De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het Nieuwe Testament

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het Nieuwe Testament

J. VAN DER VELDEN

9 minuten leestijd

1 Corinthe 11 : 7-9

Wij zouden nog verder bespreken, wat Paulus schrijft in deze verzen. Wij zagen reeds, hoe hij in deze verzen de man het beeld Gods noemt en hoe wij dat wellicht moeten opvatten.

Thans letten wij er op, hoe de apostel de man bovendien de heerhjkheid Gods noemt.

In het oorspronkelijke staaf hier een woord, dat wij het beste kunnen vertalen met wat God de Heere tot eer is. Hem bijzonder tot heerlijkheid strekt. Ook hier zouden wij direct weer kunnen vragen: is de vrouw eveneens niet geschapen tot Gods eer en is dat eveneens niet het hoogste doel van de gelovige vrouw? Zeker, maar stellig denkt de apostel hier weer aan nog iets anders. En bedoelt hij het woord „heerlijkheid" hier weer in een aparte zin. Het heeft God behaagd, als de laatste van alle schepselen de mens te scheppen, als kroon van de schepping. Doch deze mens, in de volle zin des woords zó uit de hand Gods voortgebracht, was de man en niet de vrouw. Déze heeft de Heere later uit de man genomen. Daarom kunnen wij het ook zó zeggen: in de schepping van de man heeft God getoond, welk heerhjk wezen Hij op aarde scheppen kon en om die reden was deze bijzonder de kroon, de ere Gods. En in deze zin noemt Paulus de man behalve beeld Gods, ook heerhjkheid Gods. Om deze reden ook, moet de biddende en profeterende man het hoofd niet dekken. Hij moet dat niet doen, als teken, dat hij geen ander aards hoofd boven zich heeft. Doet hij het wel, dan is het, alsof hij, zo vdl de apostel hier zeggen, dan ook die bijzondere heerlijkheid Gods, welke op hem afstraalt, ais toedekt. En dat mag niet, de Heere wil dat die bijzondere heerlijkheid, wan­ neer de man tot Hem nadert, onbelemmerd tot Hem weerkeert.

Intussen, zo zegt de apostel in deze verzen ook nog weer iets over de vrouw, in verband met de schepping. Van haar zegt hij immers en, dat verdient eveneens onze aandacht, dat zij is „de heerlijkheid van de man".

Paulus zegt hier niet, dat zij het beeld van de man is, doch de héérlijkheid van de man. Ook bij het gebruiken van deze uitdrukking zal hij wel gedacht hebben aan de schepping. De vrouw werd uit de man genomen. En zo zal de apostel wel bedoelen: de vrouw toont, welk een heerhjk wezen er uit de man gemaakt kon worden. En daarom is zij in zekere zin de glorie van de man.

Even laten wij dit op ons inwerken: de vrouw de heerlijkheid, de glorie, van de man. Wij weten, en wij noemden dit reeds, — in het leven ligt het zó, dat vele vrouwen daarin zelfstandig blijven en een zelfstandige positie bekleden. Doch ook daar blijft gelden, wat de apostel zegt over de verhouding tussen man en vrouw. Zo ook, dat de man het beeld en de heerhjkheid Gods is, en de vrouw de heelihjkheid van de man.

Doch wij mogen hier wel zeggen: wat geldt dit bijzonder binnen het huwelijk, van de verhouding tussen de getrouwde man en de getrouwde vrouw. Welke man weet er niet van: als daar in zijn huwelijk en gezin de vrouw is en zij haar vrouwelijke eigenschappen ten toon spreidt, vooral als zij daarbij een vrouw is, die de Heere vreest, — als zij met haar liefde en zorg hem en de anderen omringt, met haar vrouwelijke intuïtie de dingen vaak juist aanvoelt en in moeilijkheden de juiste weg wijst, geldt dan niet, dat zij is de heerlijkheid van de man? De Spreu­kenschrijver spreekt van de kroon van haar heer. 't Klinkt ons wat ouderwets in de oren. Maar is de schone zaak, waar het hier om gaat, ook nog maar iets verouderd? De vrouw, die in deze zin mag bezig zijn en zich geven, is het meest in de lijn van de scheppingsorde Gods. En komt zij daarin niet het schoonst tot ontplooiing, vindt zij daarin voor zichzelf niet de diepste bevrediging? En mag zij daarin vaak niet het meest tot zegen zijn?

En weer is het ons duidehjk: als de apostel in dit hoofdstuk wijst op de positie van de man en van de vrouw, dan moeten wij hier zeker niet denken aan iets minderwaardigs, als het gaat om de positie van de vrouw. Wie kan juist zo tot zegen zijn, als de vrouw, die haar plaats verstaat?

Tenslotte laat Paulus in deze verzen nog volgen: „Want de man is uit de vrouw niet, maar de vrouw is uit de man. Want ook de man is niet geschapen om de vrouw, maar de vrouw om de man". 't Is duidehjk, dat de apostel hier nog verder denkt aan de schepping. Stellig wil hij in deze verzen nog nader zeggen, waarom daar die gezagsverhouding is en de man het beeld en de heerhjkheid Gods en de vrouw de heerlijkheid van de man is. God heeft het zo gewild en die wil heeft Hij ook duidelijk gemaakt in de wijze waarop en in de volgorde waarin Hij de man en de vrouw geschapen heeft.

Wij weten, wat de Schrift ons in Genesis 2 vermeldt. De Heere het een diepe slaap over Adam komen, en uit één van de ribben van Adam bouwde Hij de vrouw. Hij „nam" de vrouw uit de man. Dit was zó waar en ook voor Adam zó duidelijk, dat hij bij het eerste zien van de vrouw uitriep: „Deze is ditmaal been van mijn benen en vlees van mijn vlees". Ja, toen Adam ook op dat moment de vrouw een naam gaf, was het een naam, waarin dit duidelijk doorklonk: „Manninne".

Bij de schepping had de man dus de voorrang. En was dat voor niets? Of moest ook daarin niet uitkomen zijn bijzondere positie, dat hij het hoofd der vrouw zou zijn, hij het beeld en de heerlijkheid Gods en zij de heerlijkheid van de man?

En moest nog niet iets anders bij de schepping dit onderstrepen ? Paulus noemt dat eveneens. En in Genesis 2 staat het, dat de Heere zeide: „Het is niet goed, dat de mens alleen zij. Ik zal hem een hulpe maken, die als tegenover hem zij". En weer zien wij het licht vallen over die verhouding van man en vrouw. In deze woorden van God Zelf ligt toch besloten, dat de mens niet alleen kon blijven om zijn taak te vervullen. De man zou, alleen bhjvend, niet hebben kunnen komen tot volle levensontplooiing; naast hem moest de vrouw staan met haar aanleg en gaven.

Maar wéér komt ook hier uit, hoe die verhouding tussen beiden door God gewild is. Als een gezagsverhouding, waarin aan de man de prioriteit toekomt, maar nooit mag hij iets van een heerser of despoot hebben; God Zelf zeide dat de vrouw de man tot hulp zou zijn. En wat Hgt niet in dat woord besloten! Het oorspronkelijke woord voor „hulp" heeft zeker niet de denigrerende betekenis van „hulpje". Het wordt niet voor niets in Psalm 121 op God betrokken, waar de dichter zingt van het feit, dat zijn hulp is van de Heere, die hemel en aarde gemaakt heeft. Om van andere plaatsen in de Schrift maar te zwijgen!

Intussen, nog éénmaal letten wij op die uitdrukking van de apostel dat de vrouw er is om de man. Meerdere malen wezen wij er al op: wat de Heere bij de schepping instelde, wordt door de herschepping niet weer te niet gedaan, maar komt daarin juist tot volle kracht en heerhjkheid. Hier voegen wij daar nog aan toe, wat wij eveneens al tevoren noemden: wat de Heere instelde bij de schepping aangaande de verhouding tussen man en vrouw, mogen wij zien als een door Hem gewild beeld van wat in Zijn verlossingswerk zon grote rol speelt: de verhouding tussen Christus en Zijn gemeente, allen, die waarachtig in Hem geloven. Hij is hun Hoofd, zij zijn aan Hem onderworpen door Zijn Woord en Geest, zij hangen Hem aan met een liefde, weUce in dit leven nog zo vaak bestreden wordt en ten dele is, maar toch uit God is. Wat heeft Hij Zich voor Zijn gemeente gegeven! Om aan het recht van Zijn Vader te voldoen en om het offer der verzoening tot stand te brengen, om haar als Zijn bruid te verwerven, heeft Hij Zich diep vernederd, is Hij ook één vlees met haar geworden en in alles haar gelijk, uitgenomen de zonde. Doch, terwijl Hij Zich zo heeft gegeven voor de eer van Zijn Vader en voor haar verlossing en zaligheid, is zij er nu óm Hem. Ach neen, niet in déze zin, dat zij iets Hem zou kunnen aandragen, dat als hulp in Zijn werk zou kunnen gelden. Hij heeft alles volbracht en volbrengt het nog alles, als het gaat om dat grote werk der verlossing. Wat zij kan, uit zichzelf, is het zich onwaardig maken en het in de weg staan! Alleen door de vernieuwende, wederbarende werking van Zijn Geest en Woord komt dit anders te liggen in haar leven. Echter, dan geldt het toch ook weer voluit, dat Zijn gemeente, allen, die waarachtig door het geloof met Hem verbonden zijn, tot Zijn eer en zo tot eer van God Drieënig leren leven.

In déze diepe zin is de gemeente, de bruid, er óm haar Hoofd, de Man, en is zij de héérhjkheid van haar Man.

Zo maakt het Woord ons de dingen doorzichtig, ook de scheppingsinzettingen Gods. En opent het wijde perspectieven. Met te dieper ontzag en te inniger vreugde zullen wij dan ook die inzettingen Gods te eerbiedigen hebben, eveneens die verhouding tussen man en vrouw!

Interessant is vérder, wat Paulus in 't geheel van zijn betoog zegt in vers 10. Daarover echter de volgende keer.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 april 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Uit het Nieuwe Testament

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 april 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's