Uit het Nieuwe Testament
1 Cor. 11:7-9.
VIII
Voordat ik de bespreking van 1 Cor. 11 met u voortzet, even een opmerking.
Enkele lezers hebben mij vragen over andere gedeelten van het Nieuwe Testament voorgelegd. Hartelijk dank hiervoor. Graag wil ik die vragen trachten te beantwoorden. Willen deze lezers echter nog even geduld hebben? 'k Wilde eerst de bespreking van 1 Cor. 11:1-16 afmaken. De behandeliag van 1 Cor. 11:17 vv . stellen wij dan even uit. Dit kan goed, omdat Paulus in die verzen een ander onderwerp aansnijdt, n.l. het Avondmaal, immers. Eerst nemen wij dan de birmengekomen vragen.
Maar nu schenken wij onze aandacht aan 1 Cor. 11: 7-9.
Nog steeds gaat het over de van God Zelf gestelde verhouding tussen man en vrouw en hoe die ook moet uitkomen in het openbare optreden van de vrouw. Reeds wezen wij er op, hoe die verhouding verankerd ligt in de schepping.
In déze verzen wijst Paulus daarop met nadruk. Ja, dus ook de schepping blijkt voor de apostel van groot belang te zijn. Ze geldt voor hem blijkbaar ten volle als openbaring Gods. Deze openbaring gaat voor hem maar niet op alleen in bepaalde ideeën, zoals dat bij de oud Moderne Theologie het geval was, in de vorige eeuw. Ze is voor hem evenmin beperkt alleen tot de Persoon en het werk van de Heere Jezus, zoals dat toch eigenlijk het geval is bij de nieuwere Theologie van onze tijd. Neen, voor Paulus heeft de openbaring Gods een historisch karakter en doorloopt ze de eeuwen, ze vindt wel haar hoogtepunt in de Persoon en het werk van Christus; ze begint echter bij de schepping, waarvan Gods Kerk een beschrijving heeft in Genesis 1 en 2.
Wij wezen er tevoren reeds op, dat voor de apostel van groot belang is, hoe God de Heere tóen, bij de schepping, het leven heeft ingericht. Hij weet ook, dat de gemeente van Christus bekend is met het heil, dat de Heere in Christus bereid heeft. Dit heil betekent echter niet alleen verzoening, maar ook verlossing van de macht van de zonde, die het schone werk Gods in de schepping heeft aangetast, en zo ook herschepping. Doch daarom ook mag het in de gemeente niet zó toegaan, dat daar de ordinantiën Gods, bij de schepping ingezet, opzij geschoven worden, maar integendeel, daar moeten ze juist temeer van kracht zijn.
De apostel grijpt op dit alles terug in de volgende verzen van 1 Cor. 11, wanneer hij daarin zegt: „Want de man moet het hoofd niet dekken, overmits hij het beeld en de heerlijkheid Gods is, maar de vrouw is de heerlijkheid des mans. Want de man is.uit de vrouw niet, maar de vrouw is uit de man. Want ook is de man niet geschapen om de vrouw, maar de vrouw om de man".
In dit gedeelte, waarin Paulus stellig denkt aan de schepping met name van de mens, staan enkele dingen, waar wij bijzonder aandacht aan willen schenken.
De apostel noemt de man het beeld Gods. Deze uitdrukking vinden wij meer in de Heilige Schrift, met name in Genesis. Wat er daar mee bedoeld wordt, kunnen wij nog altijd het beste als volgt weergeven, 't Heeft God behaagd, de mens oorspronkelijk zó te maken, dat Hij in diens wezen, in verschillende trekken van dat wezen, als het ware een levend beeld van Zijn eigen hoedanigheden terugvond. Natuurlijk stelde de Heere terstond bij de schepping het principiële onderscheid tussen Hemzelfe en Zijn schepsel; welk een afstand was er in heerlijkheid! Maar, terwijl er enerzijds dat onderscheid en die afstand waren, was er toch in de mens dat levende beeld. En vragen wij, waarin dat beeld nader bestond, dan zullen wij dit altijd nog wel zó op de meest juiste wijze onder woorden brengen: God de Heere heeft de mens begiftigd met een rijk verstandsleven, opdat deze Hem daarin recht kennen zou, — met een hart, in geestelijke zin, opdat hij daarmee in heiligheid voor Hem zou leven, — en met een wilsleven, opdat hij daarin zich rechtvaardig zou betonen, altijd vaardig, gewillig en bereid, om het rechte en het goede te doen.
Over het algemeen wordt met name door de Gereformeerde theologen dit beeld Gods zó samengevat, niet omdat wij in die zin daar zo uitvoerig over gesproken vinden in Genesis 1, doch wel door Paulus, op andere plaatsen in zijn brieven, nl. in Colossenzen 3 en in Efeze 4. Daar heeft de apostel het over de nieuwe mens. Bij die is er volgens hem, door de vernieuwende werking van de Heilige Geest weer die kennis, rechtvaardigheid en heiligheid, zij het in beginsel. Maar, dan waren die er dus ook éénmaal bij de oorspronkelijk goed geschapen mens. Immers hier hebben wij weer dezelfde kwestie: de herschepping staat niet los van de schepping, doch herstelt die, brengt het oude, dat door de zonde verloren ging, terug in heerlijker glans. De Heere schiep éénmaal de mens naar Zijn beeld; dat was de eer, welke Hij de mens gaf. Dat was tevens de hoge verantwoordelijkheid, waarin Hij de mens plaatste. De zonde schond dit beeld, al bleven de omtrekken ervan zichtbaar in het wezen van de mens. Behield hij niet zijn verstandsleven, zijn innerlijk-, zijn wilsleven? Bleef hij niet ten volle verantwoordelijk? Christus is in geheel enige zin hét Beeld Gods, Die én in Zijn verstandsleven en in Zijn hart en in Zijn wilsleven de Vader volkomen verheerlijkt heeft. En door de vernieuwende werking van de Heilige Geest, in de gemeenschap des geloofs met Christus, nooit lós daarvan, herstelt de Heere het zo geschonden beeld weer bij Zijn kinderen. En even willen wij ook hier weer bedenken dat dit immers de heerlijkheid van het verlossingswerk Gods is: niet alleen brengt dat de zondaar vergeving van zijn schuld voor God, en verlossing uit diepe nood, — niet alleen verzoent het hem met God, — doch het wil hem ook als beelddrager Gods herstellen. Dit is de glorie van dat verlossingswerk: het geeft God Zijn schepsel en daarin Zijn éér terug!
Met opzet gaf ik hier deze uitweiding over het beeld Gods. Wij voelen echter; in déze zin kan ook van de vrouw gelden, dat zij het beeld Gods is. Dat is toch niet voor de man alleen gereserveerd? Inderdaad: ook elke vrouw, die waarachtig tot geloof en bekering komt, ontvangt in beginsel in déze zin het beeld Gods terug, even goed als de gelovige man. En eveneens van haar geldt, dat ook zij, evenals de man, bij de schepping in deze zin naar Gods beeld geschapen is. Dit is wel duidehjk in Genesis 1. Daar staat immers: „God schiep de mens naar Zijn beeld, naar het beeld Gods schiep Hij hem, man en vrouw schiep Hij ze".
Wanneer Paulus dus in 1 Corinthe 11 van de man apart zegt, dat deze het beeld Gods is, in onderscheid van, ja, in tegenstelling met de vrouw, die dat niét is, moet hij nog in andere zin aan het beeld Gods denken. Zeker kent hij het beeld Gods in de bovengenoemde zin ook aan de vrouw toe. Maar, wat bedoelt hij hier dan met het beeld Gods, als hij dit voor de man reserveert? Stellig iets bepaalds, — een bijzondere kant van dat beeld Gods. En dit wordt nu weer het mooie en het eigene van dit gedeelte.
Waar gaat het ook al weer om in het verband? Niét om de innerlijke gesteldheid van de man en van de vrouw, van de gelovige man en vrouw, tegenover God, maar om die gezagsverhouding tussen man en vrouw en om de positie, waarin de Heere hen ieder, in het huwelijksleven en daarbuiten, gesteld heeft.
Welnu, in dit licht, dimkt mij, verschijnt hier ook het beeld Gods. Wij vragen: wat is de positie van God Zelf tegenover alles, wat leeft en Zijn schepsel is? Is dit niet zo weer te geven : Hij is Souverein boven alles? Hij hangt van niemand of niets af; Hij is in geheel enige zin met majesteit bekleed en alles heeft onder Zijn gezag te buigen. Alles heeft te maken met Zijn goddelijke wil, o zeker, Zijn kinderen anders dan de ongehoorzamen, doch niemand en niets vallen daarbuiten. Zonder Zijn wil valt zelfs geen musje dood ter aarde. Deze souvereiniteit Gods is geen eigenschap naast de andere eigenschappen, maar is als het ware met al die andere verstrengeld. God is geen God, als Hij niet Souverein is.
Is het nu echter niet zó, dat het Hem behaagd heeft van deze souvereiniteit iets te leggen, in dit leven, in 't politieke leven, op de overheden der aarde? Niet voor niets heten zij dienaressen Gods. En ook de uitdrukking: „bij de gratie Gods" heeft diepe, bijbelse betekenis. Van deze souvereiniteit heeft Hij in andere levenskringen nog op anderen iets gelegd. Het zijn zij, die in die kringen gezagdragers zijn. Zo in het gezin de ouders, man en vrouw samen. Maar geldt dit nu ook weer niet van het huwelijk? Is ook daar niet iets van die souvereiniteit op de man gelegd? En wat van het huwelijk geldt, geldt dat ook niet daarbuiten, in de gehele verhouding van man en vrouw? De regel is dat iets van die souvereiniteit afdaalt op . . . .. .. de man. Wij kennen daarop de uitzonderingen, b.v. in de vorstin. Welk feit ons als zodanig zeker iets te zeggen heeft. Nogeens, als regel behaagt het de Heere iets van die souvereiniteit te doen afdalen op de man. En dat bedoelt, dunkt mij, Paulus hier, als hij zegt, dat de man het beeld Gods is. 't Is de gedachte van heerschappij, welke hier terugkeert. In bijzondere zin heeft God aan de man iets koninklijks gegeven.
Wij merken hierbij op, dat de Schrift zelf, heel in 't begin, ons twéé daden meedeelt van de eerste mens, van de man, waarin dit koninklijke op een eigenaardige manier uitkomt. Daar is eerst het feit, dat Adam de dieren namen moest geven. De betekenis van dat feit was toch wel deze, dat God daardoor zijn kennis en inzicht wilde oefenen. Adam moest zich rekenschap geven van de eigenschappen en eigenaardigheden van de verschillende dieren en dat tot uitdrukking brengen in de namen, welke hij ze gaf. Wat is voor ons dikwijls nog de inhoud van een naam? Doch oorspronkelijk betekende het geven van een naam immers: daarin iets tot uitdrukking brengen van de eigenschappen en eigenaardigheden van de ander, aan wie men die naam gaf. Zo vinden wij het meerdere malen in de Heilige Schrift; b.v. ook vóór de geboorte van Jezus. En zó was het ook, toen Adam de dieren namen moest geven. Zijn noemen was een definiëren. En zoals hij ze definieerde, zo heetten ze, hij ordende ze, zette ze, ieder op zijn plaats. Had dat niet iets koninklijks?
En het tweede feit is, dat Adam zijn vrouw een naam gaf, eerst nog voor de val, daarna na de val. Toen de Heere tot het gevallen mensenpaar was gekomen, Zijn woord van straf en vloek, doch ook van genade en verlossing gesproken had. Toen noemde Adam zijn vrouw Eva, „moeder aller levenden". Wij zouden dit de eerste geloofsbelijdenis kunnen noemen, 't Was het antwoord des geloofs van de gevallen, doch opgezochte en in beginsel met geloof begiftigde zondaar, Adam, op het woord Gods. 't Was echter ook een koninklijke daad van hém, die oorspronkelijk met bijzondere koninklijke heerlijkheid bekleed was geworden, — door zijn val die heerlijkheid niet meer waardig was, echter door genade ze in beginsel had terugontvangen. Die zo die heerlijkheid weer uitoefende. In het geloof en als met profetische blik zag hij wat, naar Gods woord, komen zou: vloek, oordeel, maar ook verlossing, nieuw leven. En zo legde hij als het ware opnieuw de hand op zijn vrouw, en ziende, waartoe ook zij nog verwaardigd zou worden, zette hij dat stempel op haar en zo noemde hij haar, — en ook dat had iets koninklijks —: „Eva, moeder aller levenden".
Over wat Paulus verder schrijft in deze verzen, een volgende keer.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 april 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 april 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's