De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

8 minuten leestijd

Zoals de Geref. Bond elk voorjaar zijn jaarvergadering heeft, zo kent de Confessionele Vereniging elke zomer zijn jaarlijkse conferentie, waarop naast de behandeling van diverse jaarstukken dikwijls belangrijke referaten worden gehouden over velerlei vraagstukken, het leven van de Hervormde Kerk rakende.

Eén van de onderwerpen, deze zomer op genoemde conferentie gehouden, was dat van prof. dr. van Itterzon over „1961 en de leertucht". Als deskundige in het kerkrecht was prof. van Itterzon wel bij uitstek de man om dit onderwerp in te leiden. Men behoeft niet lang te raden naar de achtergrond van dit referaat. De geruchtmakende kwestie-prof Smits speelt hierin een grote rol. Vandaar dat de Confessionele Vereniging de leertucht aan de orde stelde.

De hooggeleerde referent publiceert zijn referaat in het „Hervormd Weekblad De Gereformeerde Kerk". Van het door hem betoogde wiUen wij onze lezers gaarne deelgenoot maken in deze persschouw.

Prof. Van Itterzon begon met te zeggen: dat er een hardnekkig misverstand in de kerk heerst, zelfs onder ambtsdragers, nl. dat pas in 1961 een begin met de leertucht kan worden gemaakt. Dit is onjuist. Met de invoering van de nieuwe kerkorde kon nog wel geen justitiële, maar in ieder geval wel judiciële leertucht plaats vinden. Een volledige leertuchtproces, tot én met de afzetting van een dienaar des Woords toe, hetgeen pas in 1961 mogelijk is, telt 13 trappen. Maar tussen de jaren 1951 en 1961 waren van deze 13 trappen er al 11 mogelijk. Alleen de laatste 2, de afzetting, waren opgeschort.

Na een overzicht te hebben gegeven van deze 11 trappen, schrijft prof. van Itterzon als volgt:

Het zijn deze 11 stappen, die de kerk al sinds 1951 heeft kunnen nemen en die zij (waarom zouden wij het verzwijgen) niet genomen heeft. Dat is een punt, waaraan wel eens enige aandacht mag worden geschonken. Immers toen de kerkorde in 1951 werd ingevoerd, is in den brede onderscheid gemaakt tussen de leertucht vóór 1961, en die na 1961. De eerste periode, waarin wij nog verkeren, werd dan die van de judiciële leertucht genoemd, tegenover de periode van 1961 en daarna als die van de justitiële leertucht. Het verschil lag zo: In de jaren 1951- 1961 waren het de 11 genoemde trappen, die zonder enige hindernis konden worden bestegen. Het waren trappen. De klim was niet eenvoudig en kon op èlk ogenblik worden beëindigd. Want op elk gewenst moment kon de provinciale kerkvergadering verklaren, dat de zaak was onderzocht en dat er geen reden was ermee door te gaan. Want al begon men met de 11 trappen, dan betekende dit nog niet, dat ze alle moesten worden betreden. De dominee kon immers van inzicht veranderen? In de samensprekingen, vol broederlijke tucht, kon toch worden bereikt, dat de predikant een ander gevoelen kreeg? Bovendien kon blijken, dat de klacht ten onrechte was ingediend of dat de zaak zo erg niet was als bij de aanvang was gevreesd. Misschien waren er wel afwijkingen en dwalingen, maar dan toch niet üi' die mate, dat van een aantasten van de fundamenten der kerk mocht worden gesproken. Neen, ordinantie 11, de ordinantie voor het opzicht, mt)cht de indruk niet wekken van ketterjacht en inquisitie: in elk stadium van de langademige procedure kon de betrokken, predikant weer in vrede naar zijn gemeentelijke arbeid worden teruggezonden Er waren genoeg instanties, die konden oordelen, dat het proces kon worden beëindigd, als: de visitatorenprovinciaal, de provinciale kerkvergadering, de raad voor kerk en theologie, de bijzondere synodale commissie en de Generale Synode zelf. Een grotere soepelheid is werkelijk niet denkbaar. De leertucht is wel met buitengewone zorg omtuind. Voorzichtigheid' is ook hier de moeder van de porseleinkast.

Dan wijst prof. wn Itterzon er op, dat een dergelijke tuchtoefening voor een predikant geen eenvoudige zaak is. Al dat gepraat en geconfereer is voor hem doodvermoeiend. Maar één ding stond voor zo'n predikant vast: hij kon niet worden afgezet.

Hij kon de fundamenten ondergraven, maar hij werd niet ontheven. Hij kon de allerergste en voor de kerk levensgevaarlijke leringen verkondigen, maar ontslag volgde er niet. Ieder begrijpt, dat wij deze stand van zaken ten diepste hebben betreurd. In het zakenleven is het ondenkbaar, dat een handelsreiziger voor zijn zaak op pad gaat, onderweg zijn firma tot op de bodem afbreekt, op het matje komt, openlijk aan ondermijnende activiteit wordt schuldig bevonden en dan toch van zijn firma nog 10 jaar vrijheid ontvangt om de fundamenten van het huis der handelsfirma te ondergraven. En dat nog wel op kosten van de directie! Maar wat in de maatschappij overal ondenkbaar is, werd in de kerk 10 jaar lang wettig en mogelijk. Immers, het klonk wel kloek en vastberaden, als artikel X der kerkorde verklaart: ,,De kerk weert al wat haar belijden weerspreekt", maar in de overgangsbepalingen 248-250 werd deze stoutmoedige verzekering voor 10 jaren lang krachteloos gemaakt. Wat zelfs onder het regiem van 1816 niet was gereglementeerd, kreeg nu in de overgangsbepalingen kracht van wet. Een predikant, die dat wenste, had leer vrijheid, tot het aantasten van de fundamenten der kerk en tot het grofste heidendom toe. Hij mocht dan al lastig worden gevallen door diverse vergaderingen en commissies, hij mocht haast eindeloos worden verhoord, hij mocht tot vermoeiens toe worden ondervraagd, uiteindelijk wist hij toch, met de wet in de hand: ze doen mij niets. Nog niet. Tot 1961 kan ik ongestoord met mijn aantasten der fundamenten doorgaan. Waarbij hij natuurlijk geen ogenblik mocht vergeten, dat 1961 in zicht was en dat hij in dat befaamde jaar tenslotte wel eens de vruchten kon plukken van het onkruid, dat hij te voren met een ongekende vrijmoedigheid had gezaaid.

Heel snedig merkt prof. Van Itterzon dan op, dat het met de kerk zelf is als met haar kerkgebouwen. Als monumentenzorg ontdekt, dat de fundamenten van een kerkgebouw worden ondermijnd, grijpt zij in. De kerk zou immers kunnen verzakken, de muren zouden kunnen scheuren, toren en dak instorten.

Als niet hier of daar een enkele steen afbrokkelt en wat pleisterwerk afvalt, doch als fundamenten worden aangetast, is dat toch werkelijk geen kleinigheid.

Nu is daartegen opgemerkt, dat de kerk rust nodig had. In de vorige eeuwen was er namelijk zoveel ontreddering gekomen en was zoveel scheef gegroeid, dat het niet aanging om zonder de nodige overgangstijd alles te willen recht trekken. Voor dit argument kan niemand blind zijn, maar wij waren van mening en hebben dit ook uitgesproken, dat de 13 trappen van ordinantie 11 al duidelijk waren opgesteld met het oog op de door en door ziekelijke toestand onzer kerk. Na zoveel jaren van praktische leervrijheid moest voorzichtig en opvoedkundig worden opgetreden en elke behandeling van leermoeilijkheden die met de nood der prediking in onze kerk geen reke­ ning hield, moest in dit tijdsgewricht ontactisch en wellicht zelfs onchristelijk worden geacht. Daarom kon het ingewikkeld en adembenemend proces van jaren op den duur, naar mate de kerk weer genezingsverschijnselen ging vertonen, wellicht worden vereenvoudigd. Het was de vraag, of het op den duur een „tere" behandeling zou mogen worden genoemd, als een geestelijke patiënt door zoveel verschillende dokters zou moeten worden onderzocht. Dat zou wel eens de dood van de ziekte kunnen blijken te zijn. Daarom konden de langwijlige leertuchtregelingen van ordinantie 11 al beschouwd worden als te zijn ingegeven door de noodsituatie, waarin onze kerk nog steeds verkeert. De synodale wetgever heeft echter gemeend, dat de gewone bepalingen van de ordinantie voor het opzicht nog moesten wor. den afgezwakt en daaraan hebben we de genoemde overgangsbepalingen te danken, die zeiden: wèl leertucht, maar tot 1961 zonder de mogelijkheid van ontheffing uit het ambt. Wèl tucht, maar niet de consequentie van afzetting.

Dan wijst prof.Van Itterzon nog eens op het onderscheid in de leertucht tussen vóór 1961 en na 1961.

Vóór 1961 was het allerlaatste, dat de synode een eindoordeel uitsprak én dit aan de betrokken predikant en aan de gehele kerk bekend maakte. Dat was, na alle gehouden vergaderingen en besprekingen en overlegging van schriftelijke memories, toch geen slot, dat voor een predikant gemakkelijk en plezierig kon worden genoemd. Als een Generale Synode voor het aangezicht van kerk en wereld bekend maakt, dat ds. X naar het oordeel van alle instanties en zelfs naar het oordeel van de Generale Synode de fundamenten van de kerk aantast, staat een predikant er niet te best voor. Hij is dan voor het gehele vaderland gesignaleerd als iemand, die de kerk nog dagelijks ondermijnt en die zich door geen enkele kerkelijke vergadering heeft laten gezeggen. Vóór 1961 was het einde dus een synodaal oordeel, en omdat het woord „oordeel" in het Latijn „judicium" is, werd deze vorm van leertucht, die met een oordeel, een judicium, werd beëindigd, judiciële leertucht genoemd. In 1961 zou dan hierop nog de uitspraak kunnen volgen, dat de predikant van zijn ambt werd ontheven. Dan kon hij niet langer in bandeloze vrijheid de kerkelijke fundamenten aantasten. Dan werd hij veel ingrijpender door het recht der kerk aangepakt. Om deze forser manier van behandeling werd deze methode die van de gerechtigheid, die van de justitie genoemd. Justitiële leertucht dus.

Samengevat was het dus zo: voor 1961 judiciële leertucht; 11 trappen met een synodale afkondiging en een kerkelijke afkeuring aan het eind. Na 1961 justitiële leertucht; dezelfde 11 trappen met nog een 12e en een 13e erbij, met een vonnis van ontheffing uit het ambt ten besluite.

Dit gedeelte van het referaat van de hoogleraar laat aan duidelijkheid niets te wensen over. Een volgende keer hopen wij het overige gedeelte van zijn inleiding in deze persschouw op te nemen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juli 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juli 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's