De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De doorstroming naar en het rendement van het V.H.M.O. en het U.L.O. in N.-Brabant

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De doorstroming naar en het rendement van het V.H.M.O. en het U.L.O. in N.-Brabant

5 minuten leestijd

Schoolkeuze en het oordeel van de onderwijzer.

II. 

De onderwijzer zal in de beoordeling van de geschiktheid voor voortgezet onderwijs rekening houden met het sociale milieu, waaruit de leerling voortkomt. Dit blijkt, door de S-score met het oordeel van de onderwijzer in de verschillende sociale milieus te vergelijken. Er blijkt b.v., dat van de jongens met een S 7 of meer heeft uit de groep hoofdarbeiders 60% het oordeel geschikt voor vhmo ontvangen tegen slechts 28% uit de groep handarbeiders.

Het rapport stelt vast, dat er een evidente samenhang bestaat tussen zowel de S-score als het oordeel van de onderwijzer enerzijds en de schoolkeuze anderzijds, maar dat deze samenhang volgens geen van beide beoordelingskriteria volledig is.

De voorkomende afwijking vindt voor een belangrijk deel zijn oorsprong in de miheugebondenheid van de schoolkeuze. Het feit, dat dit laatste ook van toepassing blijft, wanneer het oordeel van de onderwijzer als beoordelingskriterium wordt genomen, doet vermoeden, dat in het bijzonder in de lagere milieus de kapaciteiten van het kind vaak onvoldoende worden ontwikkeld.

Schoolkeuze en gemeentetype.

Het blijkt, dat de deelname van deze kinderen aan het vhmo en het ulo tezamen in de onderscheiden gemeentetypen niet grotelijks varieert. Bij de jongens zijn de afwijkingen van het gemiddelde (74%) hetzij naar boven, hetzij naar beneden, nauwelijks groter dan 5%. Bij de meisjes zijn de verschillen iets groter, maar ook daar zijn zij weinig belangrijk: de afwijkingen van het gemiddelde (72%) bedragen niet meer dan 7%.

De geringe verschillen wijzen uit, dat de faktor gemeentetype zeker geen grote invloed uitoefent op de schoolkeuze. De kinderen met goede en zeer goede l.o.prestaties uit de plattelandsgemeenten nemen in iets minder mate deel aan het vhmo dan de kinderen uit de overgangsgemeenten en de steden, maar de verschillen zijn zo gering, dat hieruit geen konklusies zijn te trekken.

De vaak gehoorde mening, dat de kinderen uit de kleinere (c.q. plattelands-) gemeenten een relatief sterkere voorkeur voor het ulo dan voor het vhmo zouden hebben, wordt door de analyse van dit materiaal niet bevestigd.

Zowel bij jongens als bij meisjes is het aantal schoolkeuzen vhmo met ulo onder de niet-r.k. niet alleen frekwenter dan onder de r.k., maar tevens is ook het niveau van de schoolkeuze — vhmo tegenover ulo — onder de eerstgenoemden hoger dan onder de laatstgenoemden.

Bij nadere beschouwing blijken deze verschillen te berusten op verschil in sociaal miheu.

Noch de gezinsgrootte, noch het geboortenummer in de grotere gezinnen schijnt een onafhankelijke invloed uit te oefenen op de schoolkeuze.

Schoolkeuze en het advies van de onderwijzer.

Aan sommige leerlingen heeft de onderwijzer bij het verlaten van de lagere school advies met betrekking tot de schoolkeuze gegeven. Dit advies is door de onderwijzer op basis van vrijwiliigheid aan de ouders van het kind — en wellicht op hun verzoek — gegeven. Het spreekt vanzelf, dat de onderwijzer op de schoolkeuze van deze kinderen een grote invloed heeft uitgeoefend. Voor de schoolkeuze der kinderen, wier ouders op eigen initiatief het advies van de onderwijzer hebben ingewonnen is dit advies wellicht doorslaggevend geweest.

Voorzover uit de gegevens van de enquête bhjkt, hebben 878 jongens en 692 meisjes voor hun schoolkeuze het advies van de onderwijzer van de lagere school ingewonnen, d.i. 60% van de onderzochte jongens en 51% van de onderzochte meisjes. Hoe groot de invloed van de onderwijzer op de schoolkeuze is, blijkt uit het feit, dat 764 jongens en 536 meisjes, ofwel resp. 52 en 40% van alle onderzochte kinderen een schooltype hebben gekozen, dat door de onderwijzer werd aanbevolen.

Er bhjkt, dat er een opmerkehjk verschil bestaat tussen de spreiding der door de onderwijzer uitgebrachte adviezen (groep 1) en de spreiding der schoolkeuzen van de kinderen, die geen advies hebben ingewonnen (groep 2). In groep 1 is voor de jongens en meisjes resp. 85% en 89% der adviezen gericht op het ulo of het vhmo.

In groep 2 liggen de overeenkomstige percentages veel lager, nl. 62 en 61. Hieruit valt af te leiden, dat de kinderen met goede en zeer goede l.o.-prestaties, die zich in hun schoolkeuze door het advies van de onderwijzer hebben laten leiden, gemiddeld hogere opleidingen hebben gekozen dan de kinderen, die de onderwijzer niet hebben geraadpleegd. Met andere woorden: de onderwijzer van de lagere school heeft een sterk stimulerende invloed op het volgen van voortgezet onderwijs. De cijfers werpen een verhelderend licht op de achtergronden van de afwijking tussen l.o.-prestaties en de schoolkeuze, welke voor de kinderen met goede en zeer goede schoolvorderingen is geconstateerd. Deze diskrepantie komt voor het overgrote deel op rekening van de kinderen, die van de onderwijzer geen advies helaben ontvangen. Met andere woorden, als alle kinderen met goede en zeer goede schoolprestaties zich in hun schoolkeuze hadden laten adviseren door de onderwijzer, zou de deelneming van deze kinderen aan het ulo en het vhmo ongetwijfeld veel hoger zijn geweest.

Er is nu gebleken, dat als onafhankelijk werkende omstandigheden voor de schoolkeuze alleen reële betekenis hebben het sociaal milieu en het advies van de onderwijzer.

De diskrepantie tussen de schoolkeuze en de hogere l.o.-prestaties is goeddeels te herleiden tot de werking van het sociale milieu in dier voege nl., dat de kinderen met goede en zeer goede l.o.-prestaties in de hogere sociale miheus vrijwel aUen een ulo- of een vhmo-opleiding ontvangen tegen slechts ongeveer de helft in de lagere sociale miheus, m.a.w.: het zijn voornamehjk de lagere sociale miheus, die voor de genoemde diskrepantie verantwoordelijk zijn.

De kinderen uit de lagere sociale miheus, die zich in hun schoolkeuze door het advies van de onderwijzer hebben laten leiden, hebben voor het overgrote deel een ulo- of vhmo-opleiding gekozen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juni 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De doorstroming naar en het rendement van het V.H.M.O. en het U.L.O. in N.-Brabant

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juni 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's