De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Bewaar en vermeerder Uw Kerk

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Bewaar en vermeerder Uw Kerk

6 minuten leestijd

Vanwege het belang voor andere streken in ons land die in dezelfde situatie verkeren ruimen wij gaarne plaats in voor het onderstaande resumé van een referaat, door de oud-predikant van Dirksland op het eiland Flakkee, ds. C. v. d. Wal, gehouden op de conferentie over het Deltaplan, belegd op initiatief van de ring Sommelsdijk op woensdag 10 februari 1960 te Dirksland. Redactie.

De vraag, die bij de nieuwe situatie, waarin Flakkee geen eiland meer is, aan de orde komt is: „zal op dit schiereiland de kerk in het midden blijven staan? " Vaak heeft men de kerken in onze dorpen op een schiereiland gebouwd met water erom heen. Maar de kerk stond en staat nog midden in het dorp.

Ik heb het gevoel dat men nu beheerst wordt door een zekere vrees. Er is een ramp in 1953 geweest en nu vrezen wij een andere overstroming, die misschien niet in een zo snel tempo zal komen als toen, maar toch kimnen er infiltraties zijn, die tot een overstroming gaan worden. Deze kunnen de kerkelijke gemeenten misschien nog gevaarlijker toeschijnen dan de ramp. Wij duchten de gevaren die op ons afkomen door de nieuwe dam.

Wij verwachten veranderingen. Er komt een anders geaarde bevolking, met een andere mentaliteit. Nu reeds laat de pendelarbeid niet na zijn invloed te doen gelden. Het grote gevaar dat men ducht is dat men door de betere verbindingen die tot stand zullen worden gebracht meer recreatiemogelijkheden krijgt, zowel voor het weekend als tijdens de vakanties. Er zal dan een grote toevloed van mensen komen die „vluchten" in de vakantie, mensen met een andere levensstijl, die zeker wel losser kan worden genoemd. Ook zal er een verzoeking komen van het materialisme, men kan er aan verdienen. Men krijgt „winter-christenen", daar men het 's zomers te druk heeft met andere dingen. In het algemeen zal men tegen de vreemdelingen zeggen „welkom vrienden", want dan bedenkt men wat het zal opbrengen, maar diep in het hart is de vreemdeling „niet gewenst".

Hoe zal de kerk van Flakkee de vreemdelingen ontvangen, deze mensen die van buiten komen? Zijn wij klaar met hier en daar enkele burgerlijke en kerkelijke bepalingen te stellen o.a. over de kleding?

Het is goed dat wij met deze vragen bezig zijn, maar daarbij mogen wij niet vergeten dat de kerk niet onze kerk is maar Gods kerk. De bede „Uw koninkrijk kome" geldt zowel voor de oude als voor de nieuwe situatie. De duivel heeft de weg naar Flakkee al van 1415') af gevonden. Deze heeft geen brug of dam nodig, en is niet afliankehjk van een nieuwe of een oude situatie. Maar de zaak van onze kerk zal ons zo ter harte moeten gaan dat het een zaak wordt van gebed. „Uw koninkrijk kome", „Bewaar en vermeerder Uw kerk". Dat is een gebed.

Het gaat niet aan om uit een soort ideologie te redeneren van „wie er moet komen, komt er wel, en wie er niet moet komen, komt er ook niet". Dit leeft nog wel op Flakkee, maar dan maken wij ons er veel te gemakkelijk van af. Wij zullen contact moeten opnemen als kerk van Flakkee met overheids- en maatschappelijke instanties, ja ook met de nieuwe bevolking. Maar allereerst zullen wij contact moeten opnemen met God. Een mens bidt niet zo vaak in zijn leven, en bidden en bidden is twee. Laat dit alles werkelijk een zaak moge zijn van waarachtig en ootmoedig gebed tot God, waarbij wij niet moeten uitgaan van een redenering, waarin vdj wijzer willen zijn dan God, maar dat wij een beroep doen op en ons wenden tot Hem. Bidden en werken moeten samen gaan, „werken" moet een bewijs zijn van echtheid van het bidden.

Ik ben dankbaar voor het door de Stichting voor Praktische Psychologische en Paedagogische Arbeid uitgebrachte rapport over Flakkee. Hierin is toch een serieuze poging gedaan om te omschrijven wat er al zo leeft op het eiland en deze analyse is heel wat beter dan wat sommige streekromans over het eiland laten zien. Het gaat om het Koninkrijk dat niet van deze wereld is, om het Rijk van Christus en om de ernst van de heilige wandel. Dit is nooit passief, maar actief.

Vervolgens rijst de vraag wat er moet worden bewaard. Moet alles wat wij vandaag hebben en zo in de loop van de historie van ons eiland als levenspatroon hebben gekregen, worden bewaard? Dit zou kunnen betekenen dat als wij al wat hiertoe behoort kwijt zouden raken dit een grote schade zou zijn voor Gods kerk en koninkrijk. Daar huiver ik voor terug. Hebben wij het er zo goed afgebracht, zijn in principe de lijnen die wij trekken zo goed, dat elke verandering alleen maar verslechtering zou betekenen? Dit leidt tot zelfgenoegzaamheid, en daarin is 'n zeer groot gevaar. Men kan niet zonder meer bepaalde zeden en gewoonten identiek verklaren met de wil van God en men staat wat dat betreft vaak te weinig kritisch tegenover zichzelf. Men is in het algemeen wel kritisch ingesteld, maar men moet deze kritiek ook richten tot zich zelf. Men moet schiften wat moet worden bewaard en wat niet. Er zijn bijv. dingen die geen „dienst" meer kimnen doen, want waardevol is alleen datgene wat dienst kan doen en ook gedaan heeft in het verleden, en dit ook in de toekomst zou kunnen doen. Er is een verschil tussen antiquiteit en antiek. Bij „bewaren" gaat het om datgene wat kostbaar is, dat wat nooit mag veranderen. Daar tegenover staan dingen die oud zijn en verouderd en waarbij verande­ ringen een gewone en belangrijke zaak zijn.

In Johannes 21 wordt gesproken over „Hoed Mijne schapen". Ik denk in dit verband aan het beeld van de boer. Een boer heeft een bepaalde veestapel, die wel verandert b.v. door geboorte en sterfte. Maar hij kan die registreren. Als er iets weg is, dan mist hij het. In het leven van de boer met zijn veestapel zit een zekere rust en een zekere continuïteit. De zoon volgt de vader meestal op. Dit geeft natuurlijk wel iets eenzijdigs, maar er zit een grote mate van trouw en van nuchterheid in. De boer leeft bij waardevolle dingen die zijn overgeleverd. Wanneer iets nieuws zich aandient, dan kijkt hij nuchter de kat uit de boom. In het leven van de boer zit iets zeer bestendigs. „De boer hij ploegde voort". De boer is verantwoordelijk voor hetgeen aan hem is toevertrouwd.

Dit is ook een van de functies van de kerk. De kerk moet daarin trouw zijn en blijven. In dit verband noemt spreker het pastoraat. Wie het pastoraat over het hoofd ziet, loopt gevaar, dat hij als het ware buitengaats gaat varen en straks geen thuishaven meer heeft waarop hij terug kan vallen.

„Bewaren" is een ernstige zaak, zowel voor onze gemeenten, als voor onze kerk en kan dienen ter voorkoming van verschraling, vergiftiging, roof en misleiding.

(Muiden)

(Wordt vervolgd.)


*) Het jaar van de eerste definitieve inpoldering. Ouddorp en Goeree zijn reeds veel ouder.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juni 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Bewaar en vermeerder Uw Kerk

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juni 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's