Uit het nieuwe Testament
14
1 Corinthe 11 : 13-16.
Nog eenmaal willen wij onze aandacht zetten op dit gedeelte van 1 Corinthe 11. De apostel is aan het einde van zijn betoog gekomen. Beginnende met de orde God-Christus, Christus-man en manvrouw, heeft hij de van God gestelde verhouding tussen de man en de vrouw uiteengezet en aangetoond, hoe die reeds in de schepping gegeven is en in de gemeente moet gehandhaafd worden. En omdat er moeilijkheden gerezen waren op dit punt, heeft hij er met nadruk over gesproken, hoe het optreden van de vrouw in het openbaar en in de godsdienstige samenkomsten daarmee in overeenstemming moest zijn. Tenslotte doet de apostel, ter ondersteuning van zijn betoog, zelfs nog een beroep op het natuurlijk gevoel en op het gezond verstand van de Corinthiërs.
Nogeens bedenken wij, dat de moeilijkheden dus hierin schuilden, dat de vrouwen bij het profeteren en bidden hun hoofdbedekking, de sluier, afwierpen en het haar in extase los lieten hangen. De apostel bestrijdt dit doen. Doch hij weet, dat zij welhcht maar niet zó van dit doen zijn af te brengen. Met een zekere hoogmoed en hardnekkigheid zullen zij er aan willen vasthouden. Tegenover dit alles doet Paulus nu nog een beroep op het gezond verstand. Laten de Corinthiërs het zelf maar zeggen: oordeelt onder uzelf, d.i. „onder elkaar" of „bij uzelf" — : „is het betamehjk dat de vrouw ongedekt God bidde? "
De Corinthiërs, die zo wijs bij zichzelf willen zijn, moeten hun gezond verstand maar eens laten spreken. Dan zullen zij moeten toegeven, dat het niet past dat de vrouw ongedekt tot God bidt. Dan zal ieder het moeten zeggen, dat het niet behoorhjk is, dat de vrouw dit zó doet, dat zij het haar niet heeft opgemaakt en daarbij niet een band of net of sluier draagt, welke immers als bedekking golden.
Een andere maal wezen wij er reeds op, hoe Paulus in heel dit gedeelte blijk geeft, zich aan te sluiten bij de zeden en gewoonten van zijn tijd. Dat blijkt ook weer uit wat hij hier zegt. Wij weten b.v. dat de Jood bad met het hoofd gedekt. In de Griekse wereld, waartoe dus ook Corinthe behoorde, was het echter de gewoonte, dat de vrouw in het openbaar het hoofd gedekt had. Bij een begrafenis van ouders, hadden de zoons het hoofd gedekt, de dochters het hoofd ongedekt. Want bij rouw behoorde het buitengewone, het ongewone. Het tegenovergestelde was dus het gewone, de zede! Daarbij sluit de apostel zich hier dus aan.
Eveneens zagen wij reeds, dat dit niet inhoudt, dat voor de apostel die zeden op zichzelf altijd normatief zijn. Ze kunnen immers wisselen. Toch is het duidehjk, dat Paulus in déze zede meer ziet dan een „toevallige", zinloze gewoonte. In deze zede ziet hij zichtbaar gedemonstreerd de positie van de vrouw, dat zij n.l. een macht op het hoofd zou hebben en een hoofd boven zich zou erkennen.
In aansluitüig hierop wijst de apostel zelfs nog op de natuur. Die roept hij nog als getuige erbij. Hij maakt ze als het ware tot een levend persoon, die alle eeuwen door de mensheid iets leert. Ja, wat? De apostel komt ook hier weer terug op de haardracht. Dat, als een man lang haar draagt, dat iets schandehjks heeft, doch dat als een vrouw lang haar draagt, haar dat een eer is.
Inderdaad ligt dit zo. Het is waar, dat er afwijkingen in dit opzicht zijn voorgekomen. Wij denken aan Israël, aan het voorschrift voor de haardracht van de Nazireeërs. En de Batavieren droegen lange haren en lange baarden. Doch even waar is, dat over het algemeen, heel de geschiedenis door, volgens berichten en afbeeldingen, de vrouw het haar lang draagt en de man kort. In de wereld van Paulus' dagen was dat ook het geval.
Het lange haar betekent voor de man iets wekelijks, iets vreemds, iets tegennatuurlijks. Voor de vrouw het tegendeel. Het strekt haar tot eer, het is bij haar natuurlijk. Het past bij haar als vrouw en accentueert juist haar positie als vrouw en haar verhouding tot de man.
De apostel zegt ervan op deze plaats: „het lange haar is haar tot een bedekking gegeven". Uit het geheel van zijn betoog is nu wel duidelijk, hoe hij dit bedoelt. Het past bij de vrouw, dat haar haar zó lang is, dat zij het kan opmaken, zó, en dat gold voor Paulus' dagen, — dat zij het met band of net of sluier dragen kon. Want op die manier kwam zichtbaar haar bijzondere positie uit, welke ook juist haar éér was!
Wij kunnen het dus niet anders zien, dan dat de apostel het in dit gedeelte niét heeft over het lange haar op zichzelf. Hij zou ook zeker geen maatstok hebben willen gebruiken; die kan opgeborgen blijven! Maar wel zien wij het zo, dat de apostel de haardracht ook weer niet onverschilhg is! Integendeel, die zal zó moeten zijn, dat ze de van God gestelde orde zichtbaar maakt.
Even bedenken wij hierbij, dat die vrouwen in de Corinthische gemeente, die onbedekt wilden bidden en profeteren, het haar ook nog lang hadden, doch los hangend, niet zó opgemaakt, als behoorlijk was. Dat het haar tot een bedekking gegeven was, kwam, door wat zij deden, niet meer uit. En dan was het die vrouwen evenmin tot eer; zij vielen uit hun rol, en verwijderden zich van hun plaats, welke door God Zelf gesteld was.
Intussen, nogeens kunnen wij zo verstaan, wat voor óns nog het onderwijs is, dat in dit gedeelte én ook in deze verzen gelegen is. Zeden en gewoonten veranderen, niemand zal wat Paulus hier schrijft, naar de letter willen overbrengen en toepassen. De kleding en ook de haardracht van de vrouw zijn anders dan in Paulus' dagen. Toch willen wij dit als de les uit dit gedeelte op ons laten inwerken: het leert ook óns, dat altijd en ook nu de vrouw het haar zó zal dragen, dat het zichtbaar demonstreert haar bijzondere positie. Niemand ghmlache hierom alsof het slechts een zaak betrof, welke alleen maar onbelangrijk is. Want dan zeggen wij het nog éénmaal, dat in de regel de innerhjke gesteldheid van de mens zich in het uitwendige wil uitdrukken en dat andersom dat uitwendige op de lange duur invloed uitoefent, hetzij ten goede, hetzij ten kwade, op het innerlijk leven van de mens. Iemand, die zich keurig kleedt, dwingt vaak meer respect af, dan iemand, die slordig is in zijn optreden. Zo kan ook het haar op zulk een wijze gedragen worden, dat het het eigenlijk vrouwelijke doet uitslijten en de vrouw maakt tot een mislukte copie van de man!
De les uit dit gedeelte behelst méér. In de dagen van de apostel droeg de vrouw het haar dus zó, dat het met band of net op te maken was en zij verscheen in het openbaar met de sluier. Paulus ziet dit als zinvol, tekenend, sprekend van die macht op het hoofd en van dat hoofd boven zich! Sprekend van die niet oneervolle, maar eervolle, heilzame orde Gods! Wij zeggen niet, dat het precies op dezelfde manier moet als in Paulus' dagen, doch wij zeggen wel: laten onze vrouwen en meisjes bedenken, dat zij zich, zeker, waar de gemeente zich stelt voor Gods aangezicht en waar zelfs de engelen bijzonder toezien, zó vertonen, dat nóg deze door God gestelde orde in het uitwendige zichtbaar blijve!
En zo durven wij te zeggen, dat de les uit dit gedeelte nog méér behelst. Reeds zagen wij, dat het in dit gedeelte niet alleen gaat om de haardracht en de hoofdbedekking, doch om heel de kleding. Wij weten, dat die o.a. dient tot bedekking. Wij durven te zeggen, dat, waar dit de vrouw betreft, dit nog een bijzonder accent krijgt. In heel haar optreden, ook in haar kleding moet zij laten uitkomen dat een bijzondere trek van haar bestaan is het bedekkende, omhullende. Zeker, thans zijn de maatschappelijke verhoudingen van die aard, dat de vrouw allerlei beroepen uitoefent, ook in het openbare leven. Maar het blijft gelden, dat zij haar schoonste taak viadt in het gezin, als vrouw en als moeder. Wel staat zij daar op een plaats, méér op de achtergrond, doch niet minder belangrijk. De toestanden in de maatschappij én in de kerk worden nog altijd voor een niet gering deel bepaald door de toestanden in het gezin, waarop juist de vrouw zo vaak haar stempel zet.
Welnu, dit is dat bedekkende, omhullende en verborgene in haar bestaan, wat het niet minder van betekenis doet zijn!
Ja, wij durven hier nog verder te gaan. Man zijn, maar ook vrouw zijn is een beschikking Gods. En nu mogen wij zeggen, dat het Hem behaagd heeft in Zijn schepselen vaak iets te leggen, dat een bepaalde kant of trek van Zijn grote werk in de schepping en in de herschepping afbeeldt. Zo heeft Hij dat ook aan de vrouw gegeven. En dat is haar bijzonder ambt. Wij denken hier weer aan wat Paulus schrijft in Efeze 5 over Christus en Zijn gemeente. Die gemeente is in overdrachtelijke zin de bruid, de vrouw, van Christus. Nu móet, mag, de vrouw binnen het huwelijk daar in haar verhouding tot de man iets van afschaduwen. Gaan wij te ver, als wij dat overdragen op de vrouw in het algemeen, zeker, in de gemeente des Heeren? Dan bedenken wij dit, dat de gemeente Gods zeer zeker een roeping heeft in de wereld, in bepaalde zin heeft zij uitvalspoorten naar de wereld en het staat niet best, als ze die poorten gesloten houdt.
Tegenwoordig is het bijna een mode geworden, daarop de nadruk te leggen. Wij willen echter ook de andere kant van de zaak benadrukken nl. dat de gemeente Gods anderzijds iets geslotens en verborgens in zich draagt. Haar eigenlijk geheim is niet te verstaan en haar eigenlijke schatten zijn niet te kennen door de natuurlijke mens, want die verstaat niet, — en dat is zijn onmacht en zijn onwil! —, de dingen, die des Geestes Gods zijn. Alleen door het wonder van de Heilige Geest verstaat en kent hij ze. Dat geheim en die schatten zijn de rijkdommen van het Evangelie. En dat mag ieder worden aangeboden. Maar nóóit als gewone koopwaar. Dit Evangelie is voor de mens. Doch het draagt ook heel sterk een tegenover in zich. En alleen de Heilige Geest wint voor dit Evangelie in!
Bovendien is de gemeente Gods, naar haar wezen, niet meer van de wereld doch van haar Heere. Zij staat ópen naar Hem heen, vóór Hem, maar niet meer voor de wereld. Een goed verstaander weet, hoe dit bedoeld is! Hoewel de gemeente Gods een roeping heeft in de wereld, is ze ook als de vrouw uit Openbaring 12, die vlucht in de woestijn. Zo kan ook in haar bestaanswijze niet gemist worden dat bedekkende, omhullende, verborgene! En verstaan wij het nu verder: de vrouw is geroepen van Godswege, binnen het huwelijk én daarbuiten, déze karaktertrek van de bruid en de vrouw van Christus, af .te beelden, ook in haar leefwijze en kleding. Dat is haar eer!
Heeft het geen zin, dat wij op deze dingen wijzen? Nog eens, het kan niet onze bedoeHng zijn in deze kwestie op alle slakken zout te leggen, doch kan men zich soms niet zó kleden en kan men soms niet zo optreden, dat wij zeggen moeten: dit is tegen alle fatsoen? Wij voegen nu daaraan toe: bewijst men met zulk een optreden niet, dat men ook geen begrip meer heeft of hebben wil van de lijnen en perspectieven, die God Zelf in ons leven getrokken en gelegd heeft? En Hij wil niet dat wij die uitwissen en uit het oog verliezen! Dit is het tegendeel van bekrompenheid. Want hier gaat het om de diepten en wijdten van wat God ons heeft geopenbaard!
Tenslotte maakt de apostel hier nog één opmerking. Hij weet, wat leeft in de Corinthische gemeente, hij veronderstelt verzet tegen wat hij schrijft. Misschien zullen zij in Corinthe zeggen, dat hij twist en ruzie zoekt. Maar die beschuldiging kan hij ver van zich werpen. Die mogen er dan zijn in de wereld, twisten ruziezoekers, dat zijn Paulus en zijn medearbeiders zeker niet. Natuurlijk is het hen er niet om te doen om personen te treffen, maar het gaat hen om de zaak! En die is van zulk een belang, dat de apostel daaraan vasthoudt, al laadt hij de schijn op zich een twistzoeker te zijn.
Hij voegt er nog aan toe, dat het zoeken van twist en ruzie ook niet de gewoonte is in de gemeente. Ook wat dit betreft, geldt het, dat er niets nieuws is onder de zon. Paulus weet ook wel, dat er altijd weer mensen in de gemeente zijn, die zich daaraan schuldig maken, die het minder dan om de fundamentele dingen, om bijzaken en persoonlijke kwesties en persoonhjke eer te doen is. Maar de apostel wil zeggen: dat mag in de gemeente Gods niet zo zijn. Dat is tegen de regel, welke in die gemeente gelden moet! En zo zit wellicht aan wat de apostel in vers 16 zegt, ook nog een scherp kantje: wanneer die dames in de Corinthische gemeente niet luisteren wilden, dan zochten zij twist en ruzie. En, zo bedoelt Paulus dan te zeggen: dat mag niet! Aldus doet men niet in de gemeenten des Heeren, dus ook niet in de Corinthische gemeente!
Intussen, thans sluiten wij de brede bespreking van dit gedeelte van 1 Corinthe 11 af. Over enige weken willen wij eerst énkele andere gedeelten uit het Nieuwe Testament bespreken, omdat daarom gevraagd is. Daarna zullen wij D.V. het vervolg van 1 Corinthe 11, stellig eveneens een belangrijk gedeelte, behandelen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juli 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juli 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's