De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Liefdesgericht

8 minuten leestijd

Simon, zoon van Jonas hebt gij Mij lief? Johannes 31 : 15, 16, 17

Tot driemaal toe vraagt de opgestane Christus aan Petrus of hij Hem liefheeft. Waarom: driemaal?

Als antwoord op deze vraag hoor je meestal, dat Jezus dat deed omdat Hij nu wilde weten of het wel echt was toen Petrus in de voorafgaande geschiedenis, horend dat het Jezus was die op de oever stond, ogenblikkelijk van boord sprong en naar Hem toezwom.

Ook wordt de driemalige vraag van Jezus naar de liefde van Petrus wel in verband gebracht met zijn driemalige verloochening.

Maar ik geloof dat we een heel eind terug moeten bladeren in het levensboek van Petrus.

We moeten terug naar de beide namen die hij droeg: Simon, zoon van Jonas en Petrus. In die twee namen ligt de spanning in zijn leven.

Simon is zijn geboortenaam. Simon dat is de warmbloedige, de hartstochtelijke die het hart op de tong draagt en voortdurend van het ene uiterste in het andere valt.

Petrus echter is de naam die hij ontvangt bij zijn belijdenis, waar Jezus er hem aan herinnert dat die belijdenis niet van zijn vlees en bloed is maar van de Vader die in de hemel is.

De tragiek van zijn leven was dat er telkens een conflict was tussen Simon en Petrus. Zo erg zelfs dat Simon het telkens wint van Petrus.

Er zijn drie geschiedenissen in zijn leven, die ons dat duidelijk doen zien.

Allereerst de storm op zee, als er opeens een gedaante wordt gezien met een wapperend kleed op de golven. Ze schreeuwen: een spook, een spook. Jezus stelt hen gerust; Ik ben het. Petrus springt over boord, wandelt over de zee, maar ineens flitst het door hem heen: wat doe ik eigenlijk? Hij ziet de golven, wordt bang en begint te zinken: Heere behoud mij. Hier heb je Petrus dus, onmiddellijk gevolgd door Simon.

De tweede geschiedenis is de belijdenis bij Caesarea Filippi: op deze Petra zal Ik mijn gemeente bouwen, zegt Jezus. Maar als Hij dadelijk daarop gaat vertellen van Zijn lijden en sterven zegt diezelfde Petrus; dat hij dat niet wil. Zo is hij weer de Simon, de man van vlees en bloed.

De derde geschiedenis is dat hij eerst zegt: al zal ik met U moeten sterven, ik zal altijd mijn geloof in U belijden, en een moment later zegt hij drie keer: ik ken Die mens niet.

Ondertussen is het Goede Vrijdag en Pasen geworden en weer toont hij aan de zee van Tiberias zijn onstuimig karakter. Wie springt daar over boord? Is het Simon of heeft Petrus het nu gewonnen? Nu gaat Jezus in het hart van Simon Petrus graven.

Jezus vraagt niet of er geloof is, ook niet hoe het staat met zijn kennis van de opgestane Christus, ook niet over de daden die hij zou kunnen of willen doen voor de uitbreiding van Zijn Koninkrijk. Maar de vraag is: Hoe staat het met je hefde, Simon? Dus weer die oude bloednaam.

Jezus is de liefde van je hele hart waard. Hij heeft alles voor je over gehad, denk aan Zijn lijden en sterven en aan het vreselijke kruis.

Hoe staat het met je liefde tegenover deze Jezus?

Onze liefde kan alleen maar de zwakke echo zijn van Zijn liefde.

Johannes zegt: Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst heeft lief gehad. Het kan er alleen maar zijn als ze door de Heilige Geest in ons hart is gewerkt.

Maar het zal er moeten zijn, wil het iets met ons zijn. Want al ware het dat ik de talen der mensen sprak, al ware het dat ik alles overgaf aan de armen, al ware het dat ik mijn lichaam voor Jezus overgaf om verbrand te worden en al ware het dat ik het geloof had om over zeeën te wandelen en bergen te verzetten en ik had de liefde niet, zo ware ik niets.

Alleen waar liefde woont gebiedt de Heere Zijn zegen;

Daar woont Hijzelf en wordt Zijn heil verkregen.

En het leven tot in eeuwigheid.

Hebt gij mij lief. Dat is de zwaarste vraag die Jezus ons stellen kan.

Hij vraagt dan naar ons hart. En als Hij ons hart heeft, heeft Hij alles: het denken van ons hoofd, de gehoorzaamheid van onze wil, het woord van onze mond, de wandel van onze voet: uit het hart zijn de uitgangen des levens.

Liefhebben is leven en sterven tegelijk. Sterven aan eigen wil om voor een ander te leven, jezelf op zij zetten. Dan gaat het om de ander: liefde tot God en liefde tot de naaste.

Hebt gij Mij lief? Dat is een ontdekkende vraag voor Petrus en voor ons allen. Want als het goed is doemt het verleden voor je op met zoveel dat je aanklaagt van je egoïsme en zelfzucht, het ging je altijd om jezelf.

Het persoonlijk voornaamwoord moet wel een sterke klemtoon krijgen: Hebt gij Mij lief? Gij, die meer dan eens uw Heiland hebt verloochend; gij die lang niet los van u zelf en van de wereld zijt; gij die nooit 's avonds uw knieën kunt buigen zonder dat ge u moet beschuldigen, dat je toen en toen schandelijk je Heiland hebt vergeten. Hebt gij Mij lief?

Uit het antwoord dat Petrus geeft blijkt wel dat hij zijn vroegere ingenomenheid met zichzelf kwijt is.

Jezus vraagt eerst: heb je Mij meer Hef dan deze discipelen die Mij ook liefhebben? Vroeger vergeleek Petrus zichzelf ook altijd met de anderen: zij verlaten u wel, maar ik laat u nooit in de steek.

Nu durft hij het niet aan om zich met de anderen te vergelijken. Bescheiden is zijn antwoord: Ja Heere, gij weet, dat ik U liefheb.

Er is een diepe val voor nodig geweest om Petrus dat te leren. Jezus begrijpt de ootmoed van Petrus en daarom is het in de beide volgende vragen aUeen maar: Hebt gij Mij lief?

De grote Simon is een kleine Petrus geworden. Dat blijkt ook uit zijn antwoorden. Jezus vraagt naar bewuste liefde, een liefde die sterker is dan de dood. Daar durft Petrus geen ja op te zeggen. Hij mag ook niet nee zeggen, daarom zegt hij: Gij weet, Heere, dat ik (een beetje) van U houd. Hij is geschrokken van zijn vroegere sterke woorden. Het maximum aan liefde waarnaar Jezus vraagt is er niet maar het minimum is er wel: ik houd van U.

Daar staat hij ook sterk in, want de tweede keer geeft hij hetzelfde antwoord. Maar als Jezus de derde maal de vraag stelt, dan gebruikt Hij ook dat zwakkere woord: is het wel waar, houd je werkelijk van Me?

Dan wordt Petrus bedroefd, omdat Jezus zelfs aan die minimale liefde twijfelt, ofschoon hij het in het verleden er wel naar gemaakt heeft.

Dan doet hij een beroep op des Heeren alwetendheid: Gij weet alle dingen. Gij weet toch ook wel, dat ik echt van U houd.

Zo laat Petrus aan Jezus de binnenkant van zijn leven zien. Het komt er niet op aan wat we voor het oor van de mensen zeggen of zingen, maar wat wij voor de rechterstoel voor het alziend oog des Heeren beHjden: Gij weet alle dingen. Gij weet, dat ik van U houd.

Gij, die de harten kent en doorgrondt; Gij die niet alleen mijn woorden hoort, maar ook mijn verborgen gedachten kent.

Een dominee was op huisbezoek bij een boerenjongen, die erg verdrietig was. Gevraagd naar de reden van zijn droefheid haalde de jongen een papier uit zijn zak en liet lezen dat er op stond: ongeschikt voor de dienst. „Ze hebben me ongeschikt verklaard" jammerde hij.

In het leven van Petrus was er ook een dag dat op een bladzijde in zijn levensboek werd geschreven: ongeschikt om dienst te doen in het leger van de Koning. Petrus heeft ook gehuild.

Maar nu is er weer een dag en de Heere streept drie keer het stempel van ongeschikt door en schrijft driemaal: geschikt, geschikt, geschikt.

Weid Mijn lammeren, hoed Mijn schapen, weid Mijn schapen.

Hoe komt dat zo ineens? Heeft Petrus zich geoefend, zodat hij bij deze herkeuring geschikt wordt verklaard?

Neen, Petrus heeft alleen maar geweend en Jezus heeft Hem in zijn verdriet gezien en voor hem gebeden. Hij zoekt hem nu op in Zijn grote herderstrouw. Hij ontfermt Zich over zijn schaap.

Nu hij zichzelf als een verloren schaap heeft leren kennen, wordt hij op zijn drievoudig ja als herder van de kudde aangesteld.

We zullen moeten zeggen: wie ben ik en wat ben ik?

Maar voor Gods kerk blijft het:

Welzalig die Gij hebt verkoren.

Iemand heeft gedicht:

Als ik afdwaal van uw weg

slechte dingen doe of zeg

laat dan, als 'k uw hulp ontbeer

ernstig steeds beseffen. Heer

't dwaze lam gelijkt op mij

maar die Herder dat zijt Gij.

Mochten vele lezers zich maar als een verloren schaap leren kennen, maar ook hun liefde voor de opgestane Christus belijden, omdat Hij hen onmiskenbaar en dierbaar en noodzakelijk werd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 april 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 april 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's