KRONIEK
Tweede Paasdag in Buurkerk en Dom — Onze voorlichting en de christelijke zede — Herdenkingsdata — Koninginnedag en bevrijdingsherdenken.
Het was een goede gedachte van de Hoofdbesturen van onze Hervormde Jeugdbonden op G.G. om de bevestiging en installatie van ds. A. J. Jorissen, de onlangs benoemde predikant voor ons jeugdwerk, vergezeld te doen gaan van een jeugdappèl. Dat is gehouden 2e Paasdag, 18 april jl. in de Buurkerk te Utrecht, onder leiding van dr. H. Bout. De bevestiging van ds. Jorissen had plaats die dag in de Domkerk en geschiedde door ds. J. Vermaas, voorzitter van de Bond van Hervormde J.V.'s op G.G. Beide monumentale kerkgebouwen lenen zich uitstekend voor dergelijke samenkomsten. En het moet een verheffend schouwspel geweest zijn zovelen te zien onder die gewelven, waar de eeuwen spreken van de eeuwigheidsdaden Gods in Christus Jezus, de Overwinnaar van Pasen.
De Generale Synode onzer kerk werd vertegenwoordigd door haar praeses dr. A. A. Koolhaas, zelf geen onbekende in en voor ons jeugdwerk. In zijn toespraak wees hij o.m. op de noodzaak van kernvorming in ons jeugdwerk, dat zeer het kerkelijk leven zou kunnen dienen. Het verslag van de N.H.Crt., waarvan ik me bedien, laat hem in dit verband zeggen: „in het geheel der kerk en ten bate van de kerk".
Ik heb daarin iets beluisterd van de isolementsgedachte van Groen van Prinsterer, welke in onze herv. geref. actie van meetaf leidend en richtinggevend is geweest. Isolement, waarlijk niet in de betekenis, welke men er tegenwoordig aan geeft, als zou de eminente christenstaatsman ermee bedoeld hebben zich van het geheel van volk en kerk te distanciëren om het in eigen veilig kringetje knus en rustig te hebben. Integendeel.
Groen bedoelde met isolement zich terugtrekken in de zin van zich concentreren en bezinnen op de beginselen van de H.S. om zo gevoed en bekrachtigd uit Gods Waarheid, bevruchtend en bezielend die uit te dragen in heel het volks- en kerkelijk leven.
Zo moet zijn adagium verstaan worden „in mijn isolement ligt mijn kracht". Ik hoop van harte, dat deze „kernvorming" door ds. Jorissen mag bevorderd, gestimuleerd en geleid worden. Onder beding van de zegen des Heeren zal hij dan merken, dat dit jeugdwerk heus nog niet „zijn tijd heeft gehad", gelijk iemand hem had verzekerd. Niet omdat dit jeugdwerk innerlijk zo gaaf is, maar juist omdat het, ondanks alle ingezonkenheid, toch begeert te leven en te werken uit de krachten van onze opgestane Zaligmaker. De tekst, waarmede ds. Vermaas ds. Jorissen bevestigde, — „Houdt in gedachtenis, dat Jezus Christus uit de doden is opgewekt" (2 Tim. 2:8) — heeft wel alles in zich, wat de drijfveer tot het mooie maar moeilijke werk kan en moet zijn. Wij wensen onze Bonden en hun nieuwe jeugdleider van harte een zegenrijk optrekken en samenarbeiden.
«»
Het jeugdappèl was eens weer goed nieuws, en de N.H.Crt. gaf het op een wijze waarvoor ik lof heb. Het verslag was met zorg opgesteld. Er was een aanvoelen van de sfeer. Dat sprak me aan, vooral in de passus:
„In een sfeer van niet-rythmisch gezongen psalmen, van de Statenvertaling, orgelvariaties van Jan Zwart en voortreffelijke koorzang van Vox-Jubilans uit Waddinxveen begonnen de hervormde jongens en meisjes een nieuwe periode in hun jeugdwerk."
Een nieuwe periode in het jeugdwerk, maar in aansluiting aan de weg voorheen gevolgd. Een voortgezette worsteling om behoud van het aloude erfgoed. Dat heeft de verslaggever toch willen uitdrukken met het begin: „In een sfeer" etc? Of heb ik misgetast?
Nu ja, het geheel was goed nieuws en dat kunnen we niet altijd zeggen als we ons dagblad openvouwen. Natuurlijk kunnen onze kranten dat lang niet altijd helpen. Het nieuws is waarlijk niet immer opwekkend.
Maar zijn onze kranten geheel zonder schuld? Het wil mij voorkomen, dat men in het leiding geven in onze pers — ik bedoel de christelijke — wel eens erg veel bezig is met de cultuur en de lezers wil voeren op het niveau van wat ik nu maar zal noemen christelijk-cultureel en wil instrueren wat daar nu zo al toe behoort. Ik erger me nogal eens aan wat onze pers af en toe voorschotelt. Ik zou radio en t.v. er bij kunnen insluiten, maar bepaal me eerst tot de pers.
We worden tamelijk uitvoerig op de hoogte gehouden van wat in de toneelen filmwereld gaande is en op toneel en doek vertoond wordt. Het schijnt als vanzelfsprekend dat men in onze kringen doet aan schouwburgbezoek, zich in de bioscoop min of meer frequent laat zien en zo maar meer. Het moge naar sommiger — of moet ik zeggen veler? — opvatting noodzakehjk zijn of tot de „bon ton" behoren, de vraag is maar: behoort het tot de christelijke zede, om nog maar te zwijgen van gereforaieerde zede. Ik zal maar niet de litteraire rubriek op de korrel nemen. Wat daar soms besproken wordt, zeker met kritiek, bevredigt mij ook niet altijd. Men kan zeggen, dat de christehjke pers moet oriënteren ook op dit gebied. Het zij zo, doch een uitvoerige bespreking van bijv. „Schaduw op de huid" („Trouw", dd. 23- 4-'60), — een pervers boek — kon desnoods gesignaleerd in plaats van tamehjk uitvoerig weergegeven te zijn. In datzelfde nr. trof ik in de rubriek „Trouw voor de vrouw", een artikel aan onder het opschrift: „Smeer eens café-expresso op uw lippen", dat de „finesses van nieuwe lipstick in bruine tint bespreekt en recommandeert. Is het zo nodig de zotte en vaak belachelijke cultus van de „make up" te stimuleren? Misschien laad ik bij deze en gene het odium van geborneerdheid op mij. Ik ben het getroost. Jesaja 3, met name vs. 16 v.v. staat nog altijd in de Schrift en geldt, dacht ik, ook ons in deze tijden. Vele jaren heb ik „De Standaard" gelezen. Ik kan mij de aangeduide rubrieken en artikelen niet voorstellen in dat blad.
Nu weet ik heel goed, dat we in andere tijden leven dan waarin „De Standaard" verscheen. Doch het gaat om dezelfde beginselen, wordt ons altijd verzekerd. Accoord. Doch dient men op deze wijze de beginselen of de hedendaagse cultuur met al haar aberraties? Daalt de christelijke levenstoon niet ontstellend? Op een studenten-congres van S.S.R. hoorde ik eens van het fulmineren door dr. Buskes tegen toneel, dans en kaartspel. Hij noemde ze meen ik „de drieëenheid van de duivel". Het veroorzaakte nogal wat deining. Doen die drie het nog in christelijke kringen?
Ik had het ook over radio en televisie. De voorzitter van de N.C.R.V. heeft onlangs er iets van verhaald hoezeer het voor de christelijke omroep en t.v. een worsteling is, om verantwoorde uitzendingen te geven. Ik neem dat gaarne aan, maar begrijp niet, waarom we zo veelvuldig op „jazzmuziek" moeten onthaald(? ) worden.
En dan de t.v. In het nr. van „Trouw" hierboven aangehaald, geeft mevr. L. A. Lever-Brouwer een waardig stuk over „De Bijbel en de t.v.". Het is wel zeer critisch ingesteld en naar aanleiding van het onlangs vertoonde stuk over Mozes en „de bloeiende perzik". Het eerste zag ze: het tweede niet. Wat het eerste betreft zegt ze: „Het t.v.-spel gaf een volkomen valse eindindruk". Het spel Noach — „de bloeiende perzik", — waarover ze van horen zeggen schrijft, komt er niet minder vernietigend af in haar artikel. Van een „buiten-kerkelijke" hoorde ze: „Ik vond het laag-bij-de-grond. Ik heb het afgezet". In Hervormd Nederland" geeft een lezer de hoofdfiguur als volgt weer: „Noach, een half kindse, zwakke, kuchende grijsaard, verslaafd aan de drank". De auteur heeft zeker nooit gelezen, wat Hebreen 11 : 7 v.v. over Noach schrijft. Kort geleden gaf „Trouw" een gepeperde kritiek over het spel „De wachters bi het graf", dat ook niet naar het Evangelie was.
We hebben naar wat ik in dit verband weergaf met Schriftvervalsing te doen. Het dient niet - wat de N.C.R.V. toch wel bedoelt, — de Woordverkondiging. Mevr. L. Br. besluit haar stuk met de woorden: „De Bijbelverhalen zijn een deel van Gods Woord. Dat Woord mogen we alleen met diepe eerbied benaderen en als we er onze vals-menselijke voorstellingen voor in de plaats gaan geven, doen wij het bitter geweld aan." Ik kan dit volkomen onderschrijven. Dit alles detoneert niet alleen, het werkt mee tot bederf van onze christelijke zede, evenals wat niet behoort in onze pers, zowel wat sommige artikelen betreft, als ook de advertentierubriek, waarover ik het niet had, maar die zeer zeker meetelt. Ik ben erkentelijk voor het goede in onze pers, maar voor heel het terrein van voorlichting geldt: „Bewaar het pand u toebetrouwd" (1 Tim. 6 : 20).
We leven de laatste weken in een periode van herdenkingsdagen. Kort geleden heeft in dit verband de naam van Frederik van Eeden, dichter uit de 80er jaren, publicist en schrijver van naam, — hij is in zijn latere levensjaren tot de r.k. kerk overgegaan, — in vele kolommen in de pers gestaan. Ook op politiek terrein heeft hij van zich doen spreken, doordat hij op „Walden" bij Bussum in een soort communistische gemeenschap zijn socialistische idealen vorm en gestalte heeft pogen te geven. Het is uitgelopen op een totaal fiasco. Gedesillusioneerd is hij gestorven.
Van gans andere allure was de op 20 april 1860 geboren mr. P. J. Troelstra, jaren lang de geniale leider der S.D.A.P. welke hij tot grote invloed en macht wist te brengen. Hij is in Leeuwarden geboren, in een dorp in de nabijheid van Frieslands hoofdstad opgegroeid, doch heeft het grootste deel van zijn leven buiten zijn geboortegewest gewerkt en gestreden. Men wilde de herdenking der geboorte, nu 100 jaar geleden, doen plaats vinden in de Ridderzaal, doch van regeringswege is deze daarvoor niet beschikbaar gesteld. De minister, die daarover geïnterpelleerd werd in de Eerste Kamer, gaf ten antwoord, dat Troelstra wel een nationale figuur was, doch dat het verzoek om de Ridderzaal was afgewezen, wijl een politieke partij de herdenking had verzorgd.
Troelstra moge een nationale figuur geweest zijn — in 1914 bij het uitbreken van de 1e wereldoorlog sprak hij de woorden, dat „de nationale gedachte de nationale geschillen moest overheersen" — hij was vóór alles partijman. In 1918 preekte hij de revolutie en greep naar de macht, later erkennend, dat hij zich vergist had.
Is ook mr. Isaac da Costa, wiens sterfdag viel op 28 april 1860, een nationale figuur geweest? Als zodanig is hij niet erkend, hoewel zijn hart, gloeiende van liefde voor Nederland en Oranje, die hij als door God in wondere voorzienigheid zag samengebracht en verbonden. Hij is gesproten tiit een Portugees-Joods geslacht, " onder invloed van Bilderdijk voor Christus gewonnen, van Wien hij naar de drang van zijn hart steeds weer heeft getuigd. Zijn eerste geschrift: „Bezwaren tegen de geest der eeuw" (1823) heeft hem bittere vijandschap bezorgd. Velen, in plaats van hem te groeten, keerden hem op straat de nek toe. Hij verdroeg die smaad manmoedig en gelovig. Vele tijdzangen zijn door hem gedicht om ons volk te waarschuwen en terug te roepen tot de paden des Woords. Men denke aan het in vroegere jaren nog wel gaarne gezongen: „Zij zuUen het niet hebben, ons oude Nederland". Groen zei, toen hij het las: „Ze hebben het al lang". In zijn later leven is er een kleine kans geweest, dat hij in Amsterdam een bijzondere leerstoel zou mogen bezetten. Het is hem evenmin gegund als Bilderdijk.
In hem is veel, wat hem de ere van een nationale figuur te zijn, zou kunnen geven. Het is niet geschied. De ere van voor Gods zaak met ere gediend en geleden te hebben, kan hem niet onthouden worden.
Wij gedenken hem met dank en piëteit als een man Gods uit de Revèilkring, waarin hij een leidende plaats heeft ingenomen.
Als deze Kroniek verschijnt is het 30 april geweest en herdenkt Nederland zijn bevrijding, 15 jaar geleden geschied. De verjaardag van onze Koningin komt voor mijn besef wel eens wat in het gedrang door de enkele dagen daarna volgende bevrijdingsdag. Dat is jammer. Want hoe betekenisvol de bevrijdingsdag moge zijn, Koninginneverjaardag is niet minder zegenrijk. Het kan met de bevrijdingsdag wel eens gaan als met Waterloodag, 18 juni. Die is een tijdlang gevierd, doch met de jaren verging zijn herdenking, maar Oranje bleef, hoezeer de Oranjeboom ontbladerd werd. Nog zijn we samen. Oranje en Nederland. Dat is Gods werk, waarvoor wij Hem danken. „Want ons schild is van de Heere" (Psalm 89 : 19).
In dit licht sta ook de herdenking van de bevrijding. Zij worde gedragen, en geheiligd door het gedenken, waartoe ons Gods Woord oproept, het gedenken van de daden des Heeren. Dan krijgt God al de eer.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 mei 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 mei 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's