UIT DE PERS
De kerkelijke pers heeft einge aandacht besteed aan de figuur van Isaac Da Costa, de bekeerde Portugese Jood, die honderd jaar geleden gestorven is. Omdat in dit blad geen eigen artikel verschenen is over deze merkwaardige réveil-man, willen wij hier enige citaten overnemen uit wat in andere bladen over hem geschreven is.
Allereerst dan iets van de hand van dr. G. Th. Scheers uit „Hervormd Nederland".
Wanneer we zijn jaartallen van achteren naar voren lezen, krijgen we het volgende beeld. Hij stierf de 28e april 1860 in de nacht van zaterdag op zondag, op de grens van de joodse en de christelijke dag des Heren. In 1822 was hij, samen met zijn vrouw Nancy (Hanna Belmonte) en zijn volksgenoot Abraham Capadose gedoopt in de Pieterskerk te Leiden door ds. Lucas Egeling. Da Costa was toen 24 jaar, hij is namelijk geboren in 1798.
Dr. Scheers kwalificeert Da Costa als een soort lekeprediker.
Toen Isaac da Costa als pas-gedoopte zijn stem liet horen was dat geluid nog meer conservatief dan bijbels. De „Bezwaren tegen de geest der eeuw" (1823) waren een eruptie van toorn tegen de protserige verering van de vooruitgang, zo'als die op de Coster-feesten te Haarlem (herdenking van de uitvinding van de boekdrukkunst) had gedomineerd. Dit geschrift — voor velen het enige van Da Costa, dat ze bij name kennen —is beslist niet representatief voor de christen Da Costa. Hij heeft er zich de verguizing van vele tijdgenoten door op de hals gehaald, maar de positieve invloed, die er van hem uitgegaan is, is toch veel meer te danken aan wat we zijn leken-apostolaat zouden kunnen noemen.
Elke zondagavond-—schrijft Allard Pierson in zijn altijd weer boeiende meesterwerk over het Réveil: „Oudere Tijdgenoten" — was Da Costa gewoon, zijn huis op de Rozengracht (dat zelfs een poos door de politie in het oog gehouden werd om te zien, wie er binnengingen!) open te stellen voor belangstellenden, die hij dan voorging in bijbellezing en gebed. Jaren achtereen kwamen hier wekelijks allerlei mensen; niet alleen, zoals op vele andere bijeenkomsten van de Réveilkringen, aanzienlijken, maar evengoed zeer eenvoudigen. Ze zaten in de huiskamer en de zijkamer. Soms waren er moeders bij met kinderen op de schoot. Op de eerste rij zat mevrouw Da Costa met naast zich de blinde mevrouw Schimsheimer; zij gaven de toon aan bij het lied, dat aan 't begin en aan 't eind gezongen werd.
Da Costa, die vaak leed onder z'n eigen zwaarmoedigheid, leefde op deze zondagavonden op. Hij sprak dan met grote eenvoud en warmte, zodat juist de „kleinen" en „eenvoudigen" beseften: „hier is koestering, hier is schaduw, hier zijn vleugelen, die mij dragen, hier ben ik dichter bij God" (Pierson).
Dr. Scheers wijst op Da Costa's bijbelverklaringen. Daarin domineert het stichtehjke, toepasselijke, „gemoedelijke" element, wat men in die tijd juist miste in de vaak min of meer rationalistische officiële prediking der kerk.
De bijbellezingen zijn stichtelijk, al ontbreekt de polemische toon niet. Waar die hoorbaar wordt, is zij altijd gericht tegen wat voor hem zonder meer „het ongeloof" was. „Er is voor een oprecht man geen onuitstaanbaarder volk dan de ongelovigen", zegt hij ergens. Hierbij ging het hem niet om eigen gelijk, zegt Pierson nadrukkelijk, maar om de waariheid Gods. „De natuurlijke hartstochtelijkheid van zijn karakter werd versterkt door zijn.... geloof".
Da Costa was ook een man, die vurig het komende koninkrijk Gods verwachtte. Het „Kom, Heere Jezus, ja, kom haastiglijk", was het gebed van zijn hart.
Nu iets uit het artikel van ds. Groenewoud in het „Hervormd Weekblad — De Gereformeerde Kerk". Deze scribent wijst enerzijds op het sterk verouderde van Da Costa's stijl als dichter. Veel van hetgeen Da Costa schreef, is niet actueel meer. Anderzijds verdient toch Da Costa onze eerbiedige nagedachtenis, omdat hij een van de grote figuren uit de kring van het Réveil was.
Niet ten onrechte heeft men hem „de held van het Réveil" genoemd. Als een echt heroïsche figuur heeft hij niet alleen de strijd aangebonden tegen de geest zijner eeuw in het algemeen (en dat was toen in ons vrije Nederland een daad van grote moed!), maar ook telkens weer de degens gekruist met de theologie zijner dagen, en met name de Schriftkritiek bestreden.
Da Costa was gepromoveerd in de rechten en in de letteren; als theoloog was hij dilettant. Daarom was er moed voor nodig, het op te nemen tegen de hoogleraren in de theologie die aan de universiteiten hun onderwijs gaven. Da Costa heeft dit waagstuk ondernomen. Hij achtte er zich als christen toe geroepen. Zijn strijd was een ware getuigenisstrijd.
Meen echter niet dat hij dilettant in de slechte zin was. Da Costa, de bekeerde Jood, was ook lid der christelijke kerk. En als zodanig verstond hij de roeping, de Schrift te bestuderen, en zich in de theologie te verdiepen. Niet voor niets was hij leerling van Bilderdijk, en niet ten onrechte noemde iemand hem eens: die grote Nederlandse theoloog. Het ware te wensen, dat het kerkvolk in al z'n geledingen in onze tijd deze roeping, de Schrift te bestuderen, en te getuigen evenzeer verstond en naleefde lals Da Oosta. Het zou de ontwikkeling van het kerkelijk leven ten goede komen.
Bekend is het verschil in visie op de functionnering van de belijdenis tussen Da Costa en Groen van Prinsterer. De laatste legde de nadruk op het juridisch karakter van de behjdenis, pleitte dus ook voor juridische leertucht, terwijl Da Costa veel meer de medische weg zocht. Hij verdedigde de ontwikkeling der belijdenis aan de hand van nieuw Schriftonderzoek.
Rudolf van Reest in „De Reformatie" vertelt van de tegenwerking en de smaad, die Da Costa in zijn leven heeft moeten ondervinden vanwege zijn belijden van Christus in positieve zin. Daarom mocht hij geen professor worden.
Voor Bilderdijk is er nooit een professoraat beschikbaar geweest. Da Costa kreeg er evenmin een, ofschoon hij wat wetenschap en geschiktheid voor dit ambt betreft, ver boven menig hoogleraar uitstak. Toen in 1844 zijn leermeester prof. D. J. van Lennep en mr. M. C. van Hall hun best deden Da Costa tot professor benoemd te krijgen, kon dat in de gemeenteraad van Amsterdam geen goed onthaal vinden. Een naamloos geschrift was aan de Raad verzonden, waarin op het „gevaarlijke" van de richting van deze drijver werd gewezen. Deze circulaire werd nota bene nog gedrukt en uitgegeven ook. Het volgende citaat is aan dit naamloze ding ontleend:
„De hand des Hoogleeraars regelt niet alleen den loop der wetenschap, maar ook de vorming en ontwikkeling van hen, die eenmaal zullen worden geroepen Kerk en Staat te helpen besturen.
Van de omvang en deugdelijkheid zijner kennis, maar vooral van de leer die hij zijne jongeren verkondigt, en de beginselen, die hij hen inprent, hangt het grootendeels af, of zij later der wetenschap tot eere, het Vaderland ten vloek of zegen zullen zijn".
Verder betoogde deze anonymus, dat het beginsel van Da Costa gevaarlijk was voor de studenten, want hij zou een school kweken en deze zou tot een „partij" uitgroeien. „God verhoede zoodanige uitkomst en schenke wijsheid aan hen, die in deze te beslissen hebben".
Het klinkt allemaal nog vroom ook.
Er kwam ook nog een „contra-adres" van D. J. van Lennep, vader van de bekende auteur Jacob van Lennep, zelf professor aan hetzelfde Athenaeum, waar de vacature was. Maar ook dit warm pleidooi moaht niet baten. Da Costa werd niet benoemd en B. en W. deden zelfs geen voorstel in deze geest in de Raad.
Op welk een waardige, waarlijk christelijke wijze, Da Costa dit passeren van zijn persoon gedragen heeft, kunnen wij aflezen uit de briefwisseling, die Groen van Prinsterer in 1872, dus twaalf jaar na het verscheiden van Da Costa, gepubliceerd heeft.
Da Costa schrijft aan Groen van Prinsterer, dat het hem wel bekend is dat van verschillende zijden sterk geageerd wordt tegen zijn benoeming. Hij schrijft: „Doch zoals het gaat in dergelijke zaken, de vijanden zijn naar den mensch, ook buiten aanzien van hunne waarschijnlijke meerderheid, sterker dan de vrienden. Gods raad zal bestaan, en, van dien kant de zaak in hare leiding en voorbereidingen beschouwende, mag ik haar nog niet als hopeloos opgeven ..."
En even verder:
Een tijd later schrijft Da Costa aan Groen: Wat het Professoraat aangaat, daar zal, verneem ik, in den Raad nog wel van gesproken worden in den weg van opheldering vragen en geven; maar, gelijk te denken was, blijft ten mijnen opzichte de zaak in elk geval zoo goed als afgedaan. In alle geval beschouw ik die thans als zoodanig. Ik voel er zulk eene liefelijke rust bij, na de schuddingen der voorbijgegane weken. Des Heeren wil en weg bleek en zal blijken ook hier de alleen goede en zalige..."
Met deze weinige waarlijk vrome woorden is deze zaak voor Da Costa afgedaan.
Waardig heeft hij deze smaad om Christus' wil gedragen.
Van Reest eindigt zijn artikel met te wijzen op de bekende strofe uit Da Costa's laatste grote gedicht: „Slag bij Nieuwpoort":
„'t Geheim van allen zegen (Oranje en Neerland! hoort 't) Is in Gods vrees gelegen. Zijn dienst. Zijn gunst, Zijn Woord!"
en concludeert:
Dit „geheim" heeft Da Costa gekend en hij heeft zijn leven, zijn gaven en talenten in deze dienst gesteld en zo is hij tot zegen geweest voor ons volk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 april 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 april 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's