De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De doorstroming naar en het rendement van het V.H.M.O. en het U.L.O. in N.-Brabant

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De doorstroming naar en het rendement van het V.H.M.O. en het U.L.O. in N.-Brabant

5 minuten leestijd

Aldus luidt de titel van een rapport in september 1958 uitgebracht aan het provinciaal bestuur der provincie Noord- Brabant.

Hierin wordt getracht een antwoord te geven op de vraag of met name het v.h.m.o. en het u.l.o. alle kinderen tot zich trekken, die voor het volgen van dit onderwijs geschikt geacht moeten worden. Anders gesteld: beschikt Noord- Brabant nog over een reserve aan niet ontwikkelde intelligentie?

Het instellen van dit onderzoek is mogelijk geworden doordat kon worden beschikt over de resultaten van het onderzoek naar de stand van het lager onderwijs, dat door de Lager Onderwijscommissie in 1952 in Noord-Brabant werd ingesteld. In dit onderzoek werd van ongeveer 6000 leerlingen van de zesde klasse der lagere scholen o.m. de intelligentie gemeten (volgens drie verschillende tests), alsmede de schoolvorderingen (volgens een schoolvorderingstest, die de schoolse ontwikkeling meet).

Men besloot van de genoemde 6000 kinderen de meest intelligente helft te nemen en deze ca. 3000 kinderen nader te beschouwen en te zien, wat er in de vijf jaren van 1952 tot 1957 van hen was geworden.

Men heeft van de schoolvorderingentest 6 subtests genomen, die als het meest representatief waren te beschouwen n.l. geschiedenis, natuurkunde, toegepast rekenen, stillezen, uitdrukken en invuloefeningen. Voor deze 6 subtests bedroeg in geheel Noord-Brabant de gemiddelde score van de jongens 5.38 en van de meisjes 4.58.

Daarom zijn in aanmerking gekomen voor dit onderzoek de jongens met een gemiddelde score 5 en hoger en de meisjes met een gemiddelde score 4 en hoger.

Deze 2976 jongens en meisjes zijn nu onderzocht met behulp van een enquête, waarop verschillende vragen beantwoord moesten worden.

De Schoolkeuze.

Van de onderzochte kinderen blijken 23% van de jongens en 13% van de meisjes tot het v.h.m.o. te zijn toegelaten; het ulo werd gekozen door 33% van de jongens en 35% van de meisjes.

De schoolkeuze verschilt, zoals te verwachten is, naarmate de op de lagere school geleverde prestaties onderling afwijken. Naarmate de l.o.-prestatie beter is richt de schoolkeuze zowel der jongens als der meisjes zich meer op het v.h.m.o. en het ulo tezamen en in steeds mindere mate op een der overige onderwijstypen.

Deze beweging loopt bij de jongens en de meisjes niet geheel parallel, n.l. in zoverre bij de hogere scoregroepen de belangstelling van de jongens voor het ulo afneemt, blijkbaar ten gunste van het v.h.m.o., terwijl deze verschuiving bij de meisjes niet optreedt.

Samenvattend kan gesteld worden, dat er een duidelijke samenhang bestaat tussen de schoolkeuze en de geleverde l.o.prestaties. Deze samenhang gaat echter niet zover, dat de kinderen, die de hoogste testscores bereiken, ook allen de hoogst bereikbare vorm van voortgezet dagonderwijs kiezen. Immers 41% der jongens en 60% der meisjes, die zeer goede l.o.-prestaties leverden (S 8 en meer, resp. S 7 en meer) ontvangt geen middelbaar onderwijs. En 32% van de jongens met een S 7 en 39% der meisjes met een S 6 bezoekt geen ulo of middelb. school. Hierbij werd dus gebruik gemaakt van het gemiddelde der 6 subtests van de schoolvorderingentest.

Er blijkt ook verband te bestaan tussen de schoolkeuze en het oordeel van de onderwijzer omtrent de geschiktheid. Toch moeten belangrijke afwijkingen van het oordeel van de onderwijzer geconstateerd worden. Van de jongens, die geschikt worden geacht voor v.h.m.o. zijn 78% er ook terecht gekomen, voor het ulo is dit 69%, voor het l.t.o. en landbouwonderwijs 65%. Naarmate de geschiktheid voor voortgezet onderwijs geringer wordt geacht, is er vaker van zijn oordeel afgeweken. Van het totale aantal onderzochte jongens heeft 31% een schooltype gekozen in afwijking van het oordeelvan de onderwijzer: 14% is — naar het oordeel van de onderwijzer — te hoog terechtgekomen en 17% te laag.

Bij de meisjes hgt het iets anders: van haar geschikt geacht voor v.h.m.o. zijn er 55% ook terechtgekomen, voor het ulo is dit 75%. 15% der meisjes zijn te laag terecht gekomen en slechts 7% te hoog.

Wordt ook de rangstand der ouders in het gezichtsveld gebracht dan blijkt het volgende.

Naarmate de rangstand sociaal hoger gestratificeerd is, neemt de belangstelling voor de hogere vormen van voortgezet onderwijs toe (vhmo en ulo) en die voor de overige schooltypen (l, t.o., resp. huishoudonderwijs en vglo) af. Hieraan dient ook nog te worden toegevoegd, dat deze schoolkeuzetendensen per rangstand zich ook bij het vhmo afzonderlijk duidelijk manifesteren; de belangstelling voor het ulo evenwel heeft geen duidelijke samenhang met het sociaal milieu.

De milieugebondenheid van de schoolkeuze kan ook nog op andere wijze worden aangetoond. Uit de getallen blijkt, dat de hoofdarbeiders en de welvarende middenstand, die tezamen 34% van de onderzochte jongens omvatten, 74% van het totaal aantal vhmo leerlingen leveren, terwijl uit de groep handarbeiders, 45% van de onderzochte jongens omvattend, slechts 14% van de vhmo leerlingen afkomstig is. Bij de meisjes liggen deze verhoudingen nog scherper: 33% der onderzochte meisjes behoort tot de hoofdarbeiders en welvarende middenstand, doch deze leveren 85% der vhmo leerlingen. Voor de handarbeiders liggen deze percentages resp. op 44 en 7.

Het lager technisch onderwijs vormt in deze de tegenpool van het vhmo. De zoons van de handarbeiders (45% van de onderzochte groep) vormen 74% van de l.t.o. leerlingen.

De geconstateerde afwijking tussen de schoolkeuze en het prestatieniveau op de lagere school, uitgedrukt in de score, moet voor een belangrijk deel worden toegeschreven aan de lagere rangstanden, n.l. aan de kleine middenstand, de handarbeiders en de boeren (voor de jongens alleen de welvarende boeren). Voor wat betreft de verdeling der kinderen over vhmo en ulo onderling, bestaan belangrijke verschillen tussen de rangstanden. In de hoogste rangstanden bezoekt zowel bij de jongens als bij de meisjes het ovegrote deel het vhmo. Naarmate de positie in de sociale hiërarchie lager wordt, verandert de verhouding meer ten gunste van het ulo. Bij de jongens is het percentage vhmo leerlingen in de lagere rangstanden ongeveer felijk aan het percentage uloleerlingen; bij de meisjes is het percentage vhmo leerlingen in de lagere rangstanden zeer gering en in sommige rangstanden vrijwel te verwaarlozen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juni 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De doorstroming naar en het rendement van het V.H.M.O. en het U.L.O. in N.-Brabant

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juni 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's