De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De doorstroming naar en het rendement van het V.H.M.O. en het U.L.O. in N.-Brabant

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De doorstroming naar en het rendement van het V.H.M.O. en het U.L.O. in N.-Brabant

5 minuten leestijd

III

Het rendement van het v.h.m.o.

Dit is een algemeen vraagstuk, waarmede meerderen zich reeds hebben bezig gehouden. In het v.h.m.o. behaalt, globaal genomen, slechts 20% der leerlingen zonder doubleren het einddiploma, 30% behaalt het na een of meermalen doubleren, de overige 50% behaalt het diploma helemaal niet.

Uit verscheidene onderzoekingen is gebleken, dat de frekwentie van het aantal „mislukkingen" met name in het v.h.m.o. over een grote tijdsperiode vrijwel geen wijzigingen heeft ondergaan.

Meerdere onderzoekers hebben aangetoond, dat de intelligentie, zoals deze door tests gemeten kan worden, niet beslissend is voor de mate van succes in het voortgezet onderwijs. Het I.Q. kan geen volstrekt geldende maatstaf zijn omdat 1. naast de verstandelijke capaciteiten nog andere faktoren bepalend zijn voor dit succes (o.a. karakter, gezins- en schoohniheu) en 2. geen enkele intelligentietest de verstandelijke capaciteiten volstrekt betrouwbaar meet.

De generatiestatistieken van het C.B.S. hebben uitgewezen, dat het aantal doublures in het v.h.m.o., absoluut gezien, het grootst is in het eerste leerjaar.

Uit enige experimenten mag misschien de conclusie worden getrokken, dat het rendement in het v.h.m.o. vermoedelijk kan worden verhoogd, wanneer het onderwijs meer aan de individuele behoeften wordt aangepast.

Er is nog zeer weinig bekend over de voorwaarden waaronder en de omstandigheden waarin het doubleren en het afbreken van de studie het meest frekwent voorkomt.

De navolgende analyse betreffende het v.h.m.o. strekt zich uit tot 239 jongens en 54 meisjes, welke tot het gymnasium of de h.b.s. werden toegelaten en over 100 meisjes, die onderwijs aan een m.m.s. gingen volgen.

Uit de cijfers blijkt, dat zowel bij de jongens als bij de meisjes, en voor wat de meisjes betreft zowel de h.b.s. - + gymleerlingen als bij de m.m.s.-leerhngen, verlaat in de eerste drie leerjaren elk jaar ongeveer 6 a 7% der oorspronkehjk toegelatenen de middelbare school. De schommehngen zijn zo gering, dat men geneigd is van een constante verhouding te spreken.

In het vierde leerjaar ligt het vertrekpercentage in de onderscheiden groepen kinderen plotsehng ongeveer tweemaal zo hoog, nl. op 11% bij de jongens- en meisjesleerlingen van h.b.s. en gymnasium, en op 14% bij de leerlingen van de m.m.s.

Een andere analyse toont aan, dat de meeste van deze leerhngen nl. 33 van de 46, eenmaal gedoubleerd hebben en dus een driejarige schoolopleiding hebben voltooid.

De verklaring van het hoge vertrekpercentage na 4 jaar ligt hierna voor de hand: dit hangt ongetwijfeld samen met het feit, dat een driejarige middelbare schoolopleiding als een min of meer afgerond geheel wordt beschouwd en als zodanig ook in het maatschappelijk verkeer wordt gewaardeerd. Ten aanzien van het rendementsvraagstuk brengt deze vaststelling ons reeds tot een eerste conclusie: bij de beoordeling van het afbreken van de studie dient onderscheid te worden gemaakt tussen hen, die vertrekken uit de Ie en 2e klas enerzijds en uit de 3e en 4e klas anderzijds. Stelt men zich op het standpunt, dat een driejarige middelbare schoolopleiding in zekere zin een afgerond geheel is en als zodanig moet worden erkend, dan komt het rendementsvraagstuk reeds veel genuanceerder te liggen. Voegt men de leerlingen, die tijdens het onderzoek in de 4e en 5e klas verbleven, tesamen met degenen, die uit.de 3e of 4e klas vertrokken zijn, dan kan nu reeds worden vastgesteld, dat de v.h.m.o.-opleiding voor minstens 66% der jongens en 82% der meisjes zinvolle resultaten heeft opgeleverd. Omgekeerd bedraagt het aantal jongens en meisjes, dat de middelbare school voor het derde leerjaar verlaten heeft en voor wie de middelbare schoolkeuze dus zonder noemenswaardig re­ sultaat gebleven is, respectievelijk 22% en 14%.

Uit een nadere beschouwing blijkt, dat het percentage zittenblijvers relatief gezien in alle leerjaren ongeveer even groot is en dus constant is in plaats van zich te concentreren in de eerste leerjaren. Men is bij het zien van deze verhoudingen geneigd te constateren, dat het rendementsvraagstuk niet alleen een selectie en aansluitingsvraagstuk is en wellicht zelfs inhaerent is aan ons bevorderingssysteem.

Het rapport beschouwt de leerlingen, die gedurende de periode van onderzoek (4,5 jaar) reeds tweemaal hadden gedoubleerd als mislukt. Het komt dan tot een voorlopig renderrientsverlies voor de jongens van 43%, voor de meisjes gym + hbs van 33% en voor de meisjes m.m.s. van 36%.

Het rendementsverlies en het prestatieniveau op de lagere school.

Bij het v.h.m.o. voor jongens en bij de m.m.s. is een duidehjk verband waar te nemen tussen de S.-score en het rendementsverlies. In beide groepen van leerlingen neemt het rendementsverlies af met het stijgen der score. Dit verband is het sterkst bij het v.h.m.o. voor jongens: van de jongens met een S 5 slaagt bijna niemand in het v.h.m.o. (15%), van de jongens met een S 8 en meer daarentegen slaagt de overgrote meerderheid (75%). Is men geneigd op grond van deze resultaten aan de schoolvorderingentest een hoge selektieve waarde toe te kennen voor het v.h.m.o. voor jongens, voor de m.m.s. geldt dit in veel minder sterke mate: weliswaar bhjkt uit de cijfers, dat de kans om op de m.m.s. te falen zeer gering is voor meisjes met een S 7 en meer (19%), maar het omgekeerde is niet in zo sterke mate het geval met de meisjes, die een S 4 of een S 5 hebben behaald: van deze meisjes heeft altijd nog ongeveer 50% een kans de m.m.s. met goed gevolg te doorlopen.

Beschouwt men ook het oordeel van de onderwijzer, dan blijkt, dat de S-score de kans op succes in het v.h.m.o. iets nauwkeuriger aangeeft dan het oordeel van de onderwijzer. Het meest nauwkeurig is evenwel een combinatie van beide.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juni 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De doorstroming naar en het rendement van het V.H.M.O. en het U.L.O. in N.-Brabant

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juni 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's