De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Maria bij Luther 6

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Maria bij Luther 6

9 minuten leestijd

Slot!

Prof. dr. H. A. van Bakel schrijft in zijn boekje „Lutherlegenden" (1946), dat Luther een afbeelding van Maria, de moeder des Heeren, in zijn studeerkamer behouden heeft, ook toen hij haar niet meer als middelares des heils kon huldigen en voor haar knielen kon (bl. 111). Er lijken mij geen redenen aanwezig om aan de historische betrouwbaarheid van deze mededeling te twijfelen. Het paste geheel bij de conservatieve aard van Luther, en ook wel bij zijn devote geest, om zoiets als een afbeelding van Maria rustig in zijn studeerkamer te laten hangen, ook al had hij met de roomse Maria-verering volledig gebroken, en daar het zijne over gezegd.

Uit deze en dergelijke dingen te concluderen, dat Luther toch nog min of meer rooms zou zijn gebleven, of althans halverwege zou zijn blijven staan, gaat evenwel beslist te ver. Realiseren we ons nog eens wat hij schreef in zijn „Magnificat", dus met betrekking tot Maria, over de ware en de valse ootmoed; hoe hij het roomse vroomheidsideaal als pure hoogmoed ontmaskerde, dan moet toch wel ieder een nawerking van de „roomse zuurdesem" bij Luther geheel van de hand wijzen.

In dit laatste artikel over ons onderwerp willen we ons er rekenschap van geven wat er nu eigenlijk in Luthers uitlatingen over Maria is veranderd. We kiezen daartoe ons uitgangspunt in een vrij recente rooms katholieke populaire dogmatiek, die ongetwijfeld bij benadering weergeeft wat er in het algemeen in de rooms katholieke kerk op dit punt geleerd wordt; we bedoelen „De kleine Triptiek" (Spectrum 1957) van dr. N. G. M. van Doornik. In zijn samenvatting van het hele werk in vragen en antwoorden, stelt Van Doornik ook een paar vragen met betrekking tot de leer van Maria. Allereerst deze: „Welke is de grote betekenis van Maria? " Het antwoord luidt: „Dat zij door vrijwillige toestemming de Verlosser ter wereld heeft gebracht". Men lette op de woorden vrijwillige toestemming! Een volgende vraag luidt: „Hoe staat de katholiek tegenover Maria? " Antwoord: „Hij ziet haar als de Moeder van Jesus en als zijn eigen moeder, die met liefde en belangstelling tracht hem tot haar Zoon te brengen door haar machtige voorspraak". In deze zin lette men vooral op de woorden machtige voorspraak. De bekende woorden uit het Evangelie: „Mij geschiede naar Uw Woord", vat Rome op als een vorm van medewerking aan de totstandkoming van het heil. Dat dat werkelijk zo is, zegt Van Doornik ergens elders in zijn boek met zoveel woorden: „Uit vrije wil stemde Maria toe in haar goddelijk moederschap en verleende zij haar medewerking om de komst van de Verlosser voor te bereiden (bl. 245)". De rooms-katholieke H. J. J. Wachter in zijn Lutherbiografie (Bussum 1917) zegt hetzelfde. Maria als de Moeder Gods heeft recht op bijzondere verering, zegt hij; ze heeft namelijk door haar vrijwilige toestemming meegewerkt aan het heil; Christus heeft nog vanaf het Kruis Zijn zegel hier op gezet, toen Hij tot Johannes, de vertegenwoordiger van het hele menselijke geslacht, zei: Zoon, zie uw Moeder!

Noch bij Van Doornik, noch bij Wachters vinden we ook maar één woord over Maria's geloof. In aansluiting aan wat we de vorige maal schreven, zouden we kunnen zeggen: Voor Rome is het allerminst ondenkbaar, dat Maria zou hebben geroemd, namelijk in haar „medewerking", in haar vrijwillige toestemming, in haar ootmoed!

Het verschil met Luther is duidelijk! In zijn „Magnificat" heeft hij zonder meer deze roem afgewezen. Omdat een ootmoed die zichzelf kent en waar de mens zich op beroemt, geen ware ootmoed is — een gezichtspunt dat we de vorige keer uitwerkten —, maar vooral ook omdat hiermee aan Gods genade te kort wordt gedaan.

Laten we Luther zelf het woord geven: „Het is beter dat men aan Maria tekort doet dan aan Gods genade; ja men kan haar beslist niet te veel tekort doen, omdat zij evenals alle schepselen uit niets geschapen is. Maar aan Gods genade doet men al gauw te veel afbreuk; dat is gevaarlijk! en men doet er Maria geen plezier mee. Het is werkelijk nodig dat men maat houdt en dat men met eretitels voor Maria niet te ver gaat en haar Koningin des hemels noemt. Want dat is ze wel, maar daarom is ze nog geen godin, zodat zij in staat zou zijn ons iets te geven of te helpen — zoals velen denken, die meer tot haar dan tot Gód roepen. Maria geeft niets. God alleen!"

Op een andere plaats: „Maria schrijft alles aan de genade van God toe en niets aan haar eigen verdienste". Zij is Gods genade niet waardig geweest. „Hoe zou een schepsel waardig zijn, moeder Gods te worden? Weliswaar praten vele schrijvers in dit verband veel over Maria's waardigheid voor zulk moederschap. Maar ik voor mij heb meer vertrouwen in haar dan in hen. Zij zegt, dat God haar „lage staat heeft aangezien" en niet dat God haar wérk bekroond heeft".

Elders: „O zalige Maagd en moeder Gods, hoe gering en veracht, ja geheel niets bent ge geweest, en hoe genadig en heerlijk heeft God u aangezien en grote dingen in u gedaan; niet een ervan bent u waardig geweest, ver boven al uw verdiensten heeft God u Zijn rijke en overvloedige genade geschonken". En dan: „Er zijn onnutte zwetsers die veel over Maria's verdiensten preken en schrijven, maar ze willen daarmee slechts hun eigen kunst laten zien en beseffen niet hoe ze daarmee het Magnificat onderdrukken en de genade Gods klein maken. Want hoe meer men aan Maria waardigheid en verdienste toekent, des te meer doet men afbreuk aan de genade Gods". „Zij die haar zoveel lof en eer opdringen zijn er niet ver vandaan om een godin (een afgod) van haar te maken, alsof het er haar om te doen is, dat men haar zou eren en van haar alle goeds verwachten! Zij wijst het juist van de hand en wenst dat God in haar geprezen wordt, en dat door haar (voorbeeld) ieder tot een oprecht vertrouwen op Gods genade wordt gebracht".

In dit verband levert Luther kritiek op de kunstschilders en de kunstenaars in het algemeen, die Maria zodanig afbeelden, dat aan haar louter schoons en verhevens valt op te merken. „Wat doen ze anders dan dat ze ons alleen voor de MOEDER Gods plaatsen en niet voor GOD zelf".

Het zal de lezers nu wel duidelijk zijn waar het de hervormer om gaat. De Maria-figuur in de H. Schrift is hem prediking van Gods genade, en voorbeeld des geloofs. Rome doet aan die genade te kort, of eigenlijk ze maakt haar teniet. Ze doet echter ook aan Maria zelf te kort. Maria heeft nooit willen wezen wat Rome van haar gemaakt heeft. Zij voerde geen pretenties, dat juist niet! Haar Magnificat, waarin zij Gods werk looft en prijst, is één protest tegen de verering die Rome haar later heeft opgedrongen.

Maria's „medewerking" valt bij Luther weg. In de plaats daarvan komt bij hem het „geloof". Doch niet als verdienste, juist als een afzien van alle verdienste. In zijn „Magnificat" is het geloof voor Luther vrijwel identiek met God-latenwerken. Hij benadrukt heel sterk Maria's passieve houding. Op de hem eigen beeldende wijze noemt hij Maria „Gods werkplaats". „Ik ben slechts de werkplaats", laat hij haar zeggen, „waarin God werkt, maar aan het werk zelf heb ik niets gedaan; daarom moet niemand mij prijzen of eer toebrengen, omdat ik moeder Gods ben geworden; maar God en Zijn werk moet men in mij loven en prijzen". Een ander beeld dat Luther voor Maria gebruikt, is dat van een herberg, Maria is „Gods vrolijke herberg" — dat was haar geloof! Toen de grote Gast zich aandiende heeft ze Hem met blijdschap ontvangen, ze was zich namelijk bewust geheel ledig te zijn, alles te missen.

Hier hebben we de Reformatie ten voeten uit!

Men kent deze niet als men denkt dat zij een strijd is geweest over allerlei uiterlijke dingen. Luther zou de Mariaverering niet zo fel hebben afgewezen als ze niet een inbreuk was geweest op de lof van Gods genade alleen, als ze niet een „uitplukken van de veren van Christus" — zoals hij het later zegt — was geweest. Luthers geestelijke ontwikkeling, die hem radikaal deed breken met de roomse goede werken- en verdiensteleer kon uiteraard niet zonder betekenis blijven voor zijn houding tegenover Maria en zijn prediking over haar.

In zijn „Magnificat" is Luther hierin tot rijpheid gekomen, hij is dan op dit punt „klaar". Zijn standpunt bleef vanaf nu ongewijzigd.

Dat betekent echter niet, dat er op geen enkel onderdeel van Luthers prediking over Maria onklaarheden vallen te bespeuren. We denken speciaal aan Luthers gedachte over Maria's zondeloosheid. Reeds in een vorig artikel zeiden we, dat het na zijn „Magnificat" (1521) nog enkele jaren duurde voor hij de roomse leer van Maria's Onbevlekte Ontvangenis geheel losliet. Maar goed, in ieder geval rond 1529 breekt Luther ook daar definitief mee. Een andere zaak is echter, dat hij toch — ook nadien — bleef volhouden, dat Maria zonder zonde is geweest. Hoe kras hij zich ook uitlaat over Maria's geringheid, lage staat, en hoezeer hij ook Gods genade in haar prijst, hij noemt haar geen zondares. Laat ze het van nature geweest zijn, dank zij Gods genade was ze het niet. Reeds vanaf haar geboorte, zo leerde Luther is ze vervuld („volgegoten") geweest van de H. Geest. „Ze was gedu-rende heel haar leven zonder zonde" — daar laat Luther dan echter onmiddellijk op volgen: „maar niet hij is zonder zonde, die geen zonde doet, maar aan wie God geen zonde toerekent" (een preek uit 1533). Maria was dus niet zonder zonde van nature, maar door Gods genadige toerekening. Dat ze dan ook gewoon zondares is geweest — deze conclusie trekt Luther niet. Vandaar dat we op dit punt bij hem kunnen spreken van onklaarheid en aarzeling.

Thans zijn we naar ik meen in staat om te beoordelen in hoeverre de rooms katholieke theoloog Karl Adam gelijk heeft, als hij zegt dat er in de houding tegenover Maria een merkbaar verschil valt te constateren tussen Luther en het latere Protestantisme. Dit verschil is ons inziens niet wezenlijk, maar er is in zoverre een kern van waarheid in Adams redenering, dat Luthers gedachte over Maria's zondeloosheid ons onjuist lijkt. We kennen geen Schriftgegevens, die deze gedachte zouden kunnen ondersteunen. Intussen willen we echter Luther dankbaar blijven, dat hij als eerste ons verlost heeft van de afgoderij die met Maria werd gepleegd; in zijn prediking over Maria ons geleerd heeft, dat het enkel Gods genade is waardoor we behouden worden, verder wat die genade is en hoe ze ons deel wordt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 april 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Maria bij Luther 6

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 april 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's