TOT OP DEZE DAG
HET WOORDJE U
In verband met de wijze van preken wil ik toch nog iets naders zeggen over de woord- en naamkeuze. Sinds de taal en spreekwijze aan het veranderen zijn, veranderen ook de namen. Wij moeten daarin met de tijd wel meegaan ofschoon het de ouden moeilijk valt om zich nu anders uit te drukken dan voorheen.
Toch menen wij, dat dit met ouderdom niet te maken heeft, wanneer wij ons tegen sommige veranderingen blijven verzetten. Verandering van woorden mag immers niet betekenen verandering van gedachten.
Ik denk o.a. aan het woordje „U". Wij zeggen tot iemand, die boven ons staat, of die wij niet kennen: „U". Het is een beleefdheidsvorm, die onder ons al sinds jaren gebruikelijk is. Verbeeld u, dat wij iemand, die wij niet kennen, zouden aanspreken met „je" of „jou"! Dat zou niet minder dan lomp zijn.
Nu hoor ik, dat het al een gewoonte schijnt te worden van vele jongere predikanten, om de Heere God aan te spreken met: „U!"
In het gebed zeggen zij b.v.: „Heere, wilt U dat doen? " Sommigen zelfs: „Wilt U dat, als 't U belieft doen? "
Ik twijfel niet aan de oprechte gebedsbedoeling van die dominees, maar wat gaat men nu doen? Men gaat de menselijke beleefdheidsvorm, die onder ons gebruikelijk is, hier toepassen op het aanspreken van God. Alsof Hij niet hemelhoog boven onze beleefdheidsregels verheven was! Dit ruikt mij teveel naar de aardse salons.
Ik bedoel niet, dat men God dan maar moet aanspreken met: „Je" en „Jou". Ofschoon, wanneer een eenvoudig, ongeletterd christen dat doet, hindert mij dat niet. Hij zegt het immers in zijn eigen taal en in intieme omgang met God komt het er dan wel eens uit: „Heere, ik waag het op Jouw Woord!"
Wat hij wel mag, mogen wij daarom nog niet.
Dat woordje „U" kan bij mij geen genade vinden. Het klinkt in het gebed zo salonachtig beleefd tegenover God; maar heeft de Heere daar behoefte aan, dat Zijn schepselen eerst de aardse beleefdheidsvormen tegenover Hem in acht nemen en op Hem toepassen? Vóór de beleefdheid gaat toch eerst de eerbied en het diepe ontzag, waarmee wij vervuld moeten zijn voor de allerhoogste Majesteit Gods.
God vraagt van mij geen beleefdheidsvorm maar allereerst de volkomen aanbidding.
En daarom klinkt mij uit „U!" altijd weer tegen de zoetig-weeë mensenbeleefdheid van een vreemde tegenover zijn medemens in de oren. Hier geldt het niet de omgang van een mens tegenover een mens, maar van een schepsel tegenover zijn Formeerder.
In de Psalmberijming lezen en zingen wij nog overal: „Gij!" „Gij zijt mijn God; vat Gij mijn hand!" Voorlopig zingen wij nog niet: „U is mijn God, vat u mijn hand!"
Of wilt u zeggen, dat het hier poëzie geldt? Dus in poëzie „Gij' en in proza U? "
Bovendien heeft dat „Gij" nog wel een diepere zin. Het is wel degelijk van oudsher eerbiedig en intiem en ... strikt persoonlijk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juli 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juli 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's