Uit het nieuwe Testament
13
1 Cor. 11 : 11-12: „Nochtans is noch de man zonder de vrouw, noch de vrouw zonder de man, in de Heere. Want gelijkerwijs de vrouw uit de man is, alzo is ook de man door de vrouw, doch alle dingen zijn uit God".
Ditmaal liggen déze verzen voor ons. Nog steeds gaat het over de kwestie dat de vrouw in Paulus' dagen in het openbaar, in de samenkomsten der gemeente, een sluier zou dragen, als teken, dat de door God gestelde orde en gezagsverhouding tussen man en vrouw geëerbiedigd werd.
De apostel schreef hierover uitvoerig. Immers, het ging maar niet om iets onbelangrijks. Neen, het ging om een orde, welke God Zelf reeds bij de schepping gesteld had en die juist in de gemeente, welke óók wist van verlossing en herschepping, tot haar recht moest komen. Haar handel en wandel, haar levensopenbaring, moest dat laten zien.
Zo heeft de apostel er ook over geschreven, dat de man het eerst geschapen is en daarna de vrouw, én dat de man er niet is om de vrouw, maar de vrouw om de man. Wij zagen, dat er toestanden in de Corinthische gemeente waren, én gevaren dreigden, welke de apostel er toe brachten, zo uitvoerig en scherp over deze zaak te handelen. Beiden, man en vrouw, moesten weten, hoe het stond met deze dingen naar de beschikking Gods.
Nu is het opmerkelijk, hoe Paulus zijn betoog gaat beëindigen. Tevoren had hij er de nadruk op gelegd, dat Christus is het Hoofd van iedere man en de man is het hoofd der vrouw; dat de man niet is uit de vrouw, maar de vrouw uit de man. Doch steeds blijkt, dat hij het menselijk hart kent. Hij weet ook, — dat bleek al eerder, — hoe in dat hart steeds weer de neiging leeft om Gods ordinantiën te doorbreken en opzij te schuiven en geen vrede te hebben met de plaats, die God hem gaf. Wat deze zondige neiging betreft, — die is reeds in het paradijs geboren; ze is de oerzonde van het menselijk geslacht. En ze zet zich sindsdien voort. Niet alleen in het hart van de vrouw, doch ook in het hart van de man. En niet alleen in het hart van de onbekeerde en ongelovige, maar ook in het hart van de in beginsel tot de vreze Gods bekeerde en gelovige mens. Paulus is daar natuurlijk ook niet onkimdig van, dat niet alleen de vrouw tegen de door God gestelde orde in opstand kan komen, doch dat ook de man gevaar loopt zijn positie als gezagdrager te misbruiken.
Hierbij vergeten wij niet, in welke tijd Paulus leefde. Echter, wat toen bepaalde, brute vormen aannam, kunnen wij ook in onze tijd nog aantreffen; dat de man binnen en buiten het huweHjk niet verstaat de verantwoordelijkheid, welke het voor hem meebrengt, dat hij gesteld is als hoofd der vrouw. Een verantwoordelijkheid, die daarom des te schoner, doch tevens des te zwaarder is, omdat dit hoofd zijn een afschaduwing mag zijn van het Hoofd zijn van Christus over Zijn gemeente. En als de man zich deze verantwoordeUjkheid niet meer recht bewust is, wordt hij in plaats van hoofd, de baas. En wij voelen het grote verschil. Dan is hij de despoot, die het voor het zeggen heeft, decreteert. Dit kan zijn stempel drukken op de verhouding van man en vrouw binnen het huwelijk, doch ook op hem samen treffen en omgang buiten het huwelijk.
Zeker, de tijden zijn veranderd. Toestanden, welke er vroeger heersten en gewoon werden gevonden op dit gebied, juist binnen het huwelijk, zijn gelukkig verdwenen. Maar betekent dit, dat het, juist binnen het huwelijk, nooit meer voorkomt, dat de man geen hoofd, maar de baas, despoot, is? De Heilige Schrift laat niet toe, dat de man één stap zetten zou op déze weg, ook al handhaaft ze ten volle zijn positie als hoofd.
Zo besluit de apostel ook hier zijn betoog, dat de man het hoofd der vrouw is, met een duidelijk nochtans. Dit nochtans bedoelt alle verkeerde gevolgtrekkingen, in theorie en in praktijk, uit zijn voorafgaande uiteenzettingen gemaakt, af te snijden en elk foutief zich verheffen van de man te veroordelen. „Nochtans is de man niet zonder de vrouw, noch de vrouw zonder de man, in de Heere".
Van belang is hier weer de uitdrukking: „in de Heere". Eén van de vorige malen bleek ons reeds, dat Paulus elke gedachte van minderwaardigheid van de vrouw afsnijdt. Ook hier doet hij dat. En hij zou hierbij hebben kunnen wijzen op het feit, dat reeds bij de schepping gold, dat, toen God de vrouw uit de man schiep, dit niet inhield enige minderwaardigheid van haar ten opzichte van de man. Doch hij doet hier weer anders. En 't is ook hier weer duidelijk, dat hij zich bewust is te schrijven aan de gemeente, die weet van verlossing en herschepping door Christus.
Zó moeten wij hier zijn uitdrukking nemen: „in de Heere". Stellig bedoelt hij te zeggen, dat in de gemeente béiden, man en vrouw, in de kring, de sfeer, leven, waar de Heere, d.i. de verhoogde Christus, op bijzondere wijze regeert. Beiden, man en vrouw, kunnen daar door Zijn Woord en Geest deel krijgen aan dezelfde weldaden, welke Hij verworven heeft; beiden kunnen daar door datzelfde Woord en diezelfde Geest aan Hem onderworpen worden. Ook hierover schreven wij reeds één van de vorige malen.
Inderdaad, in déze zin, is er gelijkheid tussen man en vrouw. Éénmaal schiep de Heere beiden om deel te hebben aan hetzelfde leven, dat Hij de mensheid bereid had, om Hem te dienen en in die dienst zalig te zijn. En toen de zonde in beider hart en leven binnen gekomen was, heeft Christus Zijn bloed voor beiden gestort. Zo zijn zij in de diepe zin van het woord niet twee, maar één. En weer denken wij aan dat andere woord van de apostel: „in Christus is noch man, noch vrouw, noch vrije, noch slaaf". Hier geldt, beiden zijn zondaren, beiden hebben te leren hoe schuldig en bedorven zij zijn en hoe zij het eeuwig oordeel waardig zijn. Beiden hebben te leren, dat in hen geen goed woont en er uit hen geen mogelijkheid is, om rechtvaardig voor God te zijn. Beiden hebben al hun zaligheid in Christus te zoeken. Die vrijspraak en gerechtigheid verwierf en door Zijn Geest hart en leven wil vernieuwen. Beiden kunnen door het waarachtig geloof met Hem verbonden worden en Hem volgen en dienen. Beiden liebben te leven in éénzelfde afhankelijkheid: „Heere, maak mij, óns. Uw wegen, door Uw Woord en Geest bekend".
En zo schrijft de apostel ook hier: „noch de man is er zonder de vrouw, noch de vrouw zonder de man, in de Heere, in Christus". Dit betekent niét, dat nu ineens die gezagsverhouding niet meer zou gelden, maar wel, dat wij er steeds van doordrongen zouden zijn, dat daar ook die éénheid is in het geestelijk leven, en dat daarom die gezagsverhouding nooit mag meebrengen, dat de één zich boven de ander zou verheffen en man en vrouw van elkaar zouden vervreemden.
Hoe is het, als deze éénheid waarlijk beleefd wordt, vooral binnen het huwelijk! Dan behoeft dit inderdaad aan de door God gestelde gezagsverhouding geen afbreuk te doen, doch wel geeft dit dan aan het samenleven van man en vrouw zijn eigen schoonheid. Ja, binnen het huwelijk heeft dit alles dan nog zijn bijzondere kanten. Daar zoeken man en vrouw ook de lichamelijke éénheid, als een bijzondere beleving en bevestiging van hun geestelijke eenheid. En dit mogen wij zien staan in dit perspectief, dat Christus Zijn liefde jegens Zijn gemeente ook bevestigde door in het vléés één met haar te worden!
Doch afgezien hiervan, wat kan die diepere geestelijke éénheid binnen het huwelijk verder in veel schoons uitkomen: dat man en vrouw niet ieder hun weg gaan, maar samen gaan, dat de man niet iets van belang doet, zonder de vrouw en omgekeerd. Dat zij samen het Woord lezen en zich stellen onder de prediking daarvan, dat zij samen daarover spreken, samen bidden, samen bezig zijn met de sacramenten, 'k Geloof, dat het goed is, daar even elkaar aan te herinneren. Immers, hoe vaak mankeert daar in de praktijk wel wat aan! En de neiging is er, dat wij in dit opzicht vreemden vóór laten gaan boven eigen!
Intussen, behalve in de godsdienstige dingen zal die éénheid tussen man en vrouw binnen het huwelijk ook moeten uitkomen in de gewone dingen van het leven, dat men niet langs elkaar heen leeft en als het ware van elkaar af groeit, doch integendeel, dat men zich één weet en als het ware steeds meer naar elkaar heen groeit!
Ja, „de man is er niet zonder de vrouw en de vrouw niet zonder de man". Dit kan aan het huwelijksleven zijn eigen schoonheid geven, maar het speelt ook een rol buiten het huwelijk. In het maatschappelijke en sociale leven, in het kerkelijk leven, waarin de man zijn roeping heeft, doch ook de vrouw haar plaats kan hebben. Ook hierover schreven wij reeds.
Nu echter willen wij nog wijzen op het feit, dat Paulus dus schrijft over die geestelijke éénheid, om er aan te herinneren, dat waar die beleefd wordt, daar het gevaar bezworen wordt, dat de vrouw de man als èen despoot boven zich zou voelen en déze zijn gezag zou misbruiken. Echter, tevens mag het dan onze aandacht niet ontgaan, dat de apostel zo toch ook hier weer, wijzend op de bijzondere genade, welke de gemeente uit Christus ontvangt, en vandaaruit de verhoudingen tussen man en vrouw zuiver stellend, terugkomt op de beschikking en het werk Gods in de schepping.
Immers hij laat hier nog volgen: „Want, gehjk de vrouw uit de man is, alzo is ook de man door de vrouw" Tevoren heeft de apostel eraan herinnerd, dat de vrouw als tweede, uit de man genomen is, toen de Heere God haar uit één van diens ribben formeerde en tot hem bracht. Deze handeling Gods was als een zichtbaar teken van die gezagsverhouding tussen man en vrouw, van Hem gewild. De apostel handhaaft dit ook nu.
Maar, het is, alsof hij zeggen wil: ook van de zijde van de man zal die verhouding niet scheef getrokken worden, als men daarbij bedenken bhjft en laat gelden, dat, zoals de vrouw éénmaal uit de man was, zo ook de man op zijn beurt er is door de vrouw.
Wij verstaan, wat de apostel bedoelt?
Als er geen vrouw was, om mee te trouwen en samen te leven, zou er nooit meer een vrouw, én ook geen man geboren worden. Zonder het moederschap zou het menselijk geslacht uitsterven. Zeker, de man speelt hier ook een grote rol, doch laat hij zich niet inbeelden, dat hij de vrouw niet nodig heeft. Integendeel; de vrouw neemt, als tweede in rangorde, door haar moederschap een belangrijke plaats in in het menselijk leven. De begeerte, zijn leven voort te zetten in zijn nageslacht, kan de man nooit tot het bevredigend doel leiden, dan door de vrouw.
En tenslotte is het, alsof Paulus dit alles nog eens nader wil onderstrepen en nog eens wil benadrukken, dat wij hier niet te maken hebben met iets, dat van beneden is, doch dat van Boven, van God is: „Al deze dingen zijn uit God". Niet een mens, maar Gód heeft de man tot hoofd gesteld, doch anderzijds aan de vrouw de eer van het moederschap gegeven!
Ja, deze eer bereidde Hij haar bij de schepping en voortgang van het leven. Doch wij gaan stellig niet te ver, wanneer wij ook hier weer denken aan het werk Gods der verlossing!
Ziet, als de Heere dat werk werkt en Zijn Zoon geeft aan deze wereld, zet Hij de man terzijde. De vrouw wordt moeder van de Heere Jezus, Die op een wondere, bovennatuurlijke wijze in haar ontvangen wordt, uit de Heilige Geest. Welk een wonder van Gods genadevolle beschikking! Hier mag de vrouw een tweede Eva zijn, in heel diepe zin, moeder der lévenden. Zij, die éénmaal het eerst zich het verleiden en haar geslacht mee ten val bracht, als handlangster van de macht der zonde, wordt door God Zelf gesteld in de dienst der genade, en van de komst van Hem, Die de schuld der zonde verzoenen, de macht der zonde overwinnen zal!
Zo krijgt het wel een heel diepe zin: „de man is niet zonder de vrouw". Het heeft God behaagd de vrouw als moeder een bijzondere plaats te geven in de voortplanting der geslachten, maar het heeft Hem eveneens behaagd haar tot een bijzondere dienst te gebruiken bij de komst van Zijn Zoon in het vlees. Die als de tweede Adam Zijn gemeente zal vergaderen en bouwen uit alle geslachten der aarde.
Wat is het nodig, dat wij als gemeente, juist ook in ónze tijd de beschikkingen Gods duidelijk blijven zien! Dan zullen wij ook des te meer eerbiedigen de verhoudingen, welke Hij in het leven gesteld heeft. En wij zullen des te meer beseffen, hoe wij zondigen, wanneer wij die verhoudingen doorbreken of zelfs veronachtzamen!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juni 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juni 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's