De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Openingswoord op de Jaarvergadering

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Openingswoord op de Jaarvergadering

16 minuten leestijd

van de Gereformeerde Bond, 4 mei 1960, in het gebouw van Kunsten en Wetenschappen te Utrecht.

Wat houdt ons als „Hervormden" nog bij elkander?

Met deze vraag ving de voorzitter zijn openingswoord aan, dat als volgt luidde: „Begrijp mij goed. Ik stel deze vraag niet als een rethorische, als wilde zij de conclusie opwekken, dat ons eigenlijk niets verhinderen zou aan het instituut, dat zich siert met de naam Nederlandse Hervormde Kerk, de scheidsbrief te geven.

Integendeel, wil die vraag uitgangspunt zijn van bezinning en bepaling van onze positie als Hervormd-Gereformeerden. In de kerkelijke verwarring moeten wij zo spreken: Hervormd-Gereformeerden, hoewel het een eigenaardige spreekwijze is, en een kenteken der verwarring.

Immers, wat ons als Gereformeerden bij elkander houdt, weten wij zeer wel. Daarop is een positief en beslist antwoord te geven, dat wij niet van buiten behoeven te leren of na te praten. Onze gemeenschap is gegeven in onze gemeenschappelijke geloofsovertuiging.

Wij zijn daarin opgevoed, of we zijn daarbij van harte toegetreden, omdat we krachtens ons geloof daarbij behoren. Ons geloof drijft ons in één gemeenschap en zet ons bij elkander. Wij geloven, dat wij door hetzelfde geloof verenigd zijn, dat onze vaderen bezield en gedreven heeft, en hetwelk zij ons in de belijdenis hebben overgeleverd, die nog altijd de belijdenis der Hervormde Kerk is, onze gereformeerde of reformatorische belijdenis.

Die belijdenis hebben wij bovendien gemeen met andere gereformeerde kerken in ons vaderland. Andere kerken? U bedoelt plaatselijke kerken?

Als dat maar zo ware. Dan zouden al die plaatselijke gereformeerde kerken door hetzelfde geloof op elkander aangewezen worden en één gereformeerd kerkverband vormen. Alle gereformeerden in één kerkverband — en dan echt gereformeerd, overeenkomstig de belijdenis, echt in gemeenschap met het geloof der vaderen. Welk een machtige openbaring van het geloof in de Christus der Schriften en van de weldaden der verzoening in Hem geschonken zou dat zijnl

Helaas is het niet zo, want die plaatselijke gereformeerde kerken zitten in verschillende, in de grond der zaak menselijke, verbanden saamgebundeld, zodat zij niet bij machte zijn naar de drang des geloofs één grote geestelijke gemeenschap te vormen en de zaak van Christus gemeenschappelijk te dienen

Thans heeft iedere groep van gereformeerden zo haar eigen wijze van behuizing tot grote schade van de openbaring der kerk naar buiten, van de plaats en de waardering der kerk in het openbaar bewustzijn en van het kerkelijk besef binnen de kerkelijke verbanden.

Zo zitten wij als gereformeerden in het instituut Hervormde Kerk, en noemen ons Hervormd-Gereformeerden, in onderscheiding van hen, die zich alleen maar „Hervormd" noemen en dat ook als een zegel aan allen zouden willen opdrukken, die in de kerk zijn.

In feite is dat „Hervormd" een oude term met een na-oorlogse vulling stammend uit een ideaal van kerkelijke saamleving, dat als super-gereformeerd aangediend zijn anti-gereformeerde tendenzen rijkelijk ten toon spreidt. Wat het geestelijke aspect aangaat, doet het zich voor als een nieuw soort geloof, een soort revisie van het traditionele in de ruimte van een vrije, vaak individuele interpretatie van de meest fundamentele artikelen der belijdenis.

Deze speculatie heeft reeds langer de spot gedreven met de heerhjkheid van de gemeente van de levende God om te zijn een pilaar en vastigheid der waarheid (1 Tim. 3 : 15).

Want met dit na-oorlogse „Hervormd" zijn schijnt het over een te komen het reformatorisch geloof in het goddelijk gezag der Heilige Schrift — hetwelk intussen een gave Gods is — in te ruilen voor een eigenmachtige visie en uitlegging naar tijd en omstandigheden. Dat ook de hoogste leiding van de Hervormde Kerk daarin meegaat tegen de nadrukkelijke taak en roeping der kerkregering in, is herhaaldelijk gebleken en wel heel duidelijk bij haar beslissing de vrouw tot het ambt toe te laten.

„Hervormd" wordt op die wijze een negatief begrip. Aanvankelijk scheen het te zweven tussen niet-gereformeerd, tenminste niet zo heel uiterst rechts en niet-vrijzinnig, tenminste niet zo heel erg links. Doch, waar we nu reeds aan toe zijn met de Hervormde onzekerheid kan blijken uit het geval Smits. Hier gaat het n.b. om een uitgesproken ontkenning van het hart des Evangelies: „het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegdraagt, " ontkenning van het plaatsvervangend lijden en sterven van de Heere Jezus Christus.

Deze loochening is niet nieuw, Socinianen. Remonstranten, Rationalisten en vele nieuwere theologen hebben beweerd dat God niet behoeft verzoend te worden, omdat Hij liefde is en zelf de verzoening teweeg bracht. Deze redenering gaat van een menselijk willekeurige Godsvoorstelling uit, want dezelfde Schrift, die leert, dat God liefde is, leert ook, dat God toornt over de zonde.

„Want", zegt Calvijn, (Inst. II.16.3), „God, die de hoogste rechtvaardigheid is, kan de ongerechtigheid, die Hij in ons allen ziet, niet beminnen. Wij hebben dus allen in ons iets, dat Gods toom waardig is. Daarom zijn wij allen ten aanzien van onze verdorven natuur en het daarbij komende slechte leven, in Gods verbolgenheid inderdaad schuldig voor Zijn aangezicht en tot verdoemenis der hel geboren. Maar, omdat de Heere, wat het Zijne is in ons, niet verliezen wil, vindt Hij nog iets, dat Hij naar Zijn goedertierenheid bemint."

De liefde Gods doet Zijn gerechtigheid niet te niet en de gerechtigheid Gods is ook de eeuwige waarborg voor de vastigheid Zijner genade. Want deze deugd Gods wijst in de eerste plaats op de goddelijke zelfhandhaving en de handhaving van Zijn wil.

Het ligt voor de hand, dat deze dingen boven ons verstand uitgaan en er is geen groter dwaasheid dan dat wij aardelingen een soort psycho-analyse op God zouden toepassen. Laten we ons zelf liever nauw onderzoeken, als zulke overwegingen in ons hart zijn, of wij met de levende God van doen hebben.

Inderdaad heeft God in Zijn goedertierenheid een verzoening, een zoenoffer gegeven en wel in de Zoon Zijner liefde. Daarin schuilt voor sommigen ook weer een bezwaar, alsof dat inhield, dat God aan Zich Zelf zou betalen, en dat kan toch niet.

Terecht merkt Bavinck op, dat dit geen steek houdt. (Geref. Dogm. Hl, blz. 507), want in de persoon en in het werk van Christus handhaafde God zichzelven als God en bracht Hij zowel de deugden van Zijn rechtvaardigheid als van Zijn liefde tot openbaring. Wijl Christus waarachtig God is, kan de Schrift zeggen, dat God in Christus de wereld met Zichzelven verzoend heeft. Maar, Christus was ook de Zoon des mensen en als zodanig kon Hij intreden voor de mens en als de tweede Adam verzoening voor de mens teweegbrengen bij God.

Daarom is de belijdenis van Christus' waarachtige mensheid, en vóór alles die waarachtige mensheid zelf grond en voorwaarde voor de plaatsvervangende betekenis en kracht van de door Christus teweeggebrachte verzoening.

Hij, die geen zonde gekend heeft, is voor ons zonde geworden, opdat wij zouden zijn rechtvaardigheid Gods in Hem (2 Cor. 5 : 21).

Het wijst daarom op een hoogst ernstige kerkelijke situtatie, wanneer zó fundamentele geloofsstukken door mensen, aan wie de bevoegdheden aan het ambt van de Dienst des Woords verbonden, zijn toebetrouwd, aan openbare discussie worden onderworpen en mede met behulp van opvattingen omtrent de Heilige Schrift, die de belijdenis van haar goddelijk gezag tot 'n ijdele zaak maken, aan verleugening worden prijs gegeven — terwijl door de daartoe geroepen instanties niet onmiddellijk maatregelen worden getroffen om dergelijke heiligschennis van de kansel en uit de kerkelijke pers te weren.

En dat, ondanks het feit, dat de kerkorde een duidelijke weg aangeeft om dat in het belang en de waardigheid van de kerk te doen. Men aarzelt en het schijnt zelfs, dat men op een uitweg zint, die met het belang en de waardigheid van de kerk moeilijk in overeenstemming kan worden gebracht.

Deze dingen kunnen niet bevorderen om ons als „Hervormden" bij elkander te houden, want als dat typerend moet zijn voor, wat men eigenlijk met dat woord „Hervormd" bedoelt, dan druist dat rechtstreeks in tegen het geloof, dat wij in gemeenschap met de vaderen belijden, tegen de voornaamste inhoud des Evangelies als een kracht Gods tot zaligheid en tegen de wijze, waarop wij in het huis Gods behoren te verkeren, naar de vermaning en het voorbeeld der apostelen.

Het kan anderen, die met ons op dezelfde confessie der vaderen staan en die het Hervormde „juk" hebben afgeworpen wel eens moeilijk worden, naar het schijnt, waarom wij toch niet doen als zij en uit het „diensthuis" uittrekken.

En een diensthuis is het, het eenheidsinstituut, dat zich Nederlandse Hervormde Kerk noemt, vast verankerd in de nieuwe reglementenbundel met zijn vaak spitsvondig uitgebalanceerde ordinantiën. IJdel was dan ook het gebaar om de Schrift op deze bundel te leggen, want, terwijl men, om zo te zeggen, nog aan het herontdekken van de kerk was, was het patroon, waarin zij zich zou moeten schikken, tot in kleinigheden klaar gemaakt.

Aanvankelijk misschien — laten we het hopen — bedoeld als een schema van werkverdehng in de bezinning omtrent het wezen der kerk en haar roeping op aarde, is dit schema tenslotte dienstbaar gemaakt om de grootste dwaling welke men ten aanzien van die beide kon begaan: De kerk is gemaakt tot een instituut van albemoeienis, dat schijnt zelfs de meest geprononceerde idee van „vadertje staat" te willen vooruitstreven in een voorbeeld van een moedertje-kerk. De studie-werkgroepen werden raden en commissies van advies en het zou niet lang duren, of zij werden departementen met eigen initiatief. Alle arbeid en onderneming onder de vleugelen van de kerk. Zo heette het kerk en kerken, kerk en school, kerk en zending, kerk en theologie, kerk en Israël, kerk en overheid, enz., doch in feite was het alles niet de kerk, maar het instituut, om niet te zeggen degenen, die in de departementen de richting bepalen en de lakens uitdelen.

Het hgt trouwens voor de hand, dat bij de voortdurende wisseling van de in de moderamina zitting hebbende ambtsdragers de leiding moest komen aan het vaste personeel en bij de meer bestendige bezetting der raden en commissies, zodat de kerkregering in de practijk in alles overeenkomt met een ambtenaarsregering.

Ziedaar het instituut met zijn lasten en bezwaren.

Van een presbyteriaanse kerkregering is dan ook niet noemenswaard terecht gekomen en de schaars erkende rechten van de plaatselijke kerken en van de classicale of grondvergaderingen zijn in de bijna tienjarige praktijk onder de kerkorde nog beknot of genegeerd.

Krachtens heel de opzet van het instituut kan in de grond der zaak niet meer van plaatselijke kerken worden gesproken en daarom is de classicale vergadering, gemeten naar gereformeerd kerkelijke maatstaf geen echte.

In de grond der zaak geen plaatselijke kerken? Neen, want wij zijn volgens de opzet der kerkorde leden van het instituut als geheel en niet leden van de kerk in onze woonplaats (c.q. kerken van onze woonplaats). Deze, de kerk te .... daar en daar, — vul uw woonplaats maar in —, is een afdeling van het instituut als geheel, en heeft de namen van zoveel leden van dat instituut in haar registers.

Dat is al de voornaamste inbreuk op de zelfstandige rechten van de plaatselijke kerk. Ter plaatse is het ambt, dé bediening van Woord en Sacrament en — als het goed is — kerkelijk opzicht en tucht, m.a.w. alles wat een vergadering tot kerk maakt is er. Denk aan de zeven gemeenten in Klein-Azië.

Daaruit vloeit b.v. voort, dat de plaatselijke kerk naar aard der omstandigheden zelf behoort te bepalen, hoe zij haar roeping het best kan vervullen b.v. door splitsing in meerdere plaatselijke kerken enz. Niets daarvan. Het reglement gebiedt. Denk aan de misère van de geografische wijkgemeenten. We noemen verder Overg. bep. 235 en 238 om aan te tonen, hoe deze zelfstandigheid met voeten wordt getreden. Dit is slechts één voorbeeld uit meerdere, die de lasten en bezwaren van het instituut kunnen demonstreren.

Met de classicale vergaderingen staat het niet beter. Om te beginnen is zij niet, wat zij naar gereformeerd kerkrecht behoort te wezen: een vergadering van plaatselijke kerken, die met elkander overleggen. Van overleg en van de evenzeer haar rechtens toekomende zelfstandigheid kan in het instituut geen sprake zijn.

Een voorbeeld. Hoevele classes hebben niet een meerderheid of een grote minderheid, die op Schriftuurlijke grond het ongeoorloofd achten, dat de vrouw wordt toegelaten tot het ambt. Desondanks is na veel moeite een meerderheid in de Synode voor deze zaak gevonden. Doch zou het nu niet gewoon en vanzelfsprekend moeten zijn, dat de genoemde classes het besluit nemen om geen vrouwelijke afgevaardigden tot haar vergaderingen toe te laten?

Een ander voorbeeld: de z.g. beroepingscommissie. In de eerste plaats treedt deze in de rechten en bevoegdheden van de kerkeraden en vervolgens ook van de classes, die van ouds naar gereformeerd kerkrecht bij de beshssing over al of niet aannemen van een beroep, dat op een predikant van een kerk der classis werd uitgebracht, een stem in het kapittel hebben gehad. Hier gaat het bovendien over het uitbrengen van een beroep. Men is nog niet zover gegaan de kerkeraden voor te schrijven, dat ze zich aan het advies der commissie houden zullen, doch het is reeds te veel, dat ze gehouden zijn advies te vragen, omdat het alweer een inbreuk is op de zelfstandige rechten van de plaatselijke kerk.

Intussen is de kerkregeriag er toe overgegaan een derde secretaris te benoemen en naar verluidt inzonderheid met het oog op deze kwestie. Een nieuwe stap op de weg harer verambtenaring.

Ziedaar, enkele sprekende voorbeelden van de bezwaren en lasten van het eenheids-instituut, waarmede degenen, die in gemeenschap met de belijdenis der vaderen kerkelijk begeren te leven, te worstelen hebben. Neen, het instituut houdt ons als „Hervormden" niet bijeen en het wordt met het jaar duidelijker, dat wij met recht van meetaf bezwaar hebben gemaakt tegen de met de eisen van gereformeerd kerkrecht strijdige bepalingen van de nieuwe kerkorde.

Wat houdt ons als „Hervormden" dan wel bijeen?

Het moet een hechte band zijn, die weerstand biedt aan zoveel tegenspoed en onbillijkheid, miskenning van het recht om kerkelijk naar de belijdenis der kerk te leven en inmenging in de originele rechten der plaatselijke kerk.

Welnu het zijn hechte banden, waarbij historie en traditie een stevig woordje meespreken, al zijn we ons daarvan niet altoos bewust. Maar ze spreken krachtig mede, omdat ze wortelen in de gemeenschap met het geloof der vaderen. Een band van gemeenschappelijk geloof loopt van de reformatoren door de geslachten heen naar de huidige generatie als een levende relatie, die ze allen verenigt in 't lichaam van Christus.

Die geestelijke werkelijkheid, die gemeenschap met de belijdenis der vaderen, getuigt er van dat God Zijn kerk, ondanks zonde en afdwaling en velerlei gebreken in vorm en organisatie in stand heeft gehouden en nog in stand houdt. Gedachtig aan het woord van Calvijn, dat God ook onder het pausdom nog Zijn kerk in stand gehouden heeft, voert de gemeenschap met de belijdenis der vaderen terug naar de kerk der Apostelen, tot welke de reformatoren zijn teruggekeerd.

Wij beweren niet, dat degenen, die zich uit een oogpunt van reformatie van de Hervormde Kerk hebben gedistantieerd deze geestelijke gemeenschap hebben ingeboet. Zij hebben het instituut verlaten en de gemeenschap willen behouden. Zij hebben echter het instituut met zijn gebreken veel zwaarder laten wegen dan de gemeenschap van de kerk der eeuwen. Achteraf gezien zijn er waarlijk wel redenen om ons af te vragen: ware het niet beter geweest, indien ze gebleven waren? Want ze zijn van ons uitgegaan, doch wij kunnen daaraan niet toevoegen, dat ze van ons niet waren. Hun voorbeeld wenkt in ieder geval niet tot navolging. Dan houden wij ons liever aan het voorbeeld van Israels profeten.

Als we ons alzo beroepen op de gemeenschap met het geloof der reformatoren, een gemeenschap, die door de geslachten heenloopt en ze allen verenigt, die uit datzelfde geloof hebben geleefd, gaan zovele tekenen van Gods trouw en goedertierenheid spreken, die ons indachtig maken.

Er is echter ook een gevaar, n.l. dat we overslaan naar de andere kant en alles maar voor goed nemen op rekening van Gods trouw en genade en dat we ons slome dienstknechten in de militia Christi betonen, thuis, op werkplaats, kantoor en fabriek en ook in de kerkelijke saamleving.

Wij hebben aanmerking gemaakt op de voorstanders van een kerkelijk instituut, dat voor de leden wij geloven, denken, handelen, maar, wie dit met ons afwijst, moet zich wel bewust maken van, wat hij schuldig is daartegenover te stellen. Hij heeft gelijk: het is de roeping der kerk het Evangelie te verkondigen en dat naar de Schriften zuiver te houden, het is de roeping der kerk ook het voorbeeld der apostelen, hoe men in het huis Gods moet verkeren, trouw en nauwgezet na te volgen. Roeping der kerk. Dat zijn ze dus, die de Christus belijden, en zich bij de gemeente voegen. De kerk is geen abstract begrip, maar dat zijn degenen, die geloven en belijden.

Wij hebben in de vervulling van die roeping allen enige taak van medewerken, vermanen, leren of regeren.

En dan? Als de kerk trouw is in deze geestelijke taak, staan wij als gelovige christenen in de wereld met de roeping van de christen om een zoutend zout te zijn en zuurdeeg in drie maten meel. Dan ligt daar voor ons een taak in de kerk om haar Schriftuurlijke huishouding naar kracht en vermogen te bevorderen, maar ook in de samenleving.

Wat de kerk betreft kan dat wel eens offers vragen, als we dingen ontmoeten, die wij om des Woords wil niet kunnen en niet mogen doen. Ds. Kievit heeft er op de laatste contio op Woudschoten op gewezen, dat Calvijn op zijn plaats in de strijdende kerk ook wist te lijden. Gij zult daarover hedenmiddag nader vernemen. Het komt mij voor, dat we in dit opzicht — en dat niet alleen — van de Hervormer nog wel wat kunnen leren.

We hopen op dit onderwerp nog wel terug te komen, maar thans ga ik daarop niet verder in.

Er blijft veel werk over en ik doe een beroep op uw trouw, op uw milddadigheid en offervaardigheid en bovenal op uw gebed. Wij hebben redenen om van zegen te gewagen. Er is echter ook aanleiding om te vragen, of ons geloof, onze liefde en onze ijver wel die mate van welstand in onze harten hebben, als met de kracht en de waardigheid van het Evangelie over een komt.

Laat het gebed onder ons vermenigvuldigd worden: gedenken we onze voorgangers, gedenken we hen, die in de strijdende kerk op moeiUjke en verantwoordelijke posten staan, aan hen ook, die in de plaats hunner inwoning zoveel ontberen, omdat de kansel en de regering bezet worden door ambtsdragers van een andere geest.

Laat al deze zaken dagelijks een plaats mogen hebben in uw gebed, weest sterk om pal te staan als Gods Woord naar uw overtuiging een „neen" van u eist. Dat kan offers vragen en dat kan iemand in een hachelijke situatie brengen. Maar — als we Gods Woord mee hebben, hebben we de Heere Jezus Christus, de machtigste Triumphator, mee en dan zal het zijn als bij de profeet: „Vrees niet, want, die bij ons zijn, zijn meer dan die bij hen zijn" (2 Kon. 6 : 16).

Ik heb gezegd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 mei 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Openingswoord op de Jaarvergadering

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 mei 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's