De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Het enige toevluchtsoord

6 minuten leestijd

Ik zag uit ter rechterhand en zie, zo was daar niemand, die mij kende; daar was geen ontvlieden voor mij, niemand zorgde voor mijn ziel. Tot U riep ik, o Heere! ik zeide: Gij zijt mijn toevlucht, mijn deel in het land der levenden. Psalm 142: 5 en 6.

In de psalmen zien wij Gods kinderen in het hart. Zo heeft Luther gezegd. Dat blijkt wel heel duidelijk in psalm 142. Deze psalm is een onderwijzing van David. Hier ontvangen wij onderwijs, hoe wij ons in de nood en de ellende hebben te gedragen. Wij hebben, evenals David, het hart voor God uit te storten. Daarom is dit lied van David een gebed.

Dit gebed is door David gebeden, toen hij in de spelonk was. Wij weten niet, welke spelonk dit was. Toen David moest vluchten voor koning Saul is hij verschillende keren in een spelonk geweest. Denk maar aan de spelonk van Engedi en de spelonk van Adullam. De Heere kan zulke spelonken maken tot bidvertrekken voor Zijn kinderen. Donkere ogenblikken heeft David hier doorgemaakt. Maar dat niet alleen. Het is alsof David aan de ingang ervan staat en een helder licht gewaar wordt, het licht van Gods genade. Wat heeft David hier tot de Heere geroepen. Van alle kanten was hij door gevaren omringd. Saul en zijn soldaten hebben David wel heel erg in het nauw gedreven. Dood en verderf bedreigden hem van alle kanten. Hij zou wel willen vluchten, maar hij kon nergens heen.

Hij heeft ter rechterhand uitgezien, maar daar was niemand, die hem kende. Hoe vaak komt het met Gods kinderen niet zover, dat er niets meer overblijft, waarop zij hun vertrouwen kunnen stellen. U moet met denken, dat wij het niet van deze wereld verwachten. Waarop stellen wij dikwijls in onze nood en benauwdheid niet ons vertrouwen? David heeft uitgezien ter rechterhand, van welke kant in de regel de helpers kwamen. Denk maar aan het woord: De Heere is uw schaduw aan uw rechterhand. Maar er kwam geen hulp opdagen.

Dat is wat, als wij in onze mensehjke nood en ellende aan onszelf worden overgelaten, als wij door Gods vijanden van alle kanten benauwd worden, als de schuld door de ontdekking des Geestes bergen hoog zich verheft. Dan zijn wij gelijk aan een doodziek mens, die overal hulp zocht, maar nergens gevonden heeft. De laatste grashalm, waaraan wij ons vasthouden, is afgeknapt, en wij zinken hulpeloos weg in het moeras van de grootste ellende.

David zegt, dat er zelfs niemand was, die hem kende. Als het in ons leven goed gaat, schijnen er velen te zijn, die ons kermen. Zij dringen hun vriendschap dan op. Maar als ellende ons deel is, hebben wij bij velen moeite nog iets van ons in herinnering te brengen. David heeft het ook meegemaakt, dat hij door zijn beste vrienden in de steek werd gelaten. Wat is het niet gelukkig, als wij van de mens verlost worden. Want zij kunnen ons uit nood en dood niet verlossen. Vest op prinsen geen betrouwen, waar men nimmer heil bij vindt.

Geen mens is David overgebleven. Maar ook geen enkel toevluchtsoord. Ontvluchten was voor hem niet meer mogelijk. Geen uitweg was hem overgebleven. Niemand zorgde voor zijn ziel, d.i. voor hemzelf.

Zo gaat 't in de spelonk. We worden dan met al onze schuld, met al onze nood en ellende in de eenzaamheid aan onszelf overgelaten. We komen alleen te staan voor de poorten des doods. Dan is het wel hopeloos van de kant van de mens. Niemand zorgde voor mijn ziel.

Wat gelukkig is het dan, gelijk David, zo tot de Heere de toevlucht te nemen. De tekst van onze meditatie spreekt ons ook van de geloofsverwachting van David. Er was niemand, die David in zijn benauwdheid scheen te kermen. Maar als zijn geest in hem versmachtte, bleek de Heere toch wel zijn pad te kennen. Vaak leidt God Zijn kinderen in de spelonk, waar het donker en moeilijk is, opdat zij Hem alleen zouden overhouden, die in de Heere Jezus Christus een God van genade en barmhartigheid is. Zeker, de spelonkdagen zijn voor het vlees niet zo heel aangenaam, maar toch kunnen zij niet worden gemist.

Tot U riep ik, o Heere! ik zeide: Gij zijt mijn toevlucht, mijn deel in het land der levenden. Zo heeft David zijn hart en handen tot de Heere opgeheven. Er bleef voor hem niets anders meer over. Hij vlucht tot de God des Verbonds, die trouw houdt tot in der eeuwigheid. Dit God kent de weg van allen, die Hem vrezen, ook als zij in de spelonk verkeren. Wat wij verlies wanen, kan geestelijke winst betekenen. Ik heb ia nood, aan God verbonden, in Hem mijn hoog vertrek gevonden.

Hebben wij zo al tot God leren roepen uit de angst en benauwdheid des harten? Kermen wij de Heere als onze toevlucht ia nood en dood? Is Hij ons deel in het land der levenden?

Op Hem heeft David tenslotte al zijn verwachting gericht. Hij is een schuilplaats tegen alle gevaren van dood en verderf, die ons van alle kanten omringen. Zolang wij nog maar iets hebben, buiten de Heere, waarvan wij menen, dat dat ons wel helpen kan, hebben wij Hem niet nodig. Van dat alles moeten wij worden afgebracht. Waarlijk, tevergeefs verwacht men het van de heuvelen en de menigte der bergen. Waarlijk, ia de Heere onze God is Israels heil.

God is eeh God des heils in de Heere Jezus Christus. Gij zijt mijn toevlucht. Tot Hem heeft David geroepen. In vast geloof en vertrouwen heeft hij gezegd: Gij zijt mijn toevlucht; mijn deel in het land der levenden.

Het is nog groter de Heere tot zijn deel dan tot zijn toevlucht te hebben. Als wij met David kimnen zeggen, dat wij de Heere tot ons deel hebben, willen wij daarmee uitdrukken, dat Hij ons bezit is. De Heere is mijn deel, zegt mijn ziel, daarom zal ik op Hem hopen. Hij mijn deel, in het land der levenden, d.w.z. zolang wij hier zijn. En niet alleen zolang wij hier zijn, maar tot in aUe eeuwigheid. Zo zult Gij zijn voor mijn gemoed, mijn rots, mijn deel, mijn eeuwig goed. Dat zal het deel zijn van allen, die niet anders meer kunnen, dan tot Hem te vluchten in angst en smart. Dan mogen bergen wijken en heuvelen wankelen, dan mogen alle toevluchtsoorden ons ontvallen, Hij is en bhjft het deel van allen, die Zijn aangezicht ia gunst in Christus hebben aanschouwd.

(Veenendaal)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 augustus 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 augustus 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's