De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VADERLAND IN DE VERTE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VADERLAND IN DE VERTE

10 minuten leestijd

Het opschrift hierboven geplaatst is de titel van een roman, in 1948 gepubliceerd door Annie Romein-Verschoor, waarin zij het leven en streven van Hugo de Groot zeer boeiend heeft getekend. Ieder, die iets weet van de grote wereldvermaarde Nederlander, die, dank zij de vindingrijkheid van zijn vrouw, in een boekenkist uit Loevestein is ontvlucht — hij was daarheen verbannen, omdat hij medestander was van Oldenbameveldt — zal die titel treffend vinden. Hij tekent ons in vier woorden een man, die om politieke redenen een groot deel van zijn leven buiten het eigen land moest doorbrengen, met in zijn hart het heimwee om terug te mogen keren en zijn volk en vaderland te dienen. Dat verlangen is nooit vervuld. Hugo de Groot stierf in ballingschap.

De titel van de historische roman van mevr. Romein-Verschoor, kwam weer in mij leven, toen ik mij verdiepte in het in maart van dit jaar verschenen „Dag­boek van mevrouw Colijn"1). En hij bleef mij vasthouden naarmate ik mij inleefde in het leven van de „balling" van Ilmenau, het bergstadje in Thüringen, waar Colijn van 27 mrt. 1942 tot 18 sept. 1944 — zijn sterfdag — werkeloos, maar met in zijn hart de hoop zijn land nog eens weer te mogen terugzien en te dienen, zijn laatste levensjaren moest doorbrengen.

Zeker, ik weet het ook wel, de omstandigheden en de aanleiding tot Colijn's ballingschap waren van geheel andere aard, dan die, welke Hugo de Groot buiten de landsgrenzen hielden. Maar beiden gemeenschappelijk was het heimwee naar het vaderland en het verlangen dat land nog weer te mogen dienen. Van beiden geldt het: „Vaderland in de verte". 

Mevrouw Colijn heeft haar dagboek geschreven met de bedoeling aan haar kinderen en kleinkinderen — de meesten vertoefden tijdens het uitbreken van de oorlog met Duitsland in Indië — een relaas te geven van wat htm vader en grootvader wedervoer, na diens in „bewaring" gesteld worden op maandag 30 juni 1941. Eigenlijk dus een doorlopende briefwisseling met hen, die ze met gewone correspondentie niet zou kunnen bereiken. De eerste aantekening dateert dan ook van de pasgenoemde datum. Het dagboek zoals het gedrukt en voorzien is van een „Inleiding" door de heer G. Puchinger uitgegeven, is verdeeld in vier onderdelen: „In Nederland"; „Samen in Duitsland"; „Alleen in Duitsland"; „Weer in Nederland".

Het eerste deel is het kortst. Dr. Colijn was ook betrekkelijk kort in Valkenburg. Hij had het er slecht in het Suangshotel, zozeer zelfs, dat zijn bewakers al spoedig — op zijn kosten echter — ergens anders gingen eten, wat dr. Colijn verboden was, en dat terwijl zijn specialist — dr. Colijn leed aan suikerziekte en angina pectoris — nadrukkelijk een goede verzorging had aanbevolen.

Uit de aard der zaak schrijft mevr. Cohjn, vooral in de beide eerste gedeelten, veel over haar man. Zo krijgen we een blik in zijn leven als „balling", de inrichting van zijn „werkeloos" doorgebrachte dagen — veel wandelen op advies van zijn geneesheer, geregeld enige uren per dag, soms zelfs 25 km, verder veel lezen —, zijn kijk op de situatie en duur van de oorlog, die mj niet voor 1945 zag beëindigd, zijn heldhaftig dragen van deze gedwongen rust en de overgave van wat hem wedervoer in de handen des Heeren. Door alles heen merken we, welk een harmonisch huwelijksleven dr. en mevr. Colijn hebben gehad, en hoezeer ze elkander sterkten, vooral in hun grote zorg over hun geliefden in Indië. Ook over de strijd daar had dr. Colijn, hoezeer uit de verte, zijn mening en kritiek. We voelen door dit stuk van het „Dagboek" groot vertrouwen van de echtgenote in haar man en tere zorg over zijn gezondheid. En dwars door alles heen het verlangen van de oud-minister om straks, na de vrede, in het vaderland terug te mogen komen en zijn koningin en volk te mogen dienen. Het is dan ook te verstaan hoe groot het verdriet van mevr. Colijn is, als ze, in het vaderland terug, moet constateren: „De oud-gedienden hebben geen recht meer op een plaats van voorheen. Vaders naam wordt ook niet meer genoemd. Alles, alles is hopeloos veranderd. De nieuwe minister van verkeer en energie rijdt in onze mooie auto, die Schnabel (de trouwe chauffeur, die dr. Colijn sinds 1920 diende) al de oorlogsjaren met zijn leven heeft kunnen bewaren; en daags na de bevrijding werd de auto weggehaald (blz. 118). Daarvoor had ze al geschreven: „Ik geloof, dat onze Heve dode voor veel teleurstelling is gespaard" (blz. 113).

In het 3e en 4e deel van het „Dagboek" schrijft mevr. Colijn meer over zichzelve. Begrijpelijk! Eenzaam, zonder enige reactie schier uit Holland op haar bericht van het overlijden van haar echt­genoot, bleef ze achter in het verre land, met haar verdriet en haar God. Af en toe krijgen we een blik in haar grote smart, temeer groot, wijl ze geen uitzicht nog had op terugkeer naar Holland. Is het wonder, dat ze 2 april 1945 haar dagrelaas eindigt: „Ik ben arm. Noem mij Naomi. En toch niet ondankbaar"! (blz. 97).

Tot grote steun is haar de laatste maanden geweest de theol. student Stehouwer. Met enkele Hollanders, in de omgeving van Ihnenau te werk gesteld, onder wie hij geestelijke verzorging uitoefende, was hij aanwezig bij de begrafenis van dr. Colijn. Hij hield een toespraak. Later kwam hij mevr. Colijn vrij geregeld opzoeken; vooral de zondagen hield hij haar wel gezelschap, om haar de preek, die hij 's morgens voor zijn landgenoten en anderen had gehouden, te reproduceren.

Het was mevr. Colijn een grote voldoening, dat hij, toen zij eindelijk naar het vaderland terug kon, met hetzelfde transport mocht retourneren. Hij kreeg aan de grens moeilijkheden, zodat hij eerst later de grens over mocht. Groot was haar vreugde, toen zij na een tijd bericht kreeg, dat hij bij zijn moeder behouden was thuisgekomen.

Bij alle teleurstelling in Nederland haar deel, kwam nog het grote verdriet, toen ze, pas terug, de tijding ontving van de dood harer beide zoons, de een gestorven in een „Jappenkamp", de andere gefusileerd door de Japannezen. Op de laatste bladzijde lezen we daarvan: „hoe is het met de twee schoondochters, die hun man op zon jeugdige leeftijd hebben moeten missen en hoe? Ik snak naar berichten, en denk aan de zeven kleindochters ... Mijn vrienden leven erg mee, maar ach, ik mis mijn kinderen zo erg. Gelukkig, dat ik mijn toevlucht kan nemen tot mijn Hemelse Vader, die wel slaat, maar toch ook kracht geeft, om het zware leed te kunnen dragen" (blz. 120). 

De heer Puchinger zegt in zijn inleiding, dat dit dagboek o.m. „een bron is betreffende welke steun het Bijbels geloof kan betekenen in eenzaamheid en verdriet" (blz. 24). Hij noemt dit dagboek „zeldzaam, omdat zij (mevr. C.) bij het schrijven ervan nooit gedacht heeft aan enige publicatie" (blz. 22).

„Nooit gedacht aan enige publicatie" ... Men zou, juist daarom, enigszins gereserveerd kunnen staan tegenover het feit, dat de publicatie toch is geschied. Er zijn meer dergelijke „uitingen van leed en hoop, gevoelens en geloof" uitsluitend intiem bedoeld, voor publicatie vrijgegeven. Ik denk aan de briefwisseling van Juliana van Stolberg met haar oudste zoon Prins Willem I. Groen van Prinsterer heeft die uitgave bezorgd. Het koninklijk kabinet, waarvan hij archivaris was, gaf er toestemming toe.

Het was echter ca. drie eeuwen na dato. En het gold de „Vader des vaderlands" en zijn moeder, genoemd „zijn geweten . De publicatie van het Dagboek is nauwelijks ruim een tiental jaren na dato. Hoe het ook zij, het Dagboek is vrijgegeven. En het heeft, afgezien van de gereserveerdheid, waarvan ik sprak en die ik laat voor wat ze is, naar ik meen toch wel goede zin.

Ik weet niet of bij zijn wegvoering de Duitsers het archief van dr. Cohjn intact hebben gelaten. Indien ja, dan is het, toen Colijn's huis, Stadhouderslaan 153, op hoog bevel moest ontruimd worden, door de goede zorgen van Schnabel, die meer en meer de vertrouwde van de Colijns is geworden, wel zorgvuldig overgebracht naar Ede. Maar dan ontbraken de stukken, die als Bijlagen met het Dagboek zijn gepubhceerd, stukken, welke evenals wat mevr. Colijn aan haar kinderen en kleinkinderen schreef over hun vader, ons een blik geven in zijn innerlijk en doen zien, hoe hij zijn ballingschap droeg. Daar kunnen we niet dan dankbaar voor zijn. Dat moet het Nederlandse volk, dat hij zo lief had, weten.

Zie, men kan kritiek hebben op Colijn's streven, beleid en regering. Ze is hem tijdens zijn ministerschappen niet gespaard. En de r.k. staatspartij, nu de K.V.P., heeft hem, ondanks haar medeverantwoordelijkheid in zijn kabinetten èn latent èn openbaar vaak dwars gezeten. Men denke aan de verwerping van de vlootwet.

Was het misschien het kwade geweten, dat "De Volkskrant", na een aantal citaten uit het Dagboek van mevrouw Colijn op tendentieuze wijze te hebben gegeven, deed schrijven: „Het is beter, dat „vaders naam" in de zwarte bladzijden van het geschiedenisboek verdwenen is". Ik ontleen dit citaat aan „Trouw" d.d. april 1960, dat deze kritiek als „infaam" betitelde. Zeer juist.

Dr. Colijn heeft van buiten en van binnen tegenstand ontmoet. Zijn laatste kabinet — een dusgenaamd koninkhjk kabinet — heeft maar enkele dagen het leven gezien. Midden 1939 heeft de Kamer in grote meerderheid er zich tegen verzet. De constitutionele traditiën zullen de Koningin wel gedrongen hebben het aangeboden ontslag te aanvaarden. Het heeft mij toen en daarna leed gedaan. Cohjn had m.i. beter verdiend.

Ondanks alle kritiek, welke men op deze in staatsdienst vergrijsde kon hebben, hij staat in de rij der grote mannen van ons volk, dat hij wilde dienen. Daarom eerbied voor de nagedachtenis van deze grote, die in ballingschap stierf, en van wiens laatste jaren in hunkering en heimwee het Dagboek spreekt.

„Vaderland in de verte" in die woorden schuilt iets van tragiek. Die was in het leven van Hugo de Groot. Is ze ook niet in het leven van schier iedere grote onder de mensenkinderen? Ik zou hier Abraham Kuyper nog kunnen noemen. De „van God gegeven leider", kon na zijn ministerschap niet weer aan het bewind komen, hoezeer hij het verlangd heeft. Colijn is het evenmin gegeven, de wens gekoesterd in zijn levensavond verwerkelijkt te krijgen. Kort voor zijn dood schreef hij aan zijn broer, de heer P. A. Colijn: „De tijdgenoten vallen langzaamaan rond ons weg. Niet ieder wordt het geschonken als Pétain om op 88-jarige leeftijd nog een parade of te nemen; Of als Hindenburg, om op 80-jarige leeftijd nog het ambt van president der Duitse RepubUek te aanvaarden en het dan nog 6 jaar te bekleden, of, als Gladstone met 88 jaren zijn laatste kabinet te formeren. De voorzienigheid Gods beslist dit alles en wij hebben die gelovig te aanvaarden" (20 april 1944; blz. 21).

Colijn was een christen. Hij kende ook het antwoord op de vraag van het oude vers: „Wat is des christens vaderland". Wijzen de geciteerde regels uit die brief, betrekkelijk kort voor zijn dood erop. dat zijn verlangen om zijn land nog eens te dienen, verstilde, en dat het Vaderland meer ging leven in zijn hart?

Hij heeft in ballingschap geleefd tussen tweeërlei „vaderland in de verte": het aardse en het „betere". Er is iets van barmhartigheid in geweest, dat God hem niet in het eerste terug deed keren — de woorden uit het dagboek, boven aangehaald, spreken er van, hoe zielsgaarne mevr. Colijn met haar man was teruggekeerd—om in te gaan in het tweede, hem verworven door Christus, Die hij in zijn levensdevies noemde: mea Petra, mijn Rots. Geen terugkeer naar het „vaderland in de verte", maar ingang in het hemelse, het ware Vaderland.


1) Dagboek van mevrouw Colijn. J. H. Kok N.V., Kampen, 1960.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juli 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

VADERLAND IN DE VERTE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juli 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's