TOT OP DEZE DAG
In de Put en In de liefde
14
Een vreemd onderwerp! Ik zal u zeggen, hoe ik er aan kom. In een gemeente, waar ik stond, waren eens twee vrouwen; echte vriendinnen in de Heere. Zij waren beide godvrezend en trokken veel met elkander op.
Het gebeurde wel eens, dat dit tweetal, na de dienst of op een namiddag in de week, op bezoek kwam. Hier was geen sprake van zwaarwichtigdoenerij of geestdrijverij. Men kon goede en verkwikkende dingen van hen horen en er veel uit leren.
Ik weet niet, hoe het u in dit opzicht gaat. Wat mij aangaat: in mijn jonge jaren had ik groot respect voor ware kinderen Gods. Die eerbied heb ik Gode zij dank! ook nu nog niet verloren. Al moeten wij nooit vergeten dat ook Gods kinderen mensen zijn en het wel eens mis hebben. De Schrift heeft ons trouwens altijd gewaarschuwd voor het meegaan met iemand door dik en dun. Want dat zou mensenvergoding zijn.
Deze twee vrouwen waren ongetwijfeld door de Heere in het hart gegrepen, maar verder enigszins onderscheiden geleid. De ene verkeerde wel in de liefde Gods. Zij was, zo sprak zij, door de Heere in liefde geleid. Dat dit geen vroom verzonnen verhaaltje was, bleek, dunkt mij, uit verschillende dingen. Dat zij trouw aan de tafel des Heeren zat, was op zichzelf nog geen bewijs; er zijn ook gewoonte-avondmaalgangers. Wel was ik nog al eens onder de indruk, vooral die ene keer, dat ik bij haar op bezoek kwam. Het was ongeveer zes weken vóór de Kerstdagen. Ik trof haar aan in vreugde. Een glimlach stond op haar aangezicht en spontaan kwam het er uit: „Och dominee, het is voor mij Kerstfeest. O, wat is dat groot, dat dat Chiistusikind ook voor mij, die zondares, in de wereld kwam".
Ik heb niet veel gezegd; meer geluisterd; en toen ik naar huis ging, was ik eigenlijk diep beschaamd. Die vrouw al in volle vreugde over het Kerstevangelie, en ik had er eigenlijk nog niet over gedacht. Ja, een mens kan heilzame lessen mee naar huis krijgen.
De andere vrouw van dat tweetal was anders. Men hoorde haar weinig roemen. Zij zat, zoals zij zelf te kennen gaf, veel in de put.
Zeker, bij tijden en ogenblikken roemde zij ook wel, maar daarna zat zij dan lang weer in de put van neerslachtigheid en moedeloosheid. Het kon wel eens gebeuren, wanneer zij samen op bezoek waren en haar geloofsvriendin aan het roemen was, zij haar in de rede viel en zei: „Ja, ja, bij jou gaat alles heel gemakkelijk! Bij mij niet. Het is of je het zo maar voor het grijpen hebt. Nooit hoor ik je eens spreken over je zonden en ellenden". Waarop de andere dan nooit boos werd, maar enkel vroeg: „Waarom gun je mij dat nu niet? Ik weet wel, voor God een zondares te zijn, maar wat zal ik verder met een mens over mijn zonde spreken? Wanneer mijn hart mij veroordeelt, komt de Heere daar altijd in liefde overheen en is dat zonde, wanneer ik dan weer vrohjk word? "
Wat zij ook met elkander verhandelden, zij bleven vriendinnen.
Ik heb veel gedacht over het onderscheid tussen die beiden, totdat mij op zekere middag iets er van duidelijk werd, naar ik meen.
Het was ongeveer half twee en ik besloot, eens even aan te lopen bij een van hen, namelijk de juffrouw, die zoveel in de put zat. Ik had haar namelijk de verlopen zondag niet in de kerk gezien en dat scheen mij iets bijzonders, omdat zij anders nooit miste, behalve wanneer zij bij haar man aan boord was.
Thuis was zij wel, want ik hoorde haar stem achter het huis luid opklinken. Ik liep door het gangetje tussen de twee huizen door en daar trof ik op het kleine grasperk een heel gezelschap, meest jonge mensen. En daartussen stond onze juffrouw, luid gekscherend en vol kwinkslagen, een paar jonge mensen in het ootje te nemen.
Ik beweer niet, dat er iets kwaads gebeurde, alleen was de kwinkslag wat aan de grove kant.
Niemand had mij zien aankomen en ineens klonk met iets harder stem dan gewoonlijk mijn „Goede middag!" Meteen daarop werd het doodstil. Dat een heel gewoon jong domineetje een mens zó stil kan maken! „Ik kwam eens even zien, hoe het was, " begon ik al gauw.
„Ik zag u zondag niet in de kerk en dacht, dat u misschien ongesteld was".
„Kom er in, dominee!" sprak zij schuchter.
Daar zaten wij in de kamer en het was weer stil. Eindelijk kwam het er met moeite uit: „Dat dominee mij zó moest aantreffen!"
Ik heb haar geen verwijt gemaakt. Zij schaamde zich diep en ik geloof wel, dat het niet alleen voor mij was, maar vooral voor de Heere. Het gesprek wilde echter die middag niet erg meer vlotten.
Onderweg dacht ik onwillekeurig aan haar vriendin. Haar leven was zo heel anders. Zij had een man, ruw en onverschillig, gauw overslaand in gevaarlijke drift. Toch wist de moeder haar kinderen nog naar de catechisatie te krijgen. Wat aardse zegeningen betrof, genoot haar vriendin zoveel meer en toch was zij zo vrolijk in haar God. De een zat veel in de put, de andere genoot veel van Gods liefde. Ik heb mij afgevraagd of hier soms enige verklaring lag.
Van dat zitten in de put kennen alle ware christenen soms iets. De psalmist van Psalm 130 zat aanvankelijk ook in de put. In diepten van ellende. De Heere God werpt er ons allen wel eens in. Dat is dan goed en nodig voor ons, opdat wij dagelijks aan schuld worden ontdekt. Dan worden wij moedeloos en verslagen voor Gods aangezicht.
Daar zijn putten, waar de Heere ons inwerpt voor onze beproeving en loutering. Maar er zijn ook putten, waar wij zelf in vervallen zijn door eigen schuld. Door weer met de wereld mee te doen. Door ons te begeven op plaatsen, waar wij niet behoren; om dingen te doen, die niet betamen. Kortom: door de betrouwbare paden van Gods Woord te verlaten, een ongeregeld leven te leiden en van het ene uiterste in het andere te vallen. Hoe dikwijls gebeurt het, dat men aan zijn vleselijke ondeugden nog een geestelijk kantje wil geven.
Ik weet hier maar één oplossing en dat is deze: „Wat vree heeft elk, die Uwe Wet bemint." De Joden vieren hun „Vreugde der Wet." Welnu, van de Wet Gods, in het stuk der dankbaarheid, gaat vreugde uit.
En dan nog iets daar overheen. De Heere brengt Zijn kinderen langs de éne weg tot de Vader. Maar de leidingen op die weg kunnen onderscheiden zijn. En wanneer op de weg van de ene een putje meer ligt dan van de andere, de Heere weet waartoe dat nodig is.
Hij geeft trouwens aan ieder der Zijnen wel zoveel draagkracht, dat zij met Paulus mogen zeggen: „Hulpe van God verkregen hebbend, sta ik tot op deze dag!"
Vermoedelijk genoot de vrouw, die zo'n moeilijk leven had, bijzondere ondersteuning van haar God.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 april 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 april 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's