De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Dordtse Leerregels

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Dordtse Leerregels

9 minuten leestijd

Doch zo velen als er door het Evangelie geroepen worden, die worden ernstiglijk geroepen. Want God betoont ernstiglijk en waarachtiglijk in Zijn Woord, wat Hem aangenaam is; namelijk, dat de geroepenen tot Hem komen. Hij belooft ook met ernst allen, die tot Hem komen, en geloven, de rust der zielen en het eeuwige leven.

HOOFDSTUK III/IV Artikel 8

Doch. Zo begint artikel 8. We krijgen dus in dit artikel iets te horen, dat een andere kant der zaak belicht als artikel 7. Daar is beleden, dat het Evangelie niet tot allen komt. In hoeverre zijn wij hier persoonlijk in betrokken? Wel, ik mag aannemen, dat het Evangelie wel gekomen is tot allen, die dit lezen. Wat een bijzonder voorrecht, als wij gelijk gesteld zijn met de Joden, aan wie de woorden Gods waren toebetrouwd. Wat is een mens bevoorrecht als hij of zij bekend gemaakt is met die diepe val en de onuitsprekehjke nood. Wat is een zondaar bevoorrecht als hij mag leven op het erf des verbonds en als Gods Geest in hem gewerkt heeft de onuitsprekehjke ledigheid en de kennis van het Godsgemis en de wetenschap, dat hij van nature een vijand van God is en dat hij tegen al Gods geboden heeft gezondigd. Wat is God vrij in dit werk. Want zo vrij als de Almachtige is in het zenden van predikers waar en wanneer het Hem behaagt, zo vrij is de Heere in het openen van het hart voor het verstaan van de prediking. Wat een wonder als een mens om God verlegen wordt, z'n knieën buigt en roept om genade. Ja, zegt iemand, en wij mensen kunnen er toch maar niets aan doen. Accoord zeg ik, maar de onmacht is toch het ergste niet. Luther heeft geschreven over de knechtelijke wil. De gehele reformatie is het hierin met hem eens. Zij bestrijden allen de vrije wil. Zij bestrijden die om er iets beters voor in de plaats te geven. De reformatie wil ons de inbeeldingen afnemen om in de plaats van de mens en zijn vrije wil Christus te stellen.

In het reformatorisch Christendom is de leer van de gebondenheid van de wil even centraal als in het Duitse Idealisme de leer van de viijheid van de mens. Maar nu het merkwaardige. Men zou denken, dat de mannen en vrouwen, die van harte belijden, dat zij niets tot hun zaligheid kunnen toedoen, erg lijdehjk zouden zijn. De ervaring leert het omgekeerde. Ik wil niet ontkennen, dat sommigen of velen de behjdenis van de knechtelijke wil misbruiken. Maar zij belijden deze leer niet. Zij praten ze na. Maar die deze waarheid van harte be- Hjden werken als paarden en zijn dag en nacht bezig om hun zahgheid te verkrijgen. De schrik des Heeren drijft ze voort (2 Cor. 5: 11). Wanneer iemands ogen zijn geopend voor de heiligheid en rechtvaardigheid Gods, voor zijn eigen grote schuld, voor die schrikkelijke eeuwige hel en voor de verdoemenis, is het onmogehjk een ogenblik stil te zitten.

Wat is het resultaat van al zijn werken? Hier komt weer een merkwaardige zaak. Hij wordt tenslotte al onbekeerder en onbekeerlijker in zijn eigen ogen. Hij krijgt met zijn onvrije wil te doen, hij wordt gereformeerd. Gereformeerd kun je alleen maar door de H. Geest worden. Heel de roomse kerk met Thomas van Aquino voorop heeft de vrije wil geleerd. Hoewel zij ook spraken van Gods genade, ergens diep in zijn wezen verklaren zij de mens vrij. De wil is op het goede gericht. God moet die wil in beweging zetten, maar de richting is al vast goed. Hij is op God gericht. Om nu tot de rechtvaardigmakende genade te komen moet God de vrije wil in beweging brengen.

Wat hebben daartegenover de reformatoren een bijzonder diep inzicht ontvangen in de toestand van de mens. Van jongs af hadden zij gehoord, dat de mens diep in z'n binnenste een wil had, die op het goede was gericht. Maar zij hebben leren belijden, dat zij en alle mensen een wil hadden, die op het kwade gericht is. Hoe heeft Erasmus deze leer bestreden. Hoe is Melanchton er van afgeweken, hoe langer hoe verder. En met hem de grote meerderheid van 't Nieuw- Protestantisme.

En die aan deze leer vasthouden begrijpen haar misschien, tenminste sommigen, verkeerd. Zo dikwijls wordt de leer van de onvrije wil verstaan als de leer van de onmacht om door eigen kracht voor God rechtvaardig te worden. Deze belijdenis gaat echter dieper. Het is niet de bedoeling, dat de mens Gods gebod niet vervullen kan. Dan moesten we de zondaar aUeen maar beklagen. De kern van deze leer is echter, dat de gevallen mens Gods gebod niet houden wil en niet kan willen houden. Hij is een vijand van God en Zijn gebod. De jonge Luther schreef in 1517: „Non potest homo naturaliter veile, deum esse deum, imo vellet se esse deum et deum non esse (De mens kan van nature niet willen, dat God God is. Ja, hij wil dat hijzelf God is en dat God niet is). Zo wil de gevallen mens ook, dat er geen wet is. Het bedenken des vleses is vijandschap tegen God. Wat moet er nu van zo'n vijand van God en Zijn wet terechtkomen? Voor zulke onwilligen en vijanden heeft God de prediking des Woords gegeven om hen tot Zich terug te roepen en hen bij wijze van proclamatie bekend te maken, dat Jezus Christus aan de poorten van de stad Mensenziel staat om zondaren zalig te maken en goddelozen gerechtigheid aan te brengen. Maar de Heere is vrij aan welke groep van Zijn vijanden Hij deze aanbieding wil doen. Het is een groot wonder als deze prediking in een land of in een gemeente komt. Maar het is een oneindig groter wonder als God het hart opent voor de bekendmaking van deze weg der genade. Wat onderscheidt een zondaar, als de Heere anderen voorbijgaat en bij hem blijft staan. Daar is geen onderscheid. „Waarom ook degenen, wien buiten, ja tegen alle verdiensten, zo groot een genade geschiedt, haar met een nederig en dankbaar hart moeten erkennen" ...

En wat moeten de beweldadigden van de anderen denken? Zij moeten daar niet over denken. Zij moeten maar bhjven nodigen tot Christus. En voorts als sommigen in onwetendheid sterven, „moeten zij met de Apostel aanbidden de gestrengheid en rechtvaardigheid van Gods oordelen" ... Wij hadden allen verdiend, dat God ons zou laten in onze zondelievendheid en in ons verzet tegen Hem en in de ongehoorzaamheid. God is streng en rechtvaardig. Dat is Zijn Wezen.

„Hoe groot, hoe vreeslijk zijt G' alom. Uit Uw verheven heiligdom, aanbidd'lijk Opperwezen".

De wedergeborene omhelst al Gods deugden en niet alleen Zijn hefde b.v. Hij zou niet willen, dat hij zahg werd, als daardoor Gods gerechtigheid geschonden moest worden. Zo aanbidt hij de deugden des Eeuwigen, waar hij ze ziet, zonder te vragen waarom de openbaring der deugden verschillend is bij de een of bij de ander. De Heere is vrij en de mens is van gisteren en weet niet. Maar als nu iemand zo'n groot verlangen heeft om van de zonde verlost te worden en om een nieuw mens te worden en om een andere wil te krijgen en om met God verzoend te worden, en de Heere toch zo vrij is hem voorbij te gaan of Zich over hem te ontfermen — wat mag hij denken van de roeping door het Evangelie? Wij noemen dat wel de uitwendige roeping of de algemene roeping. Bedoeld is de roeping, die door de mond van de prediker tot allen komt, die het Evangelie horen. Die roeping luidt: bekeert u en gelooft het Evangelie; komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt; wij bidden u: laat u met God verzoenen; zo waarachtig als Ik leef. Ik heb geen lust in de dood van de goddeloze, maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere en leve.

Kan ik daar nu zonder meer op aan? zo zou men kunnen vragen. Moet m geen rekening houden met het besluit Gods, waarin niet allen tot zaligheid zijn opgenomen? Neen, daar moet ik geen rekening mee houden. Wij voor ons hebben voor de grondslag van ons geloof alleen te maken met de geopenbaarde wil Gods. Wat is de geopenbaarde wil? Dat een iegelijk die in de Zoon gelooft, het eeuwige leven hebbe. Er is geen absolute belofte voor een ongelovige. Maar wel is er de nodiging tot de genade Gods in Christus, dus de nodiging tot Christus te komen. Er is een aanzoek van God om met Hem mee te gaan en zich te laten zaligen. De Heere Jezus sprak: wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen.

Wat hebben wij dan te doen? De Schrift roept tot bekering b.v. in Jeremia 3. Wat is onmisbaar bij deze bekering? „Alleenlijk ken uw ongerechtigheid, dat gij tegen de Heere uwe God hebt overtreden". Deze kennis is een werk van de Heilige Geest. Zou God mij deze kennis willen geven? Daar mag u niet aan twijfelen. Daar valt niets te nemen. Daar valt ook niets te redeneren. Maar er valt alles te bidden en te verwachten. Het kennen van zijn ongerechtigheid is een gave. Zolang Gods Geest ons de ogen niet opent, zien wij de diepte van onze val niet. Maar God zal dit zeker geven, degenen die Hem bidden.

Ik zei: wanneer iemand echt om God en Zijn genade verlegen is, wat mag hij dan denken van de nodiging, de aanbieding van het Evangelie? Hij mag er alleen goed van denken. De uitwendige roeping is ernstig gemeend. God steekt Zijn hand uit tot ieder, die deze roeping hoort. Het is vast en zeker, dat niemand deze hand vast kan grijpen. Niemand ook wil hem .vastgrijpen. Ieder zondaar is op de vlucht voor God. Maar als gij die onuitsprekelijke ledigheid gevoelt en als uw hart schreit om genade, houdt dan vast, dat de Heere u nodigt en ernstig bidt om u te laten zahgen. En als u in uw hart gevoelt, dat gij niet geloven kunt en niet komen kunt en niets kunt, leg heel die onmogelijkheid voor de Heere neer en houdt het Woord der belofte vast, welke belofte des Evangelies verspreidt ligt in vele beloften, die op een zondaar en zijn zaligheid betrekking hebben. Denk aan de evangelieverhalen. Daar is eerst het gerucht, dat Jezus zieken geneest. Dan zijn er de zieken. De gezonden komen niet om genezing. Dan is er het gebed. En dan volgt na korter of langer tijd de genezing. Maar dit laatste is een daad van de Heiland, niet een gevolgtrekking uit daden van de zieken. Zo zij de prediking ons tot de vaste zekerheid: Jezus zaligt zondaren. En er nu op uit. En dan maar bidden en wachten zoals de melaatsen, de blinden, de Kananese vrouw, pleiten en wachten. Het heil is des Heeren, maar die het belooft heeft is getrouw. De Heere roept met ernst, zoals we nog nader hopen te zien.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juni 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De Dordtse Leerregels

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juni 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's