maar iets van dat natuur noodzakelijke karakter kleeft er aan zijn zondebegrip wel. Hij brengt de zonde in verband met de vrijheid van de mens en acht de zonde een zeker natuurlijk gevolg van die vrijheid, althans een natuurlijk beloop, dat hij welliswaar toeschrijft aan de mensehjke hoogmoed. Terwijl nu de geschiedenis voor hem verschijnt onder het beeld van een conflict van de eis der liefde en de weerstand van de menselijke hoogmoed en het menselijk egoïsme, hebben toch het natuurlijk gebeuren en de cultuurhandelingen van de mens een positieve waarde voor hem, die hij in de Renaissance door de Reformatie gehonoreerd wil hebben, terwijl deze dit niet kan doen, althans niet op de door hem voorgestelde wijze.
Overigens is het begrijpelijk, dat de middeleeuwse synthese tussen natuur en genade prof. N. beter bevalt dan de houding der Reformatie. En wat hij zoekt, bedoelt weer zo iets van een synthese te zijn tussen Renaissance en Reformatie. Intussen zijn wij van mening, dat het conflict tussen de controversen in deze beide zo diepe wortels heeft, dat van een synthese geen sprake kan zijn, indien men die innerhjke tegenstiijdigheden naar haar aard volledig laat gelden. Bij de toepassing van een dialectische methode, gelijk prof. N. doet, kan dat wellicht minder duidelijk spreken, omdat deze als zodanig van onderstellingen uitgaat, die in verschillend opzicht afwijken van het reformatorisch Schriftgeloof. Dat treedt in het betoog van prof. N. wel heel klaar aan de dag, als hij telkens weer een letterhjke opvatting der Schrift aanvalt en aan de Reformatie, met name aan Calvijn, spoedig geneigd is biblicisme te verwijten en zelfs van boekverering spreekt.
Ook de Schriftwaardering valt dialectisch uit. Op dit punt ligt wel een zeer belangrijk verschil met de Reformatie.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 april 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 april 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's