TOT OP DEZE DAG
WIJZE VAN PREKEN
18
Het is wel duidelijk, dat in de wijze van preken in de loop der jaren, ja der eeuwen, heel wat veranderd is. Wij preken niet meer in de trant van onze bekende „oude schrijvers". Misschien zijn er mensen, die bij het horen of lezen van deze bekentenis een weinig ontstellen. In sommige dorpen vindt men er nog wel die met de oude preken weglopen en spreken van: „de oude Waarheid".
Dat die voorliefde voor het oude er hier en daar nog is, blijkt wel uit de boekopkopers, die soms aan de deur komen en u allereerst vragen of u nog „oude schrijvers" op te ruimen hebt. Mijn antwoord moet dan steeds weer zijn, soms tot dezelfde personen: „Neen, ze zijn alle verbrand bij het bombardement van Rotterdam".
Iets van die oude voorliefde kan ik mij wel begrijpen. Ze komt ook voort uit wantrouwen tegenover het nieuwe. Aan het oude weet men dan wat men heeft, zo denkt men; aan het nieuwe niet.
Soms zit er ook nog een soort gemakzucht achter. Men behoeft dan niet te denken: Is het wel de waarheid, die ik lees? Vooral preken met rode hoofdletters stelden dan min of meer gerust.
Intussen is het niet mijn bedoeling, aan de waarde van die oude preken iets af te doen. Integendeel: van de goede oude schrijvers hebben wij heel wat geleerd; althans kunnen leren. Men ging in verlopen jaren heel wat dieper en schriftuurlijker op de dingen in dan heden. Waimeer er nu enigszins andere preekmethoden worden gevolgd, dan wil dat niet zeggen, dat wij de Waarheid, door onze vaderen beleden, niet meer zouden onderschrijven. Wij bedoelen niet onze belijdenisgeschriften als historische stukken te bewaren en intussen de kern er van langzaam maar zeker af te wijzen. Het zijn ook de onze. Alleen geven wij er ons rekenschap van, dat wij leven in een andere tijd dan één of twee eeuwen geleden. Wij moeten nu eenmaal met de tijd mee. Wij zeggen de dingen anders dan voorheen. Onze taal verandert. De toestanden zijn zo anders. Het jonge geslacht is zo heel anders dan in de dagen, toen wij kinderen waren. De kerk stond toen veel meer in het middelpunt van het leven. Het ging alles meer gemoedelijk in de goedige, althans rustige zin van het woord.
Waar alles nu bij de jonge mensen overstroomt en uitpuilt van de problemen, in de dagen van ouds was daar nog geen sprake van. Zeker, ook toen hadden wij onze kwesties. Wij liepen warm over het: voor of tegen gezangen. Wij botsten met ons verstand (door de zonde verduisterd) tegen de uitverkiezing aan en vonden daar de oplossing niet; dat wil zeggen in het verstand niet; zoals de mens die oplossing aldus nooit zal vinden. Tot dat wij ze vonden in de volkomen overgave aan de Heere. Dan hielden onze vragen op en beleefden wij iets van de troost en blijdschap over Gods gedachten des vredes in Christus. Van Karl Barth hadden wij nog niet de minste last en met hem dus ook niet de minste moeite. Wij wisten niet, dat hij later zulk een gewichtig man zou worden en zulke „machtige" dingen zou zeggen, waardoor bijna de hele kerkelijke wereld, die men vroeger „ethisch" noemde (of rechts-vrijzinnig) nu ineens, uit pure instemming met Barth, middenorthodox werd of liever Barthiaans. De man uit Bazel werd als hervormer begroet, die met zijn verkiezingsleer tegenover de praedestinatieleer van Calvijn uitkomst bracht. Nu was men uit de brand: „Christus, de verworpene en wij de verkorenen!" Dat was een slagzin die het deed.
Of anders: „Koning Calvijn is dood; leve koning Barth!"
Nogmaals: dat alles, wat Barth betreft, ging in onze jonge jaren geheel buiten ons om. Wij misten aan hem niets! In onze jeugd gingen wij ter kerk onder gereformeerde prediking, die meestal in drie punten was opgedeeld; „waarna", zo sprak de voorganger, „dan volgt een woord van toepassing".
Meermalen gebeurde het, wanneer de toepassing kwam, er een man opstond, die tot het „amen" van de preek zijn staande houding volhield, waarmee hij feitelijk te kennen gaf, dat met de toepassing zijn beurt was gekomen. Dat andere geloofde hij wel. De tekstverklaring interesseerde hem blijkbaar minder.
Toch week mijn geestelijke leermeester en oom van de gewone regel wel eens af, door midden onder de tekstuitleg een praktische opmerking, aan de tekst ontleend, er tussen te werpen.
Eén opmerking is mij bijgebleven, omdat ik er destijds zeer van schrok. Het was deze: „Jongens van de H.B.S. en het Gymnasium ontzien zich vaak niet, Gods Naam te ontheiligen, als een soort: bravour, met andere woorden: dat durf ik!" Meteen keerde zich het aangezicht van de voorganger naar mijn kant.
Ik schrok wel, want inderdaad gebeurde zoiets nog al eens, maar ik was mij niet bewust, daaraan ook schuldig te zijn.
Toch leerde ik hieruit, om voortaan mij te onthouden, ook van andere hoogheidsuitingen.
Wanneer u mij nu verder vraagt, waarin een andere methode van preken dan eigenlijk moet bestaan, dan kunnen hier verschillende dingen worden genoemd. Wat de taal aangaat, dan zal zeker iets van onze oude, deftige kanselstijl er aan geloven moeten. Natuurlijk mogen wij niet vervallen in het platvloerse. Wanneer wij spreken over de heilswaarheden van Gods Woord, dan doen wij dat met eerbied en ontzag en wij drukken ons niet uit in gezegden van de straat. Een dienaar des Woords, uit welk milieu hij ook voortkomt, is geen marktschreeuwer, maar moet geleerd hebben, zich in beschaafde taal uit te drukken, ook al zou hij menen, zich met ruwe uitvallen begrijpelijker te maken. Het Evangelie staat toch zo hoog boven alle nieuwtjes van de dag.
Verder spreken wij gewoon verstaanbaar Hollands, zoals dat onder ons gebruikelijk is. Als 't u blieft geen preektoon! De gemeente heeft geen behoefte aan eerbiedige schijn. Hoe vele hoorders zijn daardoor al in slaap gezongen.
Ook moeten wij woorden, die uit onze spreektaal verdwenen zijn, niet langer op de kansel angstvallig vasthouden, alsof de zaligheid onzer ziel er van afhankelijk was.
Of menen wij, dat dit sommige mensen nog altijd aangenaam is? Inderdaad zijn er nog, die er naar luisteren, of bepaalde termen en klanken wel in de preek voorkomen. Laat dit zo zijn; wij staan niet op de kansel, om mensen te behagen of in hun eigenwijsheid te stijven. Wij zeggen dus b.v. niet: „Als de Heere iemand komt te bekeren". Broeder, u kunt dat anders zeggen, zó, dat het hetzelfde betekent.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juni 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juni 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's