De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KRONIEK

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KRONIEK

11 minuten leestijd

Palmzondag en Paastraditie — De eenheid der gemeente — Uit het journaal van Tineke — Van de oerchristelijke zin van de dienst der verzoening — Pasen en heerlijkheid.

Palmzondag — „Palmpasen" wordt hij in het Oosten des lands ook wel genoemd — is in vele hervormde gemeenten „belijdeniszondag". Dan doen de catechisanten - meest jongeren, doch ook wel ouderen - die zich gaven voor het volgen der belijdeniscatechisatie, in het midden der gemeente voor God en de mensen belijdenis des geloofs. Palmzondag is daarvoor wel gepast. Men zou hem de „Koningszondag" kunnen noemen. Hij is immers de zondag, waarop de Heere Jezus Zijn intocht deed in Jeruzalem. Die openbare belijdenis op de „intochtszondag" is traditie geworden, een traditie, welke we mogen in ere houden. Want het is hartverheffend als „nieuwe" leden zich voegen bij de ouderen en met hen zich leren geven voor de zaak van God en Zijn Christus, met in het hart onder de drijving des Geestes, de belofte :

„Ik zal, o Heer, Dien ik mijn Koning noem, Den luister van Uw majesteit en roem Verbreiden, en Uw wonderlijke daan Met diep ontzag aandachtig gadeslaan". (Psalm 145 : 2).

In de oud-christelijke — misschien is het juister hier het woord „vroeg-christelijk" te bezigen — was het de gewoonte, dat de catechumenen, degenen, die wat wij de „belijdenis-catechisatie" plegen te noemen, hadden gevolgd, op Paaszondagmorgen voor God en de gemeente belijdenis des geloofs aflegden. Ook dat was een treffend gebruik, lange tijd in ere gebleven. Doch niet minder treffend was de begroeting der gemeente van haar nieuwe leden. Dezen toch werd toegeroepen: „Welkom in de strijd". Een rijke gelukwens van de gemeente, verblijd, dat zij nieuwe, jonge krachten kreeg ter vervulling van Ie­dige plaatsen en ter versterking van haar gelederen in de strijd tegen haar doodvijanden, de strijd, die ze voerde onder de leiding van haar opgestane Koning. Beseft de gemeente van thans, dat het gaat om dezelfde strijd voor en met haar Koning ?

„Welkom in de strijd" Is het wel gepast, nu nog van deze begroeting te reppen ? Als ik zie op Gods zaak in de huidige situatie, zeg ik volmondig „ja". Maar als ik lees wat „Hervormd Nederland" d.d. 9-4-'60 zo al van belijdenis doen schrijft, en mij daaraan zou conformeren, zou het „neen" moeten zijn. In bedoeld nummer van het „Gezinsblad" treft men eerst een stuk aan van H. Bartels, getiteld: „De eenheid van de gemeente". Hij kan aangemerkt worden als een invloedrijk leider in de Hervormde Jeugdbeweging. In het bedoelde stuk lees ik o.m.: „Wij moeten over de richtingsverschillen heen; we mogen eenvoudig deze ergerlijke opsplitsingen van de ene hervormde kerk niet verdragen. Zodra men ergens een richting te belangrijk gaat maken — en dat gebeurt practisch altijd waar men haar gaat organiseren - moeten we haar te lijf. Want we kunnen onze eis tot oecumenische eenheid niet geloofwaardig maken, als we daarmee niet in ons eigen kerkelijk huis beginnen. We zijn hierin al veel verder dan vroeger, gelukkig; wie hierin mee gaat helpen, helpt dus mee aan een stuk vernieuwing der gemeente, waar beweging en mogelijkheid in zit. Het moet geduldig, maar tegelijk doelbewust. En dan kan het ook".

Hier is dus wel nog iets van een oproep tot strijd. Een wekroep om het „organiseren" van een richting „te lijf te gaan". Maar dat het in de strijd van de gemeente Gods gaat om Christus, „de Kruis-Koning", en dat de echte een held alleen geboren wordt onder het Kruis, in gemeenschap des geloofs met Christus, daarvan geen woord. En gezien het ideaal, de oecumene te helpen bevorderen, had er minstens wel iets van oecumenische binding aan de vroegchristelijke gemeente en haar „welkom in de strijd" mogen vermeld zijn.

Een enigszins ander geluid valt te beluisteren uit „Het journaal van Tineke", een rubriek, welke op gezette tijden in het „Gezinsblad" verschijnt. Zij schrijft nu over haar „belijdenis", waarin wij het volgende aantreffen :

„Op Palmzondag hoop ik belijdenis te doen. Onze dominee heeft het er nauwelijks over. Hij zit op catechisatie geen moment over de aanneming als over een examen te praten. En we hoeven ook niets te leren „Onze dominee zegt alleen : wie wil er graag aan het Avondmaal deelnemen ? Nou, dat wil ik. En dan is het goed. Ik krijg hoe langer hoe meer de indruk, dat hij onze doop belangrijker vindt dan onze behjdenis. De kerk rust in enen dope en niet in de vrome beslissing en de hoeveelheid kennis van haar leden, zegt hij.

Op school is er een meisje, dat ook belijdenis doet in de doopsgezinde kerk. Nu moet ze haar dominee in een briefje schrijven, wat ze gelooft. Stel je voor, dat ik dat moest doen, wat zou ik dan schrijven ? Vader vindt 't onzin. „De kerk belijdt en wij belijden samen met de kerk. Als je zegt „De Heer is mijn Herder", zeg je dat niet, omdat je een heleboel dingen ervaren hebt (ik heb nog niet zo erg veel ervaren!), op grond waarvan je tot de overtuiging bent gekomen, dat je een schaap uit Zijn kudde bent, maar je zegt 't, omdat je tussen de schapen van Zijn kudde inloopt".

'k Geloof, dat ik 't zo goed gezegd heb. En zo is 't ook bij mij : ik wil graag bij de kerk horen, niet omdat ik zo fantastisch geloof, maar omdat ik 't er fijn vind. Ik vind 't leuk om in de commissie van ontvangst te zitten, ik vind 't fijn om naar de preek te luisteren, ik wil mijn leven aan God toevertrouwen, zelfs mijn examen. En verder nou ja, dat hoeft niet opgeschreven te worden. Daar heeft zelfs dit papier niets mee te maken. O zo".

Dit stuk is wel enigszins anders geintoneerd dan het vorige, hoewel ook dit bedoelt te dienen, wat boven beide als hoofdtitel staat: „Helpt mee aan de vernieuwing der gemeente !"

Wat mij met name in 't laatste citaat pijnlijk trof is het ontbreken van grondig onderricht op de catechisatie, m.i. wel blijkend uit de zin : „En we hoeven ook niets te leren". De vraag : „Wie wil er graag aan het Avondmaal deelnemen? " schijnt voldoende motief tot „aanneming". Nu ben ik beslist tegen scheiding van „Belijdenis-doen" en H. Avondmaal. Wij mogen niet vaneen rukken, wat m.i. naar de Schrift bijeenhoort en in de Reformatie alzo is gezien en geleerd. Men leze slechts het opschrift van het „Kort Begrip". Doch men kan niet maar zó aan de Heilige Dis aangaan. Aan de belijdenis-catechisanten moet dit dubbele trouw worden voorgehouden. Zij moeten kermen van de spanning, welke er dient te zijn tussen plicht, en behoefte. Het kan zijn dat de dominé van „Tineke" dit zijn leerlingen heeft voorgehouden. Ik hoop het.

Zijn wij in een en ander trouw ? Zeker, op de „belijdenis-catechisatie" moet onder ons nog geleerd worden. „Gebod, geloof en gebed", de Trits, vanouds voorgeschreven, zal nog wel gehonoreerd worden. En wellicht ook meer dan dit minimum. Op de „belijdeniscatechisatie" zijn de predikanten gemeenlijk strenger dan op de overige, waar de weg van de minste weerstand door catecheten en catechisanten ontstellend veelvuldig bewandeld wordt. Maar wordt met de belijdenis-catechisanten ook wel het Avondmaalsformulier, gecombineerd met het Doopformulier, besproken ? Het is zo gepast en geëigend om te leren kennen „het onderscheiden van het lichaam des Heeren". (1 Kor. 11). Ik kan het alle pastores aanbevelen.

Ja, er moet kennis zijn. Alleen maar, ook de catechisatie moet onder Gods zegen een middel zijn tot dat kennen, dat „het eeuwige leven" is (Joh. 17). Rijk als de Heere die zegen geeft om dan bij „de kelk des heils Zijn naam te vermelden". Wanneer het catechetisch onderwijs zo mag gegeven en ontvangen worden, komt er besef van „de strijd", waai-op het „welkom" van de vroegchristelijke gemeente doelde. Die strijd is er nog. Er is onderscheid — ik ben het met ds. L. Kievit in dezen volkomen eens — tussen „kerkstrijd" en „strijdende kerk". Doch Gods gemeente is en blijft hier in het strijdperk. En het is goed, dit onze jonge leden te doen verstaan, opdat zij de schone strijd des geloofs mogen leren kennen door het onderricht in „de geestelijke wapenhandel".

De Synode onzer kerk heeft onlangs — het was nadat het verzet der Bantoes in Zuid-Afrika tegen de „apartheidspolitiek" zoveel leed had veroorzaakt — een schrijven gericht „tot de refonnatorische kerken van de Unie in Zuid- Afrika, waarmede zij in contact staat. Zij meende niet beter te kunnen doen, dan door, in de oer-christelijke zin, tot deze kerken over de(ze) dienst der verzoening te spreken". Dit citaat is uit een stuk, gesigneerd met F. H. L., dat voorkomt in „Herv. Nederland" d.d. 9-4-'60.

De opzet van het artikel was niet de bovenaangeduide brief. Het gedeelte van het artikel — dit gedeelte draagt het opschrift: „Verzoening noodzakelijk" — waaruit ik het citaat overnam, was om zo te zeggen, terloops.

Het is het goed recht van de Synode aan de kerken van Zuid-Afrika haar zienswijze te schrijven. Men kan het zien als een stukje dienst aan de naaste. Doch er is ook nog een dienst aan de kerk zelve, die evenzeer van de Synode gevraagd wordt. Zij heeft in haar schrij­ven, boven genoemd, gesproken van „de oer-christelijke zin van deze dienst der verzoening". Zo heeft F. H. L. het gezegd. Ik ben dankbaar voor de verwijzing naar de „oer-christelijke zin". Doch ... dan is daar altijd nog de loochening van „die oer-ohristelijke zin" van de verzoening door prof. Smits, die door de kerk de rechten van emerituspredikant ontving en deze nog steeds kan uitoefenen. En wat dit betreft, blijft het in de hoge kerkelijke regionen zo beklemmend stil. Gelukkig in de kerk niet! Er is de laatste tijd geen nr. van het Hervormd Weekblad „De Gereformeerde Kerk", of er staat iets in over deze ergernis. Ik hoop dat vele kerkeraden adhaesie zullen betuigen aan het bewogen schrijven van de hervormde kerkeraad van Amsterdam-Watergraafsmeer, of zelf een protestbrief zullen concepiëren en verzenden. De komende classis-vergaderingen zullen, naar ik hoop, zich ook "niet afzijdig houden. Ik woonde als gast een ringvergadering bij, kort geleden, waar unaniem tot adhaesie aan Watergraafsmeer werd besloten, en het was heus geen ring, waar alleen „Bonders" waren. Zij vormden een kleine minderheid. Doch in dezen was men één. Ik vermeld het met blijdschap. Doch zal de Synode naar de „oer-christelijke zin" van de verzoening handelen ? We zullen moeten afwachten, wellicht tot de zomerzitting der Synode, 't Zij zo. God geve, dat ze dan de moed tot gehoorzaamheid hebbe, gelijk ze het haar plicht zag te schrijven aan de kerken, de reformatorische kerken van de Unie van Zuid-Afrika.

„Koningszondag" noemde ik de Palmzondag. Misschien voelt men meer voor de benaming „Intochtszondag". Dat is minder. Ik hang niet aan een woord. Het ging die eerste dag der week om de Koningstocht van de Heere Jezus in Jeruzalem, de vervulling van Zacharias' profetie: „Zie uw Koning zal tot u komen, rechtvaardig en Hij is een Heiland, arm, en rijdende op een ezel, een veulen, een jong der ezelinnen" (9:9). Was daar Koningsheerlijkheid? Er was een juichend volk, maar een wenende Koniiig. Palmzondag was de aanvang van de smarteweg Christi, welke uitliep op het Kruis. Ja, het ging met de Heere Jezus naar het Kruis, doch door het Kruis tot de heerlijkheid. Daarvan is de Paasmorgen de bezegeling.

Op Pasen triomfeert Christus in mystery. Dan verschijnt Hij als de met ere gekroonde. Is er dan een juichend volk? Ach neen. Doch Hij vervult aan de Zijnen:

„Gij hebt Mijn weeklacht en geschrei. Veranderd in een blijde rei'.

Zo gaat het naar de grote dag, waarin vervuld zal zijn, wat Paulus in Efeze 1 noemt: „om in de bedeling van de volheid der tijden wederom alles tot één te vergaderen in Christus, beide dat in de hemel en op de aarde is" (1 : 10). Dan is er de rijkste openbaring van Christus' heerlijkheid en van eenheid en gemeenschap met onze Paasvorst, een eenheid hier in het geloof genoten door allen, voor wie Pasen was en is, de bezegeling van het „ene plante met Hem zijn in de gelijkmaking Zijner opstanding".

Hebben wij zo ons Pasen gehad, de voorbije gedenkdagen? Dan was het om te kennen: „Welke Hem opgewekt heeft uit de doden en heerlijkheid gegeven heeft, opdat uw geloof en hoop op God zijn zou" (1 Petrus 1 : 20). Dat bekrachtigt tot de strijd van elke dag, de strijd voor Gods zaak.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 april 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

KRONIEK

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 april 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's