Israël in Gods heilplan
I
Onder Israël verstaan we de nakomelingen van Abraharn, Izak en Jacob. Jacob ontving bij Pniël de naam Israël. Naar de naam Israël worden zij Israëlieten genoemd. Wij zijn gewoon om te spreken van Joden. Deze naam is afgeleid van Juda. Uit Juda is David voortgekomen en in de volheid des tijds de grote Davidszoon Jezus Christus. De stam van Juda is met het koningschap van David de leidende stam geworden. Na Salomo komt de scheuring in Israël. Er ontstaat naast het Rijk van Juda, waartoe ook Benjamin behoort, in het midden en noorden van het land het tien-stammen Rijk, waarin Efraïm de leidende plaats heeft.
Onder het oordeel Gods worden door de Assyriërs de tien stammen m ballingschap gevoerd, ten oosten van de Tigris, in n.-o. Mesopotamië. Over de verdere lotgevallen van deze stammen ligt een sluier. Niemand weet, waar zij gebleven zijn. Er is nooit een terugkeer van deze tienstammen uit de ballingschap geweest.
Ook Juda is ruim 130 jaar later in ballingschap gegaan naar Babel. Van daaruit is het echter na 70 jaar teruggekeerd. Omdat de teruggekeerden vooral uit de stam van Juda waren, spreken we voortaan meest van Joden.
In 70 na Christus is de grote ballingschap der Joden begonnen. Zij zijn verstrooid geworden onder alle volkeren. Vervuld is daarin de profetie van Mozes in Deut. 28: 64 t.m. 67: „En de Heere zal u verstrooien onder alle volkeren, van het ene einde der aarde tot het andere einde der aarde; en aldaar zult gij andere goden dienen, die gij niet gekend hebt, noch uw vaders, hout en steen. Daartoe zult gij onder die volkeren niet stil zijn en uw voetzool zal geen rust hebben; want de Heere zal u aldaar een bevend hart geven, en bezwijking der ogen en matheid der ziel. En uw leven zal tegenover u hangen; en gij zult nacht en dag schrikken; en gij zult van uw leven niet zeker zijn. Des morgens zult gij zeggen: Och, dat het avond ware! en des avonds zult gij zeggen: Och, dat het morgen ware! vanwege de schrik uws harten, waarmee gij zult verschrikt zijn en vanwege het gezicht uwer ogen, dat gij zien zult".
Israël heeft de maat van zijn zonden volgemaakt in de verwerping van de Christus. Het heeft uitgeroepen: „Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen". Wat is de weg van Israël onder de volkeren een weg van bloed en tranen geweest. Wie de oorlogsjaren heeft meegemaakt, heeft de weg van Israël in de landen van Europa als een weg van bloed gezien.
Hoe letterhjk is Jezus' Woord vervuld uit Matth. 21: 43: „Daarom zeg Ik uheden, dat het Koninkrijk Gods van u zal weggenomen worden en aan een volk gegeven, dat zijn vruchten voortbrengt". Het kruis van Christus is de Joden tot een ergernis geworden en tot een val. Wat is Israël geworden tot een teken van Gods gestreng oordeel. De apostel Paulus kan in Rom. 11 uitroepen: Ziet dan de gestrengheid Gods over degenen, die gevallen zijn.
Is er voor Israël nog een toekomst? Zijn er nog bijzondere beloften voor dit volk? En nu bedoelen wij met deze vraag niet, of Israël als volk onder alle volkeren staatkundig een toekomst heeft. Als een wonder is na de laatste wereldoorlog de staat Israël in Palestina weer opgericht. Velen zien daarin echter alleen een politieke zaak. De oprichting van de staat Israël heeft dan geen enkele betekenis voor de heilsgeschiedenis.
De vraag waar het ons nu om gaat is: of we in Israël nog een bijzondere bedeling van de genade Gods mogen en moeten verwachten.
Het antwoord, dat door vele Christenen in de loop der tijden gegeven is, ook door vooraanstaande, leidende personen, is ontkennend. Neen, zegt men, Israël is alleen maar een teken van God, om Zijn oordeel te tonen. Er zijn geen bijzondere beloften meer voor Israël. In elk geval is van geen bevoorrechte plaats van Israël meer sprake en dit zal ook niet meer geschieden. Het gaat alleen om het „geestehjk" Israël. En dat zijn allen die geloven, dat is de Nieuw-Testamentische gemeente. Paulus schrijft immers in de Galaten-brief 3 : 27 tot en met 29: „Want zovelen als gij in Christus gedoopt zijt, hebt gij Christus aangedaan. Daarin is noch Jood, noch Griek daarin is noch dienstbare noch vrije, daarin is geen man en vrouw. Want gij allen zijt één in Christus Jezus. En indien gij van Christus zijt, zo zijt gij dan Abrahams zaad en naar de beloftenis erfgenamen".
Welnu, zegt men, dan mag men ook niet meer over het uitwendige Israël spreken, maar moet men allen volkomen gelijkstellen. Alle beloften voor Israël moeten op het geestelijk Israël, dat is de Nieuw-Testamentische kerk, zonder meer worden overgebracht.
Wanneer men echter deze woorden zo verklaart, is dat wel de bedoeling van de apostel? Paulus wil hier zeggen, dat een heiden niet eerst Jood behoeft te worden om zalig te kunnen worden, dat een slaaf niet eerst van de slavernij vrij moet worden om vrij in Christus te kunnen zijn. Hij bedoelt niet te zeggen, dat daarna alle onderscheid, dat God stelt, weggenomen is.
Zo legt men in onze tijd deze tekst ook uit, om de toelating van de vrouw tot het ambt te verdedigen. In Christus is noch man, noch vrouw, dus: allen zijn gelijk en hebben gelijke rechten en plichten. Men past in wezen dezelfde uitleg toe, om te verdedigen, dat daarom elke bijzondere roeping en belofte voor Israël afgedaan heeft.
De bekeerde, gelovige man en vrouw houden echter in het heilsplan Gods hun bijzondere plaats als man en vrouw. Wat het zalig worden betreft, zijn ze gehjk. Man en vrouw worden alleen uit genade in Christus zalig. Israël en de heidenen zijn gehjk, wat betreft het zalig worden. Zij moeten beiden gewassen worden in het bloed des Lams. Dan echter blijft het: een gezaligd Israël en een gezaligde schare uit de heidenen. In de Openbaring van Johannes komt telkens dat onderscheid naar voren. Daar zijn in Openbaring 7, eerst de 144.000 verzegelden uit Israël, daarna wordt genoemd de schare uit alle natiën en geslachten en volkeren. Dus: beiden apart genoemd. Let ook op de volgorde: eerst Israël, dan de volkeren. Zo zien we hetzelfde bij de voleindiging. Eerst het nieuwe Jeruzalem. Dan de volkeren, die hun heerlijkheid en eer daarin brengen.
Israël heeft en behoudt een bijzondere plaats in de heilsgeschiedenis. Wij willen dit nog nader bezien.
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juni 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juni 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's