De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

TOT OP DEZE DAG

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

TOT OP DEZE DAG

7 minuten leestijd

Vervolg van:WIJZE VAN PREKEN

19

Ook spreken wij niet van „in het geheng" van Gods lankmoedigheid, want bijna niemand in onze dagen weet nog, wat deze uitdrukking betekent.

Laten wij toch niet zo bang zijn voor woordverandering. Woordverandering is immers nog geen beginselverandering. Behoeft het althans niet te zijn.

Hetzelfde geldt van vele dogmatische uitdrukkingen. Wij zijn niet klaar meer met een door en door dogmatische preek, waarin de puntjes buitengewoon op de „i" gezet worden. Wij kunnen menen, dat wij die of die keer toch zo zuiver gereformeerd gepreekt hebben, terwijl wij niet beseffen, dat de preek zelf over de hoofden der jongeren heenging.

Wees vooral voorzichtig met uw terminologie. Noemt u zulk een term, verklaar hem dan vooral nader, want die jeugd! die jeugd! Die moet waarlijk aan- esproken worden in de prediking van het Woord. Dogmatische benamingen interesseren hen niet meer, tenzij men ze uitlegt in de taal van deze tijd.

Bovendien (en nu zeg ik misschien wel iets gevaarlijks), dingen, die 50 of 100 jaar geleden nog belangrijk waren, zijn dat nu niet meer. Wij moeten oog hebben of krijgen voor de grote lijnen, voor de eigenhjke kern van het Evangelie van Christus. Voor hetgeen ons waarhjk één maakt. Daarom is al dat geharrewar over bijzaken vaak ook wat dwaas. Kunnen wij het dan niet samen vinden binnen het raam onzer Belijdenisgeschriften?

Overigens voel ik er weinig voor, mij voor een dogmatische formulering warm te maken. Immers, die formulering was en bleef een menselijke en brengen wij nu onze tijd door met twisten over bijzaken, dan zou men op ons kunnen toepassen, wat een Romein in de oudheid eens zei van zijn senaat: „Terwijl de senaat beraadslaagt, gaat Saguntum verloren". Dat wil zeggen: terwijl wij vaak ons opwinden over klein-kerkelijke aangelegenheden, loopt de christelijke kerk, door vijanden omsingeld, het grootste gevaar. Is de kwestie: „onderwerpelijk-voorwerpelijk" nog belangrijk? Wat er mee bedoeld wordt, zeer zeker! Men zou trouwens ook van „subjectief-objectief kunnen spreken.

Het is niet de bedoeling, hierover een uitvoerige behandeling te geven. Toch móeten wij wel even vragen: Wat is nu eigenlijk bevindelijk? Wat is bevindelijk preken? Letterlijk: het preken bij ondervinding. Er is een tijd geweest, waarin onze gereformeerde gemeenten er sterk op stonden, om „bevindelijke dominees" te hebben. Men wilde niet alleen de Waarheid horen, maar ook, zoals men dat noemde: de „waarheid achter de Waarheid". Jonge gereformeerde predikanten werden nog al eens afgekeurd, niet omdat zij de Waarheid niet verkondigden, maar vooral omdat zij weinig termen hadden en over zich zelf en hun eigen bekering niets vertelden.

Als men de volksmond in die gemeenten zo hoorde, dan verstond men onder bevindelijk preken het opnoemen van verschillende kenmerken, van bepaalde periodes, die men doorlopen moest; van toestanden, waarin men op de weg ten leven kan verkeren. Alle dominees, die zó preken, worden in die gemeenten nog wel bevindehjke dominees genoemd, afgezien daarvan of zij deze dingen zelf beleefd hebben of niet.

U voelt wel, dat hierin een groot gevaar ligt, vooral voor jongere predikanten. Men komt er op die manier in bij „het volk". Bovendien is het vrij gemakkelijk, naar deze regel te preken. Men verkondigt eenvoudig, wat ouderen doorleefd hebben. Zij zelf blijven er heel voorzichtig buiten en op hun standpunt zijn ze niet eens oneerlijk. Alleen, wat blijkt hier dan? Dat die zogenaamd bevindelijke of subjectieve predikers eigenlijk objectief zijn in het weergeven van hetgeen op de weg ten leven ondervonden wordt. Men neemt eenvoudig de spraak en het taaleigen der ouderen over, met dat gevolg, dat men soms jonge predikanten hoort preken alsof zij zeker reeds vijfentwintig jaar dominee waren.

Heeft zon jonge man dan geen eigen overtuiging van de Heere ontvangen? Een jong mens moet niet doen of hij oud is, en evenmin een jonge dienaar des Woords.

In de christenprediking (in plaats van Christusprediking) liggen de dingen nog weer anders. Hier haalt de voorganger er zich zelf bij in op een wijze, die de aandacht der kerkgangers op hem vestigt in plaats van op Christus, zodat de mensen zeggen: „Wat leeft die man er al inl"

Mag dan een evangeliedienaar niet vertellen, wat hij zelf waarlijk ondervond aan eigen ziel, van Gods grootheid in Christus? Zeker mag hij dat en moet hij dat. Paulus heeft zich ook eens verantwoord voor Agrippa en daarbij verteld zijn bekering op weg naar Damaskus. Maar in 2 Cor. 12 zegt hij weer: „Te roemen is mij waarlijk niet oorbaar".

Er is immers ook een gezonde bevinding door de Heilige Geest, uit het Woord geput en daarop gegrond. Daarin valt de mens geheel weg en krijgt God alleen de eer.

Want de Heere heeft Zijn volk niet herschapen in Christus, om te zwijgen maar om te spreken en Zijn lof te vertellen. Om, zoals Johannes de Doper dat kende, van zich zelf af te wijzen en naar Christus heen te wijzen. De Heere wil van Zijn dienaren menselijke handwijzers maken op de weg naar de hemel, maar nu gaat het toch niet aan, dat die mens ah handwijzer de aandacht op zich zelf zou gaan vestigen.

In het Zuider-Schwarzwald in Duitsland ziet u hier en daar bij de wegscheidingen handwijzers staan met prachtige figuren, in hout uitgesneden. Het zijn soms ware kunstwerken en de voorbijganger wordt er zó door geboeid, dat hij de aanwijzing van de richting er door vergeten zou. Zó moet het nu bij de dominees niet zijn. Ze moeten niet door allerlei dingen de aandacht aftrekken van het doel der reis, maar integendeel: die aandacht er juist op vestigen. 

Als wij zó leren preken, dan kunnen sommigen, die extra diep willen zijn, wel zeggen: „dat zijn onbevindelijke dominees!" Maar geen nood! Er liggen wel eens diepten, waar mensen oppervlakkigheid veronderstellen. 

Of wat dunkt u van deze tekst, 1 Cor. 2:2, waar Paulus zegt: „Doch ik wens van geen ding onder u te weten, dan van Jezus Christus en Die gekruisigd?  Als wij niet wisten, dat dit een tekst van Paulus was, zouden wij misschien denken: „Wat een onbevindelijk woord! Dacht u dat? Maar wat staat er eigenlijk in het oorspronkelijke? De Nieuwe Vertaling heeft hier: „Ik heb besloten, van geen ding te weten". 

In het Griekse woord, dat er oorspronkelijk staat, vinden wij het woord: „crisis" terug. Met andere woorden: Paulus heeft er een geestehjke crisis voor doorgemaakt, eer hij tot die slotsom kwam. Daarin ligt dus eigenlijk zijn hele bekering.

Ik geloof, dat de bevindingskwestie heel wat eenvoudiger is, dan ze vaak wordt gemaakt. En als u vraagt, wat bevindelijke prediking is, dan wil ik vrijmoedig zeggen: Wanneer een dienaar des Woords eenvoudig predikt zijn innerhjke overtuiging; wanneer hij zelf ondervond, .wat er op de weg des heils wordt doorgemaakt en van 's Heeren wege gesmaakt; wanneer dat ter bemoediging en aanwijzing aan anderen wordt doorgegeven, dan zal dat gezonde, onderwerpelijke prediking zijn, waarin God de ere ontvangt en een mensenziel voedsel in vindt.

Hier moeten wij dus van twee kanten gewaarschuwd worden, èn voor subjectivisme èn voor objectivisme.

De tekstuitlegging zal in zulk een preek een voorname plaats innemen, want Gods Woord is er, om uitgelegd te worden. Uit dat Woord wordt dan de toepassing genomen. Op deze wijze zal ze altijd nieuw en fris bhjven en geen passe-partout worden dat men, onverschillig welke tekst ook, overal wel achter kan zetten.

Van de tekst zelf zal het intussen ook afhangen of de preek een meer bevindehjk karakter zal krijgen.

De strikt voorwerpelijke prediking behoeft daarom nog niet onzuiver te zijn, vooral dan niet, waimeer zij bijbels is en toch voldoet ze niet. De prediking van het Evangelie bestaat toch niet in een koele neutrale weergave van de heilsfeiten, maar in een door de H. Geest ontstoken warme weergave, waarin uit de overvloed des harten de mond spreekt. Wie er zelf deel aan heeft, zal ook door God bekrachtigd worden om te getuigen. De liefde van Christus zal hem dringen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juni 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

TOT OP DEZE DAG

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juni 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's