De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het Nieuwe Testament

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het Nieuwe Testament

12 minuten leestijd

Vervolg 1 Cor. 11 : 10.

12

Ditmaal willen wij nog eens bezien die uitdrukking in onze tekst: „om der engelen wil".

Het ligt wel het meest voor de hand, hier te denken aan de goede, niet gevallen, engelen. Maar wat betekent deze uitdrukking dan en wat bedoelt Paulus daarmee?

Het behoort stellig niet tot een te ver gaande fantasie, wanneer wij zeggen, dat ook de goede engelen in de vergaderingen der gemeenten aanwezig kunnen zijn. Niet alleen de kwade, ook de goede engelen gaan, om zo te zeggen, ter kerk.

Immers, wij moeten bedenken, dat de Heilige Schrift op meerdere plaatsen ook van déze engelen spreekt. Zij zijn ook door God geschapen wezens. En het heeft de Vader behaagd, alles te scheppen door de Zoon, het Woord. Ook de engelen. Zo zijn dezen in bijzondere zin aan de Zoon onderworpen. De Zone Gods is een Heere der engelen. En dit is Hij vooral, nadat Hij ook als de Middelaar, in ons vlees, het werk der verzoening en verlossing tot stand gebracht heeft, tot zahgheid der uitverkorenen, tot herschepping van deze aan de dood onderworpen wereld, tot bijzondere glorie van de Naam van Zijn Vader. Daarom gaf de Vader Hem een Naam boven alle naam en is Hij ook in bijzondere zin de Heere der engelen.

Dezen vormen als het ware Zijn hofstoet. Wij denken hier aan Zijn woord tot Nathanaël: „Van nu aan zult gij de hemelen geopend zien en de engelen Gods opklimmend en nederdalend op de Zoon des Mensen". Tijdens Zijn omwandeling op aarde in Zijn vernedering, treden zij ook op. Bij Zijn geboorte zingen zij in Efratha's velden, na Zijn verzoeking dienen zij Hem, in Gethsemané komt er één, om Hem te ondersteunen. En daarna, bij Zijn opstanding, daalt er één uit de hemel neder om de deur van het graf te openen en bij Zijn hemelvaart halen zij Hem juichend binnen in de hemelse heerlijkheid. Steeds hebben zij een dienende taak in de belangrijke momenten van de uitoefening van Zijn Middelaarsambt. Wij mogen het ons echter stellig zó voorstellen, dat zij na Zijn verhoging bijzónder Hem omgeven. Nu Hij is ingegaan in Zijn koninklijke hofstaat, past het ook, dat zij Hem als Zijn koninklijke hofstoet dienen bij Zijn werk in Zijn verhoging, dat immers inhoudt toepassen, vrucht doen dragen wat Hij in Zijn vernedering verworven heeft. Zo zullen zij Hem weer omstuwen, als Hij éénmaal weder zal komen op de wolken.

Wij mogen zeggen, dat zij steeds om Ghristus heen zijn. Waar Hij is, daar zijn zij. En nu is Hij in Zijn verheerlijkte menselijke natuur in de hemel, daar zijn ook zij in bijzondere zin. Doch Hij is ook nog op de aarde, op een andere, maar niet minder reële wijze, met Zijn Geest, genade, majesteit en macht; — naar Zijn eigen belofte, daar, waar twee of drie in Zijn Naam bijeen zijn. Dus ook daar, waar Zijn gemeenten samenkomen en Zijn Woord recht gepredikt wordt en de Sacramenten bediend worden naar Zijn instelling. En waar Hij aanwezig is, daar is ook Zijn hofstoet aanwezig. Ook zij komen in de samenkomsten der gemeenten.

't Is op zichzelf wel eens goed, aan dit alles te denken. Wij denken weleens te weinig aan de engelen en aan hun werk. Natuurlijk willen wij niet op de lijn van Rome komen, die in bepaalde zin rekening wil houden met beschermengelen. Wat een tekort doen betekent aan de geheel enige betekenis van het Middelaarschap van Christus. Doch dit neemt niet weg, dat de Heilige Schrift zelf er ons meerdere malen van spreekt, dat toch de engelen wel in bijzondere zin in dienst staan van hun Heere en zo kunnen optreden ten bate van de andere schepselen, met name van de mensen. Zij worden uitgezonden, ter bescherming van die God vrezen. Psalm 34 en 91, of om het Woord Gods aartsvaders en profeten over te brengen. Zij moeten Petrus uit de gevangenis leiden en Paulus op reis naar Rome vóór de schipbreuk bemoedigen. Ook ten nadele van de andere schepselen, met name van de mensen, kuimen zij moeten optreden. Na de zondeval moeten zij in het paradijs de weg naar de boom des levens afsluiten; vóór de uittocht uit Egypte van de kinderen Israels treffen zij de eerstgeborenen der Egyptenaren; in de dagen van David voltrekken zij het oordeel Gods over Israël.

Wij denken hier ook aan de gelijkenis van Jezus van de verloren penning. „Er is blijdschap", zegt Jezus, „in de hemel vóór, ónder de engelen Gods, over één zondaar, die zich bekeert". Dit mag gelden als een bewijs, hoe zij ook belang stellen in de toebrenging en het heil van zondaren, juist omdat hen ook de ere van hun Heere zo ter harte gaat. Zullen zij dan op een afstand bHjven, als de gemeente samenkomt, waar het Woord en de Geest uitgaan en Christus bezig is om Zijn gemeente te vergaderen en te bouwen?

Intussen, nu rijst de vraag, — als wij dan moeten aannemen, dat de engelen meeleven met het leven en met de samenkomsten der gemeenten, in welke zin heeft de apostel het hier over hen? Welk verband is er tussen zijn voorschrift, dat de vrouwen een macht op het hoofd moeten hebben, en dat zij in zijn dagen als teken van hun plaats en positie de sluier moeten dragen, én die engelen? Wat heeft dat met de engelen te maken en wat hebben die engelen met dat voorschrift uit te staan? Er zijn uitleggers van de Heilige Schrift, die zeggen, dat Paulus zou bedoelen de vrouwen in de gemeente de vermaning mee te geven, dat zij toch acht zouden geven op het voorbeeld der engelen. Dezen doen, naar de Schrift, uit eerbied voor de majesteit Gods de vleugelen voor hrm aangezicht. Als zij, heilige, hogere, schepselen, zich zo bedekken voor de heilige God, dan zeker de vrouwen in de gemeente! Toch bevredigt deze verklaring geenszins. Immers, zou het hier gaan om de kwestie van eerbied, dan zou dit niet alleen de vrouwen maar ook de mannen moeten gelden. Waarom dan deze vermaning alleen aan de vrouwen? Bovendien geldt van déze verklaring eveneens: zij draagt een gedachte in het verband in, welke daarin helemaal niet past.

Neen, dé uitleg van deze uitdrukking van Paulus is stellig een andere. Wij zeiden reeds dat de engelen in dienst staan van hun Heere, dat zij ook uitgezonden worden in die dienst. Welnu, wij mogen zeggen, dat zij immers ook aanwezig waren bij de schepping van de aarde en van de mensen. Ook daarin hebben zij, nadat zij zelf geschapen waren, meegeleefd en ook toen al was er heilige vreugde bij hen en verheerlijkten zij God, Die alles zo schoon maakte! Job 38, het majestieuze hoofdstuk over de grootheid Gods in de schepping, spreekt ons daarvan. Zo zijn zij eveneens getuigen geweest van de schepping van de man en de vrouw, hoe de vrouw uit de riian genomen werd. Zij hebben geweten van de scheppingsorde Gods, als schoon en heilzaam voor het leven. Zouden zij er nu niet acht op geven, dat deze orde wordt geëerbiedigd en niet wordt overtreden? Hoe zijn deze heilige engelen vervuld van de heiligheid en onkrenkbaarheid van het recht Gods. Niet voor niets sluiten zij na de val het paradijs voor de mens af. En als de Heere Zijn werk der verzoening zal werken in deze wereld, zijn zij begerig om daar in te blikken, op welke wijze dat geschieden zal met volle handhaving van dat recht Gods! En niet voor niets zijn zij zo verheugd, als zij aanschouwen mogen hoe in Christus die verzoening tot stand is gebracht met volledige handhaving van het recht Gods! Zullen zij dan nóg niet bewogen zijn om de eerbiediging van dat recht Gods? De mens moest daarvan vervuld zijn op aarde en wat is daar door de zonde van geworden? Doch deze heihge engelen Gods zijn het. En zo letten zij er ook in de gemeenten, — juist in de gemeenten, die weten van verzoening en verlossing —, op, of ook daar die orde wordt nagekomen. En daar valt die verhouding van man en vrouw niet buiten.

En daarom zegt Paulus, dat de vrouw zich zo vertonen moet, zoals hij dat verder beschrijft in 1 Corinthe 11, om der engelen wil!

Als wij hem dat zo horen zeggen, bepaalt ons dat er weer bij, hoe hij alles toch in groot verband ziet! Was dat afleggen van die sluier door de vrouwen in de samenkomsten der gemeente nu zo erg? Maar de dingen staan meestal niet op zichzelf. Ook déze zaak immers niet. Er kon in tot uiting komen een zondige emancipatiezucht en een willen doorbreken van de door God Zelf gestelde orde. Daartegen waarschuwt de apostel. En nu laat hij goed gevoelen, met wie de gemeente te maken heeft. Daar is niet alleen de onderlinge verhouding van mens tot mens, maar men heeft met God en met Zijn Christus te doen. De ganse hemel let op wat in de gemeente en in de verhoudingen van mens tot mens aldaar gebeurt. Wordt daar geleefd naar de wil en tot eer des Heeren? En zo heeft de gemeente zelfs te maken met de engelen, als trouwe dienaren Gods. Zij geven er ook acht op! Ja, zij doen dit nog temeer, omdat immers in hun midden ook éénmaal die zondige emancipatiezucht zich heeft geopenbaard. Door God als goed geschapen engelen zijn ongehoorzaam geworden. Die wilden ook niet meer de door God gestelde orde en gezagsverhouding erkeimen. Die gingen eveneens revolutionair te werk met alle gevolgen van dien!

Intussen, als dan de gemeente door zulke getuigen omgeven wordt, mag zij wel toezien, hoe het in haar hart, maar ook in haar uitwendige levensopenbaringen gesteld is. En nu moeten wij weer onszelf hierbij betrekken. Wij zagen immers reeds, wat wij in onze situatie uit dit gedeelte van 1 Corinthe 11 kunnen Ieren. Het houdt een waarschuwing in tegen die zondige emancipatiezucht, dat wij niet erkennen zouden de ordeningen en het gezag, door God gesteld. Dat kan zich uiten in de mode en in de kleding, maar ook anders. En niet alleen vrouwen, doch ook mannen kunnen zich daaraan schuldig maken. Wij herhalen het hier nog even: als iemand niet waarachtig buigt voor 't Woord, doch liever zijn eigen weg en zinnen volgt, als iemand niet gelovig bezig is met dat Woord, doch het rustig naast zich neerlegt, als iemand opgaat in de tijdelijke dingen, in de zucht naar levenswelvaart en - veraangenaming, en de eeuwige dingen terzijde schuift, als iemand slap is in de kerkgang, in het lezen van het Woord en in het gebruik van de Sacramenten, zonder daar last van te hebben, als iemand op het brede terrein van het maatschappelijke en sociale leven de eisen van het Woord niet gelden laat, omdat ze hem minder passen, wat is dat alles anders dan zich schuldig maken aan bet kwaad, waar de apostel in dit gedeelte voor waarschuwt? En wie vindt de neiging daartoe niet in zijn hart? Eén is er. Die het anders maakt in ons hart en in onze levenspraktijk. God Zelf door Zijn Heilige Geest! Zo gaat het er om, dat dit kwaad door Zijn genade bestreden en overwonnen wordt, en dat wij er zo blijk van geven, wél voor Zijn gezag te buigen, innerlijk én in onze levenspraktijk. Dat is niet gemakkelijk, integendeel. Maar wel zegenrijk.

En hierbij moeten wij steeds weer bedenken, in welke belangrijke situatie wij verkeren. Mensen letten op ons doen, doch ook de engelen. Zij, die blijdschap smaken om één zondaar, die zich bekeert, zijn bedroefd, als de orde en het gezag, van God gesteld, doorbroken worden, doch zij zijn verheugd, als die met liefde geëerbiedigd worden.

De engelen zijn dus mede-getuigen, toeschouwers bij het leven in de gemeenten. In wat Paulus zegt, hgt vooral opgesloten, dat zij dat zijn bij de samenkomsten der gemeente. Dit laten wij nog even extra op ons inwerken. Wat krijgt het alles zo een geweldige betekenis! Wij zijn daar samen. Doch Christus is daar ook, om Zijn werk te doen, in Zijn Woord, door Zijn Geest. Oók de machten der duisternis zijn er, om dat werk in de weg te staan, om ons af te leiden en tot andere gedachten te brengen en in het ongeloof te stijven. Echter, óók de engelen zijn er. En zij geven er acht op, hoe wij het Woord ontvangen. Is daar een luisteren en een ontvangen met een geopend hart, is daar oprechte droefheid over de zonde, maar ook bekering; zijn daar werkzaamheden van het oprechte geloof en de vruchten der liefde? Of niet? En voor onze gedragingen in de samenkomsten der gemeente, en voor heel ons leven geldt het, dat wij een hoge roeping hebben „om der engelen wil". Naar een ander woord van Paulus, in Efeze 3 vers 10, hebben wij de veelvuldige wijsheid Gods bekend te maken aan, uit te stallen voor, de overheden en machten in de hemel. Hier bedoelt hij wel vooral de goede engelen. Wanneer wij van harte voor het Woord buigen, geloof en liefde betonen, in ons innerlijk leven en in onze levenswandel, stallen wij iets uit van de grootheid Gods, hoe Hij niet alleen de mens éénmaal schiep naar Zijn wil, doch ook, hoe Hij ons, zondaren, wederbaarde tot die wil! En de engelen, dat ziende, aanbidden en prijzen er hun Heere om. En zo wil God Zich lof en ere toegebracht zien, in hemel en op aarde. En daar gaat het toch ten hoogste om!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juni 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Uit het Nieuwe Testament

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juni 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's