ISRAËL IN GODS HEILSPLAN
IV (slot)
Hoe talrijk zijn in de profetieën de onvoorwaardelijke beloften aangaande Israels wederaanneming in het laatste der dagen. We zullen er een paar noemen uit de zeer vele in het Oude- en Nieuwe Testament.
Wanneer eerst in Deut. 28 en 29 de vloek Gods over Israël is aangekondigd en het oordeel van de verstrooiing onder alle volkeren, dan volgt in Deut. 30 : 1 t.m. 6: „Voorts zal het geschieden, wanneer al deze dingen over u zullen gekomen zijn, deze zegen en deze vloek, die ik u voorgesteld heb, zo zult gij het weder ter harte nemen onder alle volken, waarheen u de Heere, uw God, gedreven heeft. En gij zult u bekeren tot de Heere, uw God, en Zijn stem gehoorzaam zijn naar alles, dat ik u heden gebied, gij en uw kinderen, met uw ganse hart en met uw ganse ziel. En de Heere, uw God, zal uw gevangenis wenden en Zich uwer ontfermen, en Hij zal u weder vergaderen uit al de volken, waarheen u de Heere, uw God, verstrooid had. Al waren uw verdrevenen aan het einde des hemels, vandaar zal u de Heere, uw God, vergaderen en van daar zal Hij u nemen. En de Heere, uw God, zal u brengen in het land, dat uw vaderen erfelijk bezeten hebben, en gij zult dat erfelijk bezitten: en Hij zal u weldoen, en zal u vermenigvuldigen boven uw vaderen. En de Heere uw God, zal uw hart bevrijden en het hart uws raads, om de Heere uw God lief te hebben met uw ganse hart en met uw ganse ziel, opdat gij leeft".
Met de belofte van de vergadering van Israël uit de verstrooiing is verbonden de oprichting van het Nieuwe Verbond, dat zijn kracht zal vinden in de bediening des Geestes, wanneer het stenen hart zal zijn weggenomen en een vlesen hart gegeven, waarin de Geest Gods wetten inschrijft. Hier zal het gebod niet van buiten tot Israël komen op twee stenen tafelen, maar in Israels hart zijn ingeschreven op de vlesen tafelen van het hart.
De vervulling van deze belofte is niet afhankelijk van Israël. Neen, deze belofte is onvoorwaardehjk. Er zijn beloften, aan welker vervuUing de Heere een voorwaarde verbindt. Zo zegt de Heere tot Jerobeam: 1 Kon. 11: 33: „En het zal geschieden, zo gij horen zult al wat Ik u zal gebieden en in Mijn wegen zult wandelen, en doen wat recht in Mijn ogen is, houdende Mijn inzettingen en Mijn geboden, geHjk als Mijn knecht David gedaan heeft, dat Ik met u zal zijn, en u een bestendig huis bouwen, gelijk als Ik David gebouwd heb, en zal u Israël geven " Hier is het: „Indien dan zal Ik, de Heere, u bevestigen". Wij weten, hoe Jerobeams huis volkomen is uitgeroeid.
Geheel anders is het echter met vele beloften, aan Israël gedaan aangaande zijn wederaanneming. Zo vast en zeker zullen deze vervuld worden, zo zeker zal Israël bhjven, door het oordeel heen, dat de Heere zegt in Jeremia 31 : 35-37: „Zo zegt de Heere, Die de zon ten licht geeft des daags, de ordeningen der maan en der sterren ten licht des nachts, die de zee klieft, dat haar golven bruisen, Heere der heirscharen is Zijn Naam: Indien deze ordeningen van voor Mijn aangezicht zullen wijken, spreekt de Heere, zo zal ook het zaad Israels ophouden, dat het geen volk zij voor Mijii aangezicht, al de dagen. Zo zegt de Heere: Indien de hemelen daarboven gemeten en de fundamenten der aarde beneden doorgrond kunnen worden, zo zal Ik ook het ganse zaad Israels verwerpen om alles wat zij gedaan hebben, spreekt de Heere".
Zeker, het zal niet gaan buiten de waarachtige bekering om. In de weg van rouwklagen vanwege de zonde. De Heere Zelf echter werkt dit en zal dit werken door de onwederstandehjke werking van Zijn Geest. Zo zal vervuld worden Rom. 9 : 11b: „opdat het voornemen Gods, dat naar de verkiezing is, vast bleve, niet uit de werken, maar uit de Roepende".
Ligt hierin niet de ergernis van het vrome vlees, het verzet van het vleselijk godsdienstige Israël? Licht echter hierin ook niet diezelfde ergernis voor ons, die uit de heidenen zijn? Welk een verborgen en openlijke vijandschap is er ook bij ons tegen het onwederstandelijke werk des Geestes! Wat zoeken ook wij altijd een grond in eigen, menselijke vroomheid en zelfwerkzaamheid! Hoe weinigen zijn er, die het verstaan, en verstaan willen, dat er een bekering van God gewerkt, noodzakelijk is. Waar kan het getuigd worden uit de praktijk van het leven: Uit Hem, door Hem en tot Hem zijn alle dingen?
Blind is de natuurhjke godsdienstige mens voor deze zaken. Als dit gepredikt wordt, dan zegt hij: Ik begrijp dat niet. Hij kan het en wil het ook niet verstaan. Het is hem dwaasheid. Gode zij dank echter, dat Gods werk bestaan zal en dat Hij Zelf door alle tijden Zich een volk formeert, dat Hem zal leren kennen door een GoddeHjk werk, door de Geest van God.
In de Openbaring van Johannes zien we ook duidelijk het volk van Israël, naast de andere volken, in zijn bijzondere plaats getekend. Door de verharding van Israël is de bediening van het Koninkrijk in Israël weggenomen. We leven nu in de tijd der heidenen. De volheid der heidenet!, moet eerst ingaan. Het eerste visioen handelt over de kerk uit de heidenen, vertegenwoordigd in de zeven gemeenten van Klein-Azië. Hier vinden we de kerk uit de heidenen getekend in de tijd tussen Jezus' hemelvaart en de laatste dagen. Inleidend op die laatste dagen komen daar de gerichten en oordelen bij het verbreken der zegelen. En dan, vóór de opening van het zevende, laatste zegel, komt Israël weer naar voren in de heilsgeschiedenis. Daar zijn de 144000 verzegelden, als eerstelingen in Israël.
De oordelen gaan door na de opening van het zevende zegel. Na de verbreking van het zevende zegel komen de zeven bazuinen. Bij de zevende, laatste bazuin hoort Johannes grote stemmen in de hemel, roepende, Openb. 11 : 15: „De koninkrijken der wereld zijn geworden van onze Heere en van Zijne Christus, en Hij zal als Koning heersen in alle eeuwigheid". Daar nadert de doorbraak van het Koninkrijk Gods, waarvan de profeten geprofeteerd hebben. Het eerste wat Johannes dan ziet, is een vrouw, bekleed met de zon, en de maan onder haar voeten, met op haar hoofd een kroon van twaalf sterren. Deze vrouw, met de twaalf sterren, is Israël. Deze vrouw nu komt in barensnood, barende het nieuwe Israël. Daar komt nu de laatste worsteling met de satan en de anti-Christ, die dit nieuwe Israël zal zoeken te vernietigen.
Dat Israël zal het ervaren, hoe de Heere het bewaren zal in de korte, maar heftige worsteling in het allerlaatste. In Jes. 54 volgt ook op de belofte van het doorbreken van het werk Gods in Zijn volk, Jes. 54 : 15-17: „Zie, zij zullen zich zekerlijk vergaderen, doch niet uit Mij; wie zich tegen u vergaderen zal, die zal om uwentwil vallen. Zie, Ik heb de smid geschapen, die de kolen in het vuur opblaast, en die het instrument voortbrengt tot zijn werk; ook heb Ik de verderver geschapen om te vernielen. Alle instrument, dat tegen u bereid wordt, zal niet gelukken, en alle tong, die in het gericht tegen u opstaat, zult gij verdoemen; dit is de erve der knechten des Heeren, en hun gerechtigheid is uit Mij, spreekt de Heere".
Wat zal dan in Israël vlees en Geest gescheiden worden. In die weg zal het uitlopen op de verschijning, de parousie van de Heere Jezus, en de doorbraak van het Koninkrijk Gods. De satan zal worden gebonden, zodat hij de volkeren niet meer verleiden kan. Daar breekt ook die volle vervulHng door van de belofte, aan Abraham geschonken. Genesis 12 : 3b: „en in u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden".
Roept Paulus daarop ziende, in Rom. 11 : 15: „Want indien hun verwerping de verzoening is der wereld, wat zal de aanneming wezen, anders daii het leven uit de doden? "
Het heil der wereld bhjft verbonden met Israels heil: Eerst met Israël tesamen zal de volheid van het heil Gods, aan goddelozen om niet, in Zijn eeuwige, uitverkiezende genade geschonken, ook in de volkeren buiten Israël geopenbaard kunnen worden. De volkeren, die zalig worden, zullen met Israël door het oordeel heengaan. De rest, die overblijft, door het oordeel heen, zal het geleerd hebben, dat er geen reden is, zich boven Israël te verheffen. De vijandschap tegen de Christus is bij ons niet minder dan bij Israël. Pilatus, uit de heidenen, en Kajafas, uit de Joden, hebben samengewerkt bij de kruisiging. De Anti-Christ zal in de tijd van de grote afval de volkeren bijeenvergaderen, ontelbaar als het zand der zee, in de strijd tegen het volk Gods, waarin Christus gestalte gekregen heeft. Daarom zal het nodig zijn, om de Heere te zoeken, opdat Hij Zijn werk verheer-lijken moge, in Israël èn in ons. Dan zal het nog vervuld worden: Ps: 122 : 2 (berijmd):
Bidt, met een algemene stem. Om vrede voor Jeruzalem, Het ga hun wel, die u beminnen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juni 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juni 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's