De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE Dordtse LEERREGELS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE Dordtse LEERREGELS

11 minuten leestijd

HOOFDSTUK IlI/IV Artikel 8

Doch zovelen als er door het Evangelie geroepen worden, die worden ernstiglijk geroepen. Want God betoont ernstiglijk en waarachtiglijk in Zijn Woord, wat Hem aangenaam is; namelijk dat de geroepenen tot Hem komen. Hij belooft ook met ernst allen, die tot Hem komen, en geloven, de rust der zielen en het eeuwige leven.

De remonstranten hebben gezegd, dat in het geheel van de gereformeerde leer de uitwendige roeping haar waarde verliest. De mens kan immers niet geloven. Ik heb de vorige keer opgemerkt, dat het een schuldige onmacht is, omdat de wil des mensen tegen God gekeerd is. De uitwendige roeping brengt deze onwil aan het licht. Waar kan men de onwil aan zien? Hieraan, dat de mens van nature aan de roeping voorbij gaat. Hij slaat er geen acht op. Hij wil niet komen. Ja maar, luister eens, zegt de remonstrant, als God niet voorgenomen heeft alle hoorders met een onwederstandelijke kracht te roepen handelt dan God wel ongeveinsd als Hij Zijn genade alle hoorders aanbiedt? Zij noemen het een tegenstrijdigheid, dat God iemand zou roepen tot zaligheid en niet besloten heeft hem te geven wat nodig is, opdat hij zich bekere en gelove.

Is deze roeping van Gods zijde dan wel oprecht en welgemeend? Hiertegen verzekert artikel 8: „Zovelen er door het Evangelie geroepen worden, die worden ernstiglijk geroepen". Het is goed, dat iedere lezer zich van deze uitspraak rekenschap geeft, want zij betreft hem. En dat geldt ook voor iedere lezeres. Of wij uitverkoren zijn ten eeuwigen leven weten wij uit onszelf of uit .de Schrift niet. De laatste jaren heb ik wel de uiterste moeite moeten doen om in de bekende commissie, die een verklaring over de uitverkiezing zou opstellen, de gedachte tegen te staan, dat iedere kerkganger uit het feit van de uitwendige roeping mocht concluderen, dat hij uitverkoren was. In de Schrift staat echter het tegendeel: „velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren" (Matth. 22 vers 14).

Wij spreken van uitwendige roeping. De Schrift gebruikt deze uitdrukking niet, maar spreekt in deze tekst wel van een roeping, die niet krachtdadig is. De grote opdracht, die de Kerk meekreeg voor de verkondiging van het Evangelie veronderstelt, dat er geroepen zullen worden, die niet zullen komen. Van daar de bedreiging: „Die niet geloofd zal hebben zal verdoemd worden".

De algemene roeping wordt vergezeld van een algemene werking des Geestes. Het woord der prediking is nooit zonder de Heilige Geest. Daardoor kon Stefanus tot het Sanhedrin zeggen — nadat hij uitvoerig getekend had hoe onwillig Israël was geweest tegenover de prediking der profeten — „Gij wederstaat altijd de Heilige Geest".

Wie dus het Woord Gods hoort, maar de oproep tot bekering en geloof ver­ werpt, weigert niet alleen bepaalde feiten en uitspraken te geloven, maar wederstaat de algemene werking des Geestes, die verbonden is met de uitwendige roeping. Deze is dus schuldig aan hardnekkige ongehoorzaamheid. Jezus zeide: „Gij hebt niet gewild". Zich niet bekeren en niet geloven nadat het Evangelie ons zo ernstig gepredikt werd, is een zeer ernstige zaak. Daardoor vergaderen wij ons toorn als een schat in de dag des toorns.

Maar de mens kan zich toch niet bekeren en geloven? Dit doet niets af aan zijn verantwoordehjkheid. Ons niet-kunnen is een weigering. Jezus zeide: „Die niet hebben gewild, dat Ik over hen zou Koning zijn" (Lucas 19 : 27). Wat betekent dit nu voor elke hoorder van het Evangehe? Dat gij tot u zelf moogt zeggen: God roept mij. Hij spreekt mij aan. Hij buigt Zich tot mij neder om mij Zijn wil bekend te maken. Dat Hij mij roept meent de Heere ernstig. Hij' heeft geen lust in mijn eeuwige en geestehjke dood. Dit betreft mij. God wil, dat ik kom.

Welnu, zegt iemand, als God dat wil, zal het ook wel gebeuren, want Hij is machtig mij te noodzaken tot Hem te komen. Dit nu mogen wij op deze plaats niet zeggen. Het gaat hier niet over de almacht Gods en het gaat niet over Zijn verborgen besluit. Om God te verstaan, zoals Hij in Zijn Woord spreekt, moeten wij luisteren en ook opmerkzaam vragen naar de orde in.'s Heeren woorden. Wat de Heere gaat doen of besloten heeft te doen, als wij weigeren, is nog niet aan de orde.

Dus God roept u. En dan nog wat. De Heere is zeer bedroefd, als u weigert. Jezus weende over het weigerachtig Jeruzalem. God bezweert dat Hij geen lust heeft in de dood van de goddeloze. De Heere breidt Zijn handen uit de ganse dag tot een wederstrevig volk. In Psalm 81 : 14 klaagt de Almachtige: „Och, had Mijn volk naar Mij gehoord".

Nog eens zegt nu misschien deze of gene: Maar wie kan dan God wederstaan? Waarom klaagt de Heere? Hij kan toch Zelf die stijve nek buigen? Hierop antwoordt Calvijn: „Men moet geen dingen met elkaar vermengen, die zover van elkaar verwijderd zijn, als hemel en aarde". Die twee dingen zijn: de algemene roeping op aarde en de eeuwige verkiezing in de hemel. Deze twee moet men niet met elkaar vermengen.

Wat voor nut heeft het, dat men Gods ernstige uitnodiging en roeping gelooft? Dat God geëerd wordt en een arm zondaar vertroost. Want als er nu onder mijn lezers één zou wezen, die Gods barmhartigheid begeert, dan mag hij weten, dat de Heere die gaarne wil schenken.

Calvijn vraagt in Institutie III, 24, 17: „Strijdt het nu, dat God gezegd wordt van eeuwigheid af geordineerd te hebben, wie Hij met Zijn hefde omheben, en tegen wie Hij Zijn toorn oefenen wil — en dat Hij allen, zonder onderscheid, de zahgheid verkondigt en voorstelt? Ik zeg voorwaar dat ze zeer wel overeenkomen. Want als Hij in zulker voege Zijn

beloften doet, zo wil Hij niet anders aanduiden, dan dat Zijn barmhartiglieid openstaat en bereid is, voor al degenen die maar dezelve begeren en verzoeken, 't Wek geen anderen doen, dan alleen die, die Hij verliclit".

De orde is dus van belang. De uitwendige roeping is eerst. Zij komt tot allen, die bet Evangelie horen. Waarom tot allen in 't gemeen? Calvijn zegt: „Hij doet zulks opdat de gewetens der godvruchtigen te vreedzamelijker zouden rusten, wanneer zij verstaan, dat God geen onderscheid maakt tussen de zondaren, zo ze maar geloof hebben, en opdat de goddelozen niet zouden klagen, dat ze geen toevlucht hebben". Ja maar, hoe kan God nu allen uitnodigen en ernstig aller behoudenis willen en toch de goddelozen verdoemen en hun harten niet vernieuwen, hoewel hij de Almachtige is? Om dit te begrijpen, zegt Calvijn, is ons verstand nog te klein.

Waartoe roept God nu? Roept Hij om te geloven dat Christus voor alle mensen gestorven is en dat ieders zonden verzoend en vergeven zijn? Neen, want dat is, volgens de Bijbel, niet waar. Als Christus in de plaats van ieder gestorven was, zou er niemand verloren kunnen gaan. Wat is dan de inhoud van de ernstige roeping? Waartoe wordt iedere hoorder geroepen? Artikel 8 zegt: Het is Gode aangenaam dat de geroepenen komen. Wat is komen? Dat is: zich verootmoedigen voor God. Sommigen zeggen, dat de gereformeerde prediking, die in overeenstemming met Schrift en belijdenis gebracht wordt, geen appèl heeft. Zij bedoelen met appèl een oproep om te geloven, dat je uitverkoren bent of dat de Heere Jezus voor je gestorven is en dat je zonden vergeven zijn. Wanneer dit de inhoud van de prediking zou moeten zijn, was ieder mens gered. Het al of niet geloven zou daar niets aan veranderen. Wanneer Christus voor mij en in ihijn plaats de tijdelijke, geestelijke en eeuwige dood is ingegaan, is het uitgesloten, dat ik datzelfde vonnis zou moeten ondergaan. Als ik uitverkoren ben tot het eeuwige leven kan niemand mij daar van af houden. Dan zou het geloof aan de stand van zaken alleen dit veranderen, dat ik de troost er van heb. Maar als ik niet bedroefd ben over mijn zonde, heb ik die troost nog niet eens nodig. Wie oproept om te geloven, dat Christus in mijn plaats gestorven is, daar Hij immers in de plaats van allen stierf, roept op om een leugen te geloven. Zulk een appèl, dat is waar, hadden de reformatoren niet en wij ook niet.

Maar wij hebben heel sterk het appèl van Jezus Christus en van de profeten en van de apostelen. Dat appèl is: bekeert u en gelooft het evangelie. Bekeert u, want waarom zoudt gij sterven, o huis Israels. Bekeert u en een iegelijk van u worde gedoopt in de naam van Jezus Christus, tot vergeving der zonden. Altijd gaat de bekering voorop, opdat de mens ellendig arm en naakt tot God zou komen.

En dan? Aan armen wordt het evangeHe verkondigd. Waartoe moeten wij oproepen? Tot een verlaten van de zonde en van de wereld. Daartegenover vertoont veler prediking dit beeld, dat men christen en wereld zo veel mogelijk wil vermengen. De rechte prediking roept op tot een verlaten van de wereld, erkennen en belijden van zijn zonde, zich vernederen voor God. En dan is de Heere nog vrij. Maar dit komen is Gode aangenaam. En dan is er nog een belofte ook. Voor wie is deze belofte, d.w.z. voor wie zijn de beloofde goederen? Voor allen die tot de Heere komen en geloven.

Ten eerste is dus daar de roeping, de nodiging om te komen. Ieder mag komen tot God. Hij mag rekenen op gehoor als hij zijn zonde behjdt. Hij mag komen zoals hij is. Hij mag alles vragen. Verondersteld wordt, dat hij dorst heeft naar God, levende kennis heeft van zijn ongerechtigheid, verlangen naar vergeving. Want waarom zou een mens God en Zijn genade zoeken als hij zijn diepe van niet beseft?

En wat is nu geloven? Is dat een bepaalde gedachte voor waar houden? Is geloven voor vast en zeker houden, dat mij al mijn zonden vergeven zijn, omdat God liefde is of omdat de Heere Jezus voor alle zonden stierf? Neen, geloven is niet een ethisch dogma van algemene verzoening of iets dergelijks voor waar houden. Zaligmakend geloven is niet waarheden aannemen. Geloven is in zijn diepste kern: Christus omhelzen. Zij die Christus omhelzen krijgen de rust en het eeuwige leven.

Wie worden door Jezus bijzonder geroepen? Om deze vraag goed te beantwoorden, moeten we eerst wel weten, dat Christus zich ten leven aanbiedt aan ieder. Al wil niemand van nature Hem hebben. Hij biedt Zich een leven aan. Doch alleen die Hem aannemen krijgen het eeuwige leven.

Het staat dus zo. De hardste en goddelooste zondaar wordt ernstig geroepen, benevens allen naast hem, die het evangelie horen. Wie aan deze roeping geen gevolg geeft, laadt zware schuld op zich. Het is Gods wil dat de geroepenen komen. Bij Jeremia 7: 25, 26 tekent Calvijn aan: „Vroeg en laat nodigt God ons uit en omarmt ons, zo dikwijls Zijn Woord tot ons komt, tot betuiging van Zijn Vaderlijke Hefde. Persoonlijk komt Hij ons tegemoet in Zijn bezorgdheid om onze zaHgheid. Wat is dat voor een vermetel onrecht, dan nog verder tegenstand te bieden, wanneer God zo ernstig voor hun heil waakt? "

Ja maar, zegt iemand, wij moeten toch krachtdadig geroepen worden en dat worden alleen de uitverkorenen? U hebt gelijk. Daarom is het u ook vergund tot de Heere te komen en in Zijn Woord te geloven en Hem te smeken om de onwederstandelijke werking van Zijn Geest. Hoe het ook zij: gij wordt ernstig geroepen. God wil, dat gij komt. Dat is Hem aangenaam. Moet u nog meer? „Al wat u ontbreekt, schenkt Hij". Zou de Heere het zeggen en niet doen? Spreken en niet bestendig maken? (Num. 23 : 19). Bijzonder roept Jezus zondaren, armen, verlorenen, moedelozen, radelozen.

God belooft de zaligheid niet aan allen. Hij belooft de genade alleen aan hen, die komen en geloven. „Daarom", schrijft prof. H. Bavinck, „is die aanbieding des heils van Gods zijde ook ernstig gemeend en oprecht. Want Hij zegt in deze aanbieding niet, wat Hij Zelf zal doen, of Hij geloof zal schenken of niet. Dat heeft Hij Zichzelf voorbehouden en ons niet geopenbaard. Hij verklaart alleen, wat Hij wil, dat wij zullen doen, dat wij ons verootmoedigen zullen en ons heil zoeken in Christus alleen".

Daarvan heeft Jezus gezegd: „Die tot Mij komt zal Ik geenszins uitwerpen" (Joh. 6:37).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juni 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE Dordtse LEERREGELS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juni 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's