Aan de voeten van Gamaliël
Ik ben een joods man, en te Torsen in Cilicië geboren, opgevoed in deze stad, aan de voeten van Gamaliël onderwezen naar de bescheidenste wijze der vaderlijke wet... (Hand. 22 : 3.)
Als een jongen van omstreeks vijftien jaar werd Saulus van Tarsen door zijn vader naar Jeruzalem gezonden. Dat geschiedde in verband met zijn opvoeding. Te Jeruzalem zou hij namelijk die opleiding kunnen ontvangen, die van hem een joodse wetgeleerde maken kon.
Hoewel het joodse volk geen politieke zelfstandigheid meer bezat, was niettemin Jeruzalem nog immer een stad van betekenis. Het was het geestelijke middelpunt gebleven van alle Joden — waarheen zij ook over de gehele wereld verspreid waren. En hoe grote rol het speelde in het geloof der Joden, blijkt wel uit de religieuze literatuiur van die dagen, die ons bewaard gebleven is. Het werd genoemd: de navel van de wereld. En men geloofde, dat ook in de toekomst des Heeren Jeruzalem een belangrijke plaats in zou nemen.
In dit verband zouden wij willen wijzij op een passage in het apocriefe boek Tobit, uit ongeveer 180 voor Christus, dat ook nog in oude uitgaven van de Statenvertaling voorkomt. Aan het einde van dat apocriefe boek wordt verteld, dat Tobit zijn mond opende en God loofde om alle weldaden, die hij van Hem ontvangen had. In deze lofzang zegt hij o.a. het volgende: „Ik zal mijn God verheffen, en mijn ziel zal de Koning des hemels (loven), en zijn grote heerlijkheid met vreugde zingen. Dat een ieder spreke, en hem dankzegge in gerechtigheid. Jeruzalem, gij heilige stad. Hij zal u kastijden over de werken uwer kinderen, en Hij zal zich weder ontfermen over de kinderen der rechtvaardigen. Dankt de Heere, want Hij is goed, en looft de Koning der eeuwigheid, opdat Zijn tabernakel met vreugde in u mag göbouwd worden; en Hij de gevangenen in u verheuge, en de ellendigen in u liefhebbe, in alle geslachten der wereld. Vele volken zullen van verre komen tot de Naam Gods, des Heeren, hebbende gaven in hun handen, en dat, gaven voor de Koning des hemels. Alle geslachten na elkander zullen u prijzen, en zullen u vervrolijking toebrengen. Vervloekt moeten zij allen zijn, die u haten; gezegend daarentegen zullen zij allen zijn, die u liefhebben, in eeuwigheid. Verblijd u en vervrolijk u over de kinderen der rechtvaardigen, want zij zullen bijeenvergaderd worden, en zij zullen de Heere der rechtvaardigen loven. O, welgelukzalig zijn zij, die u liefhebben, zij zullen zich verblijden in uw vrede. Welgelukzalig zijn zij, die zich bedroeven over al uw kastijdingen, want zij zullen zich verblijden over u, als zij al uw heerlijkheid hebben aanschouwd, en zullen zich vervrolijken in eeuwigheid. Mijn ziel love God, de grote Koning. Want Jeruzalem zal met saffier en smaragd en met kostelijke stenen gebouwd worden; en uw muren en uw torens en bolwerken met zuiver goud. En de straten van Jeruzalem zullen met berylsteen en karbonkel en stenen uit Ofir bestraat worden, en al haar wijken zullen zeggen: Hallelujah, en zullen prijs zingen, zeggende: Geloofd zij God, die ons verheven heeft in alle eeuwigheid." 1)
In deze dankzegging tot God spreekt Tobit dus uit, dat hij gelooft aan de wederopbouw van de stad Jeruzalem, wanneer de Heere zijn volk bijeenvergaderen zal uit de ganse aarde. En wat Tobit in de mond gelegd is, was bij velen een stuk van hun godsdienst.
Wij zouden ook kunnen wijzen op de zogenaamde Psalmen van Salomo — een groep van achttien liederen, die ons een getrouw beeld geven van de religieuze stemming van het Palestijns Jodendom vlak voor de geboorte van Christus, en die stammen uit de kringen der Farizeeërs. In de elfde psalm wordt het verlangen naar verlossing vertolkt, zoals dat in die kringen gevonden werd: „Stel u op een hoogte, Jeruzalem. En zie, hoe thans uw kinderen van oost en west door de Heere bijeenvergaderd worden. Van het noorden komen zij, vol van jubel over hun God, en God verenigt hen van de verre eilanden af. De bergen maakte hij tot vlakten voor hen. Bij hun intocht vloden de heuvels; de wouden gaven hun schaduw op de reis. Verschillend reukhout liet God hun groeien. Zo kon Israël intrekken onder de schutse van de rechten van zijn God. Jeruzalem, trek uw staatsieklederen aan. En houd uw heilig gewaad gereed. Want God beloofde voor Israël zijn zegen voor eeuwig en altoos. De Heere vervult, wat Hij Jeruzalem en Israël beloofd heeft. De Heere richt thans Israël op door zijn glorierijke naam. De erbarming des Heeren is over Israël voor altoos en eeuwig." 2)
Tenslotte zouden wij ook nog de aandacht kuimen vestigen op de Sibylijnse Orakels. Naar het voorbeeld van heidense orakelspreuken hebben de Joden, en later eveneens bepaalde Christenen, allerlei voorspellingen te boek gesteld, die de verbreiding van het joodse geloof in God moesten helpen verbreiden. In het derde boek der Sibyllijnse orakels nu, dat grotendeels uit de tweede en de eerste eeuw voor Christus dateert, lezen wij de volgende „profetie" over Jeruzalem: „Wees verheugd, o dochter. Jubel luid. De schepper des hemels en der aarde gaf u eeuwige vreugde. Hij woont in uw midden en alzo hebt gij onsterfelijk licht." 3)
Met die woorden drukte de jood de heerlijkheid van Jeruzalem uit. Jeruzalem was voor hem de plaats van Gods heil, die de Heere tot een eeuwig bouwwerk eenmaal herbouwen zou, die in heerlijkheid vernieuwd zou worden, en die in de nieuwe tijd het middelpunt niet alleen van alle Israëlieten, maar ook van alle volken der aarde wezen zou.
Naar dat Jeruzalem leidde Saulus' weg, toen hij voor zijn opleiding in de joodse leer zijn vaderstad verlaten moest. Daar zou hij onderricht worden in de theologie der rabbijnen. En wel aan de voeten van rabbi Gamaliël.
Het Nieuwe Testament vermeldt ons, dat deze Gamaliel tot de „richting" der Farizeeërs behoorde, als leraar der wet een man was „in waarde gehouden bij al het volk." 4) Ook uit andere bronnen is ons dat bekend. Hoog was het aanzien, dat Gamaliël onder zijn joodse volksgenoten bezat. In de Misjnah — een joods geschrift, waarin in het begin van de tweede eeuw na Christus vele mondelinge overleveringen en instellingen der wetsleraars schriftelijk vastgelegd zijn — wordt hij verscheidene malen genoemd. Hij was een van de voorzitters van het Sanhedrin. En een zoon of kleinzoon van de beroemde rabbi Hillel. Uit wat wij van hem weten uit de buiten-bijbelse bronnen, is wel duidelijk, dat hij een van degenen geweest is, die de Joden geestelijke leiding gegeven hebben in een zeer verwarde tijd. Hen, die van zijn „partij" waren, heeft hij grote eerbied voor de plaats van de ark Gods ingeprent. Wij lezen tenminste ergens: „Daar waren dertien Sjofar-kisten 5), dertien tafels en dertien knievallen in de tempel. Die van het Huis van Gamaliël en van het Huis van rabbi Chanina, de overste van de priesters, plachten veertien knievallen te maken. En waarom werd er één (knieval) aan toegevoegd? Tegenover de bewaarplaats voor het hout — want alzo was onder hen de overlevering van hun voorvaderen, dat daar de ark verborgen lag."6)
Ook wordt verhaald, hoe allerlei veranderingen in de praktijk van het recht door hem zijn ingevoerd. Bijvoorbeeld die, op grond waarvan een vrouw, die slechts één getuige had, toch toestemming kreeg om te hertrouwen.'7) Deze door Gamaliël ingevoerde verandering is ons als volgt overgeleverd: „Rabbi Aldba zei: Toen ik naar Nehardea ging om een schrikkeljaar te bepalen, ontmoette mij daar Nehemia van Beth-Deli, en hij zei tot mij: Ik heb gehoord, dat in het land van Israël de wijzen, behalve rabbi Juda ben Baba, niet dulden, dat een vrouw hertrouwt op het getuigenis van één getuige. Ik antwoordde: Zo is het. Hij zei tot mij: Zeg hem in mijn naam (ge weet, dat dit land in verwarring is vanwege de verwoestende benden) dat ik een overlevering van rabbi Gamaliël de Oude ontving, dat een vrouw kan hertrouwen op het getuigenis van één getuige. En toen ik terugkwam, en de zaak voor rabbi Gamaliël de Jongere (een kleinzoon van de leermeester van de apostel) verhaalde, verheugde hij zich op mijn woorden en zei: Nu hebben wij een leerling voor rabbi Juda ben Baba gevonden (die dit steeds geleerd had). Daarop herinnerde rabbi Gamaliël (de Jongere) zich, dat sommige mensen te Tel-Arza gedood waren, en dat rabbi Gamaliël de Oudere toestond, dat hun vrouwen op het getuigenis van één getuige hertrouwden. En de regel werd vastgelegd, dat een vrouw hertrouwen mocht op het getuigenis van één getuige, die getuigt wat hij heeft gehoord van een andere getuige, of een slaaf, of van een vrouw, of van een vrouw die lijfeigene is ..." 8)
Mogen wij geloven, wat hier gezegd wordt, dan is dus Saulus' geestelijke leermeester een man van gezag geweest, tot zelfs na zijn dood toe, in de tijd van zijn kleinzoon.
Ook de Schrift tekent hem op die wijze. Want wanneer de apostelen Petrus en Johannes voor de joodse raad ge bracht zijn om daar ondervraagd te worden, waarom zij niet ophouden in de naam van Jezus te leren onder het volk, gelijk hun bevolen was, dan is het Gamaliël, die temidden van een woedend Sanhedrin de wijze raad geeft hen niet te doden. Hij gebiedt de beide apostelen even te verwijderen, en hij zegt dan de bekende woorden: Houdt af van deze mensen, en laat hen gaan; want indien deze raad of dit werk uit mensen is, zo zal het gebroken worden. Maar indien het uit God is, zo kunt gij dat niet breken; opdat gij niet misschien bevonden wordt ook tegen God te strijden. En dan staat daar in de Handelingen der Apostelen zo typerend achter: en zij gaven hem gehoor! Begrijpelijk, dat een joodse spreuk uit later tijd van deze man-metgezag gezegd heeft: „Toen rabbi Gamaliël de Oude stierf, week de glorie der Wet; reinheid en onthouding kwamen om."9) Op welke manier heeft deze geeerde en aanzienHjke rabbijn de jongeling uit Tarsus ingeleid in de joodse leer? Dat is een vraag, waarop wij nog nader terug hopen te komen.
1) Tobit 13 : 8-21. Naar de vertaling in „De Apocriefe Boeken", J. H. Kok N.V., Kampen, 1958, deel I, pag. p. 111.
2) Psalmi Salomonis, XI vers 2-9. Cf. A. Rahlfs: „Septuaginta", Stuttgart, 1952, vol. II, p. 482.
3) Orac. Sibyll., III, 785-787. Cf. P. Rieszler: „Altjüdisches Schrifttum", Augsburg, 1928, S. 1037.
4) Cf. Hand. 5 : 34.
5) De sjofar-kisten zijn kisten, waarin de ramshoorns bewaard werden, waarop bij de grote feesten geblazen werd.
6) Cf. H. Danby: „The Mishnah", London, 1954, p. 158.
7) In aansluiting bij het Schriftwoord, dat in de mond van twee of drie getuigen alle woord vaststaan zou, hielden de rabbijnen zich aan de regel, dat minstens twee getuigen nodig waren.
8) Cf. H. Danby, o.c, p. 244.f.
9) Cf. H. Danby, o.c, p. 306.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juli 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juli 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's