DE ZEGEPRAAL DER RENAISSANCE
III
Wij kwamen op het reformatorisch Schriftgeloof als een belangrijk punt van verschil met de opvatting van prof. Niebuhr daaromtrent en als wel de voornaamste aanleiding van zijn kritiek op de Reformatie, om niet te zeggen zijn welwillende tegemoetkomst aan de Renaissance, hoewel die beide niet vreemd zijn aan elkander.
Prof. N. behoort tot degenen, die de reformatorische belijdenis aangaande het goddelijk gezag der Heilige Schrift als overleefd en uit de tijd beschouwen. Hij staat daarin, zoals gezegd, niet alleen, want vele theologen van onze tijd, houden er in hun beschouwingen in het geheel geen rekening mede, dat er in de wereld van heden nog miljoenen Christenen zijn, die uit dat reformatorisch Schriftgeloof leven en de goddehjke kracht en waarheid van die Schrift in hun geloofsleven ervaren. Nog minder worden zij er bij bepaald, dat alleen het geloof het goddelijk gezag der Schrift kent en erkent, en dat het menselijk verstand in deze zaak wel een beslissing kan nemen, die tegen het geloof ingaat, of buiten het geloof omgaat, doch dit heeft geen autoriteit over het gdoof, omdat het niet competent is in deze aangelegenheid.
Om die reden etekent het in de grond der zaak niets, als iemand het reformatorisch Schriftgeloof bekritiseert of zelfs belachelijk maakt. Het zegt alleen, dat zo iemand aan verstandehjke redeneringen meer waarde toekent dan aan het geloof. Dat kan een zwakheid zijn, een tol aan de intellectuele hoogmoed, gebrek aan geestelijke kennis, maar uit het geloof als zodanig komen zij niet op. En hoeveel zwakheden en onchristelijke beschouwingen iemand er op na kan houden, en toch nog een Christen zijn, staat aan ons niet uit te maken.
In zoverre is er aanleiding voor verdraagzaamheid ook in deze zaak, gelijk ten aanzien van vele zwakheden.
Verdraagzaamheid, ook een geliefd patroon in de beschouwingen van prof. N. Dit hangt, zoals we begrijpen onmiddellijk samen met zijn welwillend standpunt jegens de Renaissance en met zijn dialectische wijze van zien. De eis der verdraagzaamheid komt altijd van de kant dergenen, die het wat ruim en gemakkelijk nemen met het reformatorisch Schriftgeloof. Comrie's boek over de tolerantie is nog altijd actueel. De tijden zijn wel veranderd, maar de mensen en hun strevingen blijven zich gelijk.
Anderzijds mag het wel eens worden opgemerkt, dat wij, orthodoxen, in sommige opzichten wat meer verdraagzaamheid jegens elkander mochten betonen. Vooral aan de sectarische zelfkant van de orthodoxie laat dat wel eens veel te wensen over. De secten komen er bij prof. N. nog wel eens goed af, maar in dit opzicht zouden ze hem wel eens kunnen tegenvallen. Al te onbedachtzaam wordt dikwijls over staat en geloof van hen geoordeeld, die met een oordeel der liefde als medebroeders moesten worden bejegend.
Doch ook de verdraagzaamheid heeft haar grenzen. Deze grenzen moeten echter niet worden bepaald door onze gevoeligheden en gemeten naar onze maatstaven.
Dat gevaar is n.l. groot. Men kan dat zien bij een verdediger der verdraagzaamheid als prof. N., die haar zeer eenzijdig in de richting van de Renaissancegeest wil uitstrekken, maar anderzijds spoedig gereed is met zijn kritiek op het reformatorisch Schriftgeloof.
Het ontbreekt waarlijk niet aan vermaningen tot onderlinge liefde, eenstemmigheid en verdraagzaamheid in de Schrift, maar, als het gaat om de ere Gods, om het heilige, om de Waarheid kan slechts de onverschillige ziel verdraagzaam blijven.
Om de Waarheid!
Ook weer zo'n punt.
De Waarheid? Met zo'n nadruk op de?
De Waarheid gaat boven onze bevatting, zullen velen, ook theologen, in onze dagen u tegenwerpen. Het blijken altijd de mensen te zijn, die kritisch staan tegenover het reformatorisch Schriftgeloof. Zij zullen evenals prof. N. opmerken, dat wij slechts onze waarheid hebben of kennen, dat wij voor onze waarheid in het geweer komen, niet voor de Waarheid. Onze waarheid, zij moge dan betrekking willen hebben op de Waarheid, maar zij is niet te vereenzelvigen met de Waarheid.
De verdraagzaamheid, die deze mensen van ons verlangen is een verdraagzaamheid der instemming met deze geheel en al verstandelijke redenering die intussen niets met het geloof heeft uit te staan.
Ondragelijk wordt het, indien de kerkregering dergelijke redeneringen tot de hare maakt, of daarvoor uit de weg gaat en droomt van een modaliteitenkerk, waarin de z.g. modaliteiten in storeloze vrede naast elkander leven en van uiterst rechts tot uiterst links een geloofsgemeenschap vormen ondanks de ervaring, dat de éne groep verloochent en verleugent wat voor de andere heilig is.
Wel zeggen ze, dat die gemeenschap grenzen heeft, maar als onbeschaamde ontkenning van fundamenteel christelijke geloofsstukken, ja zelfs van het hart van het Evangelie, openbare ergernis wekt, doet men, als of er geen weg is om bij die grens de wacht te betrekken, en deze duidelijk te markeren. Zo is er aanleiding om in het geval-Smits te vrezen, dat men de aangewezen weg van Ord. 13.29.5 te volgen om dergelijke onbeschaamde ketterijen van de kansel te weren, zoekt te ontgaan.
Daar ziet men de invloed van theologische of liever wijsgerige beschouwingen, die de reformatorische geloofsbehjdenis op het meest fundamentele stuk loslaten, terwille van ... ja, waarvan? Terwille van het geloof zeker niet, want het strijdt met het geloof.
Derhalve terwille van andere motieven, die nooit met het waarachtig geloof kunnen wedijveren. Het is inderdaad waar, dat het kerkelijk leven allermeest wordt bedorven door de theologen. Dat vindt niet alleen zijn oorzaak in de vermenging met wijsgerige redeneringen, waartoe de theologie zo vaak geneigd is, maar in de aard der theologie zelf. Immers wat wil theologie eigenlijk? Wat is haar definitie?
Antwoord: doordenking van de geloofsgegevens, de data der openbaring, met de bedoehng het verband daartussen te doorgronden. De theologie wil immers wetenschap zijn.
Wetenschap onderscheidt zich van de alledaagse praktische kennis als kennis in verband. De geloofskennis, welke vrucht is van de werking van Woord en Geest, is praktische kennis. De theologie stelt zich tot taak die wetenschappelijk te verstaan. Dit is derhalve een taak voor het redevermogen. En nu is het maar de vraag, in welke mate de man, die zich tot deze taak zet, deel heeft aan het levend geloof en zich bewust is, waar de rede heeft halt te maken.
Het is n.l. wel zó, dat het verstand de gegevens der openbaring in hun leesbare gestalte tot object van studie en doordenking kan maken. Dat is op zich zelf echter geenszins een waarborg, dat de rede de geloofsinhoud en geloofswaarde daarvan verstaat, anders uitgedrukt, dat de rede gepaard gaat met inzicht in en gevoel van het profetisch karakter, dat aan de openbaring altijd eigen is.
Hier ligt het gevaar voor een wijsgerige vulling of vertolking, welke als een besmetting op de theologische arbeid werkt.
Dan komt er nog wat bij. Wetenschap is uit de aard der zaak kritisch, d.w.z. zij onderscheidt nauwkeurig, zij ontleedt en verbindt, zij verklaart, tracht althans te verklaren, en heerst over de stof van haar onderzoek. Dat is alles goed en wel bij de onderzoekingen van de dingen, die voor ogen zijn, die men op enige wijze kan waarnemen.
Men kan echter inzien, dat zulk een wetenschappelijke instelling op de gegevens der Godsopenbaring, in beginsel reeds mis is, aangezien de mens geen heerschappij heeft over de dingen, die des Geestes Gods zijn. De nodige ootmoed kan alleen de betrokkenheid des geloofs bij de dingen, waarmede de theoloog zich wil bezig houden, hem schenken en hem bewaren voor overschrijden de grenzen zijner competentie.
De geschiedenis der Schriftkritiek kan het bewijs leveren, dat dit laatste veelvuldig voorkomt. Door de school verkrijgen allerlei beschouwingen, die met het geloof niets heibben uit te staan, ingang in de kerk, omdat er altijd mensen zijn, wier geloof zich liever laat leiden door theologische beschouwingen dan door het Evangelie als een kracht Gods tot zaligheid.
Ook een zegepraal der Renaissance. Wij houden het toch maar bij de antithese, instede naar een synthese te zoeken, want indien deze mogelijk ware, moest zij reeds tot werkelijkheid geworden zijn in een verworden kerkehjk leven, als wij, helaas, kennen. Maar zelfs de modaliteiten-kerk getuigt nog tegen de synthese-politiek.
Desniettemin betreuren wij de omstandigheid, dat de kerk tegen haar wezen en welwezen in medewerkt aan die zegepraal en voor zover zij dat doet de Reformatie verloochent, of, wat nog erger is, haar geloof in de Christus der Schriften verzaakt, terwille van wijsgerige kramerijen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 april 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 april 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's