TOT OP DEZE DAG
IS DE PREEK NOG HOOFDZAAK?
17
Dit is een vraag, die naar onze overtuiging, zeker geen beantwoording behoeft. Voor ons staat het wel vast, dat in de openbare Eredienst de preek wel hoofdzaak is.
Maar waar die vraag, met name in de laatste tijd, steeds meer ter sprake komt, moeten wij er toch eens op ingaan.
Eigenlijk kan deze vraag van twee kanten bezien worden. Men kan de preek beschouwen als een gedeelte van het ambtelijk werk van de predikant; men kan haar ook beschouwen als een stuk van de openbare Eredienst zelf.
In 't eerste geval komt de vraag aan de orde: „Dominee, wat is nu eigenlijk uw hoofdtaak? U laat onder uw naamkaartje er wel eens bij drukken: „v.d.m.", dat is: verbi divini minister, of dienaar van het Goddelijk Woord. Welnu, daarmee is uw hoofdtaak schoon aangegeven.
Hier ligt dus de kern van de arbeid van de predikant en dat mag hij zelf nooit vergeten. Is het prachtig, wanneer dominee verstand heeft van organiseren, van vergaderen en allerlei, zeker kan dat op bepaalde terreinen te pas komen. Hij kan benoemd worden als predikant in bijzondere dienst, als het zich alles maar groepeert rondom het Woord en de prediking er van. Daarvoor werd de predikant naar zijn eerste gemeente geroepen. In dit teken staat zijn werk en hoe hij er vaak ook omheen dartelt en springt, dat wast al het water van de zee niet af.
Wanneer een dominee weinig of geen huisbezoek deed, het zou jammer zijn. Wanneer hij echter met het maken van een preek de hand zou lichten, het ware erger. Het Woord Gods zou er immers bij te kort komen en de schare zou zonder gezond zielevoedsel blijven.
Wij hebben toch niet gestudeerd, om straks alle studie overboord te werpen, maar om er meei door te gaan. Het moet ons een lust geworden zijn, om in de onpeilbaar diepe Godsgedachten, in Christus geopenbaard, toch dagelijks het peillood weer biddend uit te werpen.
Ik herinner mij nog goed, dat ik in de eerste jaren van mijn ambt nog al eens moeite had, om een tekst te vinden. Het was zo gauw weer zondag en hoe gaarne wilde ik, als het kon op maandag reeds een tekst hebben, om over te denken.
Wat was dat heerlijk, wanneer u soms plotseling onder uw werk, ziekenbezoek of catechisatie, een Woord Gods in de gedachten werd gebracht. Dan wist u, waarover en hoe er gepreekt moest worden. De Heere God had dat woord in uw hart gelegd.
Dit is zeker: Hoe meer wij zelf door de Heilige Geest leren leven hij en uit het Woord, hoe meer de verlegenheid om een tekst verdwijnt. Het is dikwijls of het ene woord het andere al weer meebrengt. Ook hier ondervinden wij dan: „de korven raken niet leeg!"
Het spreekt vanzelf, dat wij dan tenminste onze zaterdagen vrij houden. Bezoekers wijzen wij vriendelijk er op, dat het voor de dominees zaterdag is. Ook al is de preek af, nog voel ik mij op die dag anders. De voorbereiding voor de zondag is er. Wat zegt u: Een spreekbeurt elders? Of een zaterdagmiddagmeeting, waar u bij moet wezen? Nu, wanneer de preek voor de zondag er niet onder lijdt, u moet het weten. De een kan meer hebben dan de ander.
Zelf heb ik vaak gedacht aan Christus' woord tot Simon de Farizeeër: „Simon, Ik heb u wat te zeggen!"
En daar kwam wat! Wanneer de Heere ons ook één deel van Zijn Geest wil schenken, dan komt er ook wat en wij sturen de mensen niet met een praatje naar huis. Dit staat dus voor ons wel vast.
Maar er is aan bovengenoemde vraag een andere kant. Zij wordt in deze dagen nog al eens opgeworpen met het oog op onze Openbare Eredienst. Men bedoelt dan: Is in die Eredienst de preek nog hoofdzaak?
Eigenlijk is dit een ontstellende vraag. Hoe durft men als kind der reformatie, als goed protestant, dat nog te vragen. Is men dan de hele Reformatie, de kern er van, vergeten?
Onwillekeurig denk ik even aan de Egyptische mummies, die ik jaren geleden in het Louvre museum in Parijs eens zag.
U weet, dat de oude Egyptenaren zeer vaardig waren in het balsemen van lijken. Welk een schouwspel, zo'n mummie! U ziet alleen wat verdroogde gelaatstrekken. En verder, een grote pop, in vele windselen ingewonden. Wanneer men die windselen zou afwikkelen, zou er eindelijk een dood ding, dat geen mens meer is, overblijven. Dat was alles.
En wat wil men nu hier in Holland gaan doen? Men vraagt en roept om meer liturgie. Men gaat dat levende Woord Gods ook mummificeren, alsof het dood was. Men windt er hoe langer hoe meer liturgische doekjes om. Men is jaloers op Rome met al zijn praal en pracht, en men beseft niet, dat men zich in Rome's ogen zelf belachelijk maakt. De preek moet korter, veel korter, de liturgie moet langer. De Woordverkondiging moet meer wegvallen voor liturgische aanschouwelijkheid.
Het Woord Gods zelf wordt hoe langer hoe minder genoemd; men spreekt in plaats daarvan Hever over „geestelijke waarden" en over „het heilige". Het valt telkens weer op, dat in vele middenorthodoxe kerkbodes een meditatie over een tekst uit de Heilige Schrift niet meer voorkomt, maar alleen een moreel praatje over allerlei onderwerpen van de dag. Als u spreekt over het gezag van het Woord, dan schrikt men al.
Men is er op uit, dat onze openbare Eredienst de mensen meer moet aanspreken. Volgens sommigen zal dat geschieden, wanneer de leden der Gemeente, met name jonge mensen, daarin ook een werkzaam aandeel krijgen. Men wil de gemeente zelf ook wat laten geven.
Maar hoe zal ik nu toch wat geven, wanneer ik zelf nog niets ontvangen heb?
Versta mij wel: Wij zijn niet tegen liturgie. Wij wensen ook geen smakeloze diensten, waar de mensen moeite hebben, om wakker te bhjven. Wij hebben ook hever, dat de mensen meeluisteren, bidden en zingen. Wij zitten ook hever in passende kerkgebouwen dan in een schuur. Maar hebben wij niet anders tot onze beschikking, dan zal die boerenschuur of garage ons niet verhinderen, om samen God groot te maken. Vooral dan niet, wanneer de Heere ons er bij bepaalt: „de plaats waarop gij staat, is heihg land". Wat God geheiligd heeft, maken wij niet gemeen, en omgekeerd: Wat God niet geheiligd heeft, omdat Zijn Woord niet in ere is, dat heiligen wij niet met een kruis tegen de muur of met knielbanken in de kerk of met het zogenaamde mystieke licht, dat door de gebrandschilderde ramen valt.
Wij zijn niet tegen liturgie, die aansluit bij het eenvoudige Woord Gods; maar wel tegen liturgische diensten, waar het gepredikte Woord op de achtergrond raakt.
Laat onze openbare Eredienst sober blijven. Laat niet de gedachte ons beheersen, ons met Rome te meten, want dat kunnen wij toch niet en dat willen wij ook niet.
Onze kracht moet ergens anders liggen dan in ceremonieel en hturgie. Wij hebben het Woord teruggekregen. Rome bezat het nog wel, zij het ook met apokriefe rompslomp en legendaria er bij, maar Rome hield het in en verbood, althans in vorige dagen, het lezen er van. Het is er nu zo mee gelegen: het mag wel, maar het behoeft niet. In elk geval: de Roomse kerk geeft zelf haar uitleg, waaraan de leek zich heeft te houden.
Dat is bij ons anders. Het Woord Gods is het centrale punt, waaromheen zich de godsdienstoefening beweegt. Waarnaar ook de kerkgangers zich te luisteren zetten en dat alle schatten in Christus voor de gemeente ontvouwt. En wanneer dit nu in de prediking waarlijk geschiedt, laat iemand dan zeggen, dat dit alles lege kerken kweekt. Dan bezitten wij een schat en sieraad in onze sobere kerkgebouwen, waar Rome niet aan tippen kan, al gaat het hier niet om concurrentie-manoeuvres. De prediking van het Levende Woord, dat is onze kroon en zó moet het blijven.Veel roomsen weten heel goed, dat zij daarvoor respect hebben. Wanneer zij een protestantse begrafenis hebben meegemaakt, zoals dat in dorpen dikwijls voorkomt, dan zeggen zij wel eens: „Zo kunnen onze pastoors en kapelaans niet preken."
En wat de lege kerken betreft; Overal, waar Gods Woord recht gepredikt wordt en de Heilige Sacramenten bediend worden naar de instelling van Christus, daar heeft men over weinig kerkgang nog niet te klagen. Maar ook overal, waar dat Woord op de achtergrond raakt, daar gaat het ondanks lapmiddelen (of daardoor juist? ) hollend achteruit.
Zeker, het kerkelijk verval openbaart zich overal. Het is ook wel een tijdverschijnsel. Maar met enkele „geestelijke" attracties keren wij de dingen niet. De wereld wordt immers hoe langer hoe geleerder. Ze hebben nog pas de achterkant van de maan al bekeken. Laat de vorst der duisternis dit maar van alle kanten bekijken:
Gods Woord houdt stand; blijft eeuwig vast; En zal geen duimbreed wijken.
Nog altijd is de preek hoofdzaak.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 mei 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 mei 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's