De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

ZO IK NIET HAD GELOOFD . . .

8 minuten leestijd

Zo ik niet had geloofd, dat ik het goede des Heeren zou zien in het land der levenden. Psalm 27 : 13.

De psalmen vertolken het geloofsleven van Gods kerk op een bijzondere wijze. Door de psalmen slaan we een blik in het leven van Gods kinderen, die tijden kennen waarin ze roemend de lof des Heeren zingen, maar ook tijden waarin ze klagend roepen tot God. En die tijden liggen soms vlak naast elkaar.

De weg des geloofs is geen gemakkelijke weg. Maar dat heeft de Heere ook nooit gezegd. Hij heeft gesproken van verdrukking en vervolging en benauwdheid, van kruisdragen en zelfverloochening en van een gaan in de voetstappen van Christus, van gekruisigd worden en sterven met Hem om ook met Hem te kunnen leven. Maar waar we de roepstem Gods in ons hart hebben gehoord, waar de Heere een haak in ons hart heeft geslagen, daar kunnen we toch niet meer van Hem loskomen, daar gaan we Hem zoeken en volgen, daar kunnen we Hem niet meer missen. En Hij belooft ook aan ieder die de goede strijd des geloofs leert voeren een zaligheid en een heerlijkheid die ver uit gaat boven alle smart en benauwdheid.

Ook David, de dichter van deze psalm, weet van verdrukking en vervolging en benauwdheid. Maar hij weet ook van lijdzaamheid en volharding. Hij heeft nu eenmaal een andere levenskeus leren doen. Hij heeft gekozen voor de Heere en Zijn dienst.

Hoe komt een mens er toe om op de weg des Heeren te gaan wandelen? Dat is toch immers niet gewoon. Van nature zoekt de mens zijn deel in dit leven te krijgen en hij spant ook alle krachten in om aan zijn trek te komen in dit tijdelijk leven. Wij kiezen van nature zo dwaas. We schrikken ervan als we zien waarmee mensen hun levensschalen vullen, waarmee ze van hun levenstocht thuiskomen en zeggen: „Zie, dat is nu mijn deel". Want wat is het vaak anders dan brood dat niet verzadigen kan, nietswaardige en lege dingen waarbij onze ziel verkommert?

Maar David heeft in het land der levenden, waar alles is wat het leven bieden kan, de Heere gekozen. Hij heeft de weg van vervolging en verdrukking, van kruisdragen en zelfverloochening gekozen. Wonderlijke keuze. Maar toch ook zalige keuze.

En hoe is David er toe gekomen om de Heere te gaan zoeken? We lezen er iets van in deze psalm: Mijn hart zegt tot U: Gij zegt: Zoek Mijn aangezicht; ik zoek Uw aangezicht, o Heere! Het hart spreekt derhalve niet uit zichzelf maar van en uit God. Van onszelf zoeken we de Heere niet en uit onszelf worden we ook niet tot dat zoeken gedrongen. Die drang komt echter van boven, van God, Die spreekt: Zoek Mijn aangezicht. Dat zoeken is menigmaal een bange en eenzame weg, waarop we ons erg ongelukkig gevoelen. Maar we mogen Hem zoeken, omdat Hij ons eerst zoekt. En dat is niet voor één keer, maar dat is telkens wanneer we de Heere kwijt zijn, wanneer we Zijn vriendelijk aangezicht missen, wanneer we door een barre en donkere weg heenmoeten, wanneer verdrukking en vervolging ons deel is.

Wanneer we in die strijd des geloofs verkeren en geen weg meer zien, wanneer we alleen maar onze zonden en onze schulden zien, dan is het alsof we van God verlaten zijn, alsof Hij ons verwerpen zal, alsof we alleen Zijn toornend aangezicht zullen zien. Maar er is toch diep in ons hart dat verlangen en die hoop en die verwachting, dat de Heere ons niet verstoten zal, maar in Christus genade zal bewijzen: Zo ik niet had geloofd, dat ik het goede des Heeren zou zien in het land der levenden ...

In al zijn klagen en vragen heeft David toch vastgehouden aan de Heere, maar hij miste het vriendelijk aangezicht Gods. En daarom smeekt hij: Hoor, Heere, mijn stem als ik roep; en wees mij genadig en antwoordt mij. En toch zingt hij: Ik heb geloofd, dat ik in mijn leven 's Heeren gunst zal ervaren. En dat kan hij zingen, omdat God hem vastgehouden heeft in zijn nood. Want als dat niet was gebeurd wat zou er dan toch van David zijn terechtgekomen?

Daarom kHnkt het ons ook toe: Zo ik niet had geloofd, dat ik het goede des Heeren zou zien in het land der levenden ... en dan staat er in onze tekst niets meer. Dan volgen niet de woorden: ik ware vergaan, want die hebben de Statenvertalers er ter verduidelijking aan toegevoegd. En eigenlijk kimnen we ze beter weglaten, want dan verstaan we de bedoeling van Davids uitroep in zijn volle diepte. Want als hij deze woorden uitgesproken heeft doet hij er verder het zwijgen aan toe. Dan blijft hij als 't ware in zijn woorden steken. Hij kan niet zeggen wat er dan gebeurd zou zijn en hij durft niet te zeggen hoe het dan met hem afgelopen zou zijn. Dan was er zeker niets van terechtgekomen en dan zou hij in zijn zorgen en benauwdheid, in zijn twijfel en donkerheid, in zijn eenzaamheid en ellende zijn omgekomen. De nood was groot, de verdrukking zwaar, maar hij mag zich vastklemmen aan de Heere zijn God, hij mag zijn hoop stellen op Hem, Die alzo lief de wereld heeft gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft in de dood en helse verlatenheid, opdat wij niet zullen sterven maar leven en de lof des Heeren verkondigen.

Wat is het rijk wanneer we zo met David mogen getuigen: Zo ik niet had geloofd, dat ik het goede des Heeren zou zien in het land der levenden... Dan zien we terug op de weg, die door de nachten en stormen heenbrak en waarop we het zo ontzaglijk moeilijk hebben gehad — en o wat kunnen we het moeihjk hebben in dit leven, wat kan het kruis zwaar zijn, wat kan de zonde en de schuld ons temeerdrukken, wat kan de nood groot zijn. En wanneer we dan dat steile pad nog eens afzien en we denken ons een ogenblik in wat we hebben doorgemaakt, dan spreken we ook de taal van die ootmoedige dankbaarheid: als ik in al die donkerheden niet geloofd had ... o Heere, dan weet ik het niet en kan ik niet zeggen hoe het met mij afgelopen was; dan... maar neen, ik kan er geen woorden voor vinden... maar Heere, Gij hebt me vastgehouden en Gij hebt tegen mij gezegd: Zoek Mijn aangezicht. En ik heb Uw aangezicht gezocht en Gij hebt mij verhoord. Hoort het dan, arme verloren zondaren, hoort het wat de Heere tot u zegt: Zoek Mijn aangezicht. En Gods vriendelijk aangezicht, heeft vrolijkheid en licht, voor alle oprechte harten. Wanneer ge tot Hem komt, zoals ge zijt, met uw nood en ellende, met uw zonde en schuld, met uw twijfel en ongeloof en niets voor Hem verbergt, dan zal Hij Zijn aangezicht voor u niet verbergen maar u in Christus aanzien.

Zo ik niet had geloofd... Neen, dan hebben we geen uitzicht, dan hebben we geen toekomst en waar zal ik dan hoop en moed vandaan halen in dit moeilijk leven. Want ik kan tobben en zwoegen wat ik wil, ik kan me groot houden, doen alsof er geen angst en vrees bij me gevonden wordt... maar straks komt toch de eindafrekening, straks komt toch de dood en het oordeel, en wie onzer zal bestaan voor die heilige en rechtvaardige God, Die eer Hij de zonde ongestraft Het blijven ze gestraft heeft aan Zijn eigen lieve Zoon. En wanneer we dan die Christus verwerpen, wanneer we dan het bloed des Lams onrein achten, dan is er voor ons geen verzoening en vergeving, geen vrede en rust. Dan is er ook geen kracht om de weg van moeite en verdriet af te lopen en onze levenstaak te volbrengen. Dan is er enkel verlegenheid en hulpeloos­ heid, maar geen toekomst van heil en vreugde.

Daarom.mogen we onszelf wel onderzoeken, daar we toch allen op weg zijn naar die eindafrekening. Wanneer we Gods genade verwerpen, wanneer we niet als een arme zondaar tot Hem komen en Gods aangezicht niet zoeken ... zo zal Hij ons straks verwerpen, zo blijft er niets anders voor ons over dan duisternis en donkerheid, terwijl het licht en het heil ons aangeboden zijn, terwijl de Heere Jezus ons gepredikt is als de weg en de waarheid en het leven. Leg uw nood toch voor de Heere neer, zoek toch Zijn aangezicht, want Hij is een God die wonderen kan doen. Hij kan het stenen hart in uw binnenste wegnemen en u een vlezen hart geven.

En allen die worstelen voor Gods aangezicht, die smeken om genade voor recht, die zonder Gods vriendelijk aangezicht niet verder kunnen, mogen weten, dat het nog dezelfde God is die David uit zijn nood tot de jubel bracht, tot de jubel des geloofs: Zo ik niet had geloofd, dat ik het goede des Heeren zou zien in het land der levenden... Dat dan ook al Gods kinderen, die door eigen schuld weer in donkerheid zijn gekomen en die worstelen om Gods aangezicht weer te mogen aanschouwen, dat allen die onder zware kruizen gebogen gaan, door veel moeite en verdriet heen moeten, door bange wegen van nood en dood, van rouw en smart waarin ze bijna vergaan, mogen weten, dat de Heere zelf zegt: Zoek Mijn aangezicht! En wie Gods aangezicht zoekt zal het vinden.

Wacht op de Heer, godvruchte schaar, houdt moed! Hij is getrouw, de bron van alle goed. Zo daalt Zijn kracht op u in zwakheid neer. Wacht dan, ja wacht, verlaat u op de Heer'.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 mei 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 mei 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's