Bezinning nodig
op de situatie in gemeenten met niet-Gereformeerde minderheden
Men verhuist tegenwoordig meer dan vroeger. Dat blijkt ook in de kerk. In gemeenten van niet-gereformeerde stempel ontstaan gereformeerde minderheden. In hervormd-gereformeerde gemeenten vestigen zich meer en meer mensen, die geen gereformeerde prediking gewend zijn.
Hoe het in de eerste groep gemeenten met zulke gereformeerde minderheden moet, schijnt vrij duidelijk. Wij gaan daarop hier niet in.
In hervormd-gereformeerde gemeenten is er import, die van huis uit geen gereformeerde prediking gewoon is. De mensen die ertoe behoren lopen nogal uiteen. Wat richting betreft kan men er de hele Hervormde kerk in terugvinden. Maar afgezien daarvan is ook hun kerkelijke belangstelling zeer verschillend.
Leefden zij in hun vorige gemeente uit onverschilligheid niet mee, dan zullen zij dat in de nieuwe gemeente niet plotseling wel doen. Een vermaning om ter kerk te komen verbaast hen; zij beschouwen dat als een onbescheiden inbreuk op hun privé-recht van niet-meeleven.
Anderen leefden in de vroegere gemeente wel mee, maar vinden dat in een hervormd-gereformeerde gemeente bijna absurd. Zij komen bijvoorbeeld uit een gemengde gemeente, waar zij nimmer bij de hervormd-gereformeerde predikant(en) kerkten. Want die was of waren te zwaar. Dan spreekt het voor hen vanzelf, dat ze in hun nieuwe gemeente, waar niet anders dan de gereformeerde prediking te beluisteren is, helemaal niet kerken. Doorgaans zijn zij volgestouwd met vooroordelen tegen de gereformeerde prediking. Zij menen die de enkele keer dat zij „het eens proberen" door afwijkende liturgische gewoonten bevestigd te zien. Prediking en liturgie worden in de gedachten van zulke mensen maar al te graag door elkaar geroerd: de liturgie is gereformeerd — dus worden uit de prediking die dingen naar voren gehaald die hinderlijk-gereformeerd worden geacht en een welkome aanleiding zijn om voortaan weg te bhjven. Dat dit overigens omgekeerd óók voorkomt, laten we hier nu rusten.
Weer anderen zijn wat onbevangener. Zij willen de goede gewoonte van de kerkgang voortzetten en zijn niet zó door richtingstrijd bedorven of zij komen ook metterdaad. Dat er geen gezangen worden gezongen, dat de lijnen in de preek anders en forser worden getrokken, daar zetten zij zich wel overheen. Nochtans vormen zij, voor zover de gereformeerde prediking in hen niet iets wezenlijks raakt, in het kerkpubhek in deze gemeenten een onzeker element.
Nu komt vanuit de tweede hier genoemde groep: de wèl kerkelijk meelevenden, die zich nochtans niet in de gereformeerde stijl van hun nieuwe gemeente willen voegen, de vraag op naar een predikant die hen wél kan bevredigen, waarover men met de kerkeraad contact opneemt. Vaak wordt bij hun manipulaties, zoals het stichten van een „evangelisatie", van de derde groep, de overigens nog wel goed willende import, een kleiner of groter deel meegesleept.
Wat wordt nu van de zijde van deze import-mensen aangevoerd om de billijkheid van hun verlangens aan te tonen? Men voelt al spoedig, dat men tegenover een hervormd-gereformeerde kerkeraad niet ver komt met de middenorthodox bepaalde modaliteitsgedachte: „wij benaderen de Waarheid alleen maar op een andere wijze (modus) dan u". Dat stoot af op de gereformeerde eis, de Waarheid niet te benaderen, maar te prediken, naar de Schrift en naar de belijdenis der Kerk. Daarom stelt men van minderheidszijde veelal, dat men oök daar de belijdenis der Kerk wil honoreren, maar slechts een niet-essentieel nuance-verschil wil in prediking en liturgie (gezangen).
Dat lijkt een standpunt dat zich moeilijk laat verdedigen. Immers van tweeën één. Of de begeerde prediking wijkt — ondanks de karakterisering „slechts een nuance-verschil" — essentieel af van die, die in de hervormd-gereformeerde gemeenten wordt gebracht; en deze heeft genoeg bindingen aan de belijdenis der Kerk om te kunnen stellen, dat dan de door de minderheid gevraagde prediking daarvan hetzij afwijkt (de verzoening bijv.), of essentiële stukken laat hggen (het werk des Geestes, uitverikiezing e.d.); óf er kan inderdaad van niet meer dan een nuanceverschil worden gesproken.
In het eerste geval, waar wordt gevraagd om een prediking die te vrij is ten aanzien van de belijdenis der Kerk, kan het een hervormd-gereformeerde kerkeraad niet kwalijk worden genomen als hij op zulke wensen niet wil Ingaan.
In het tweede geval kan terecht aan de minderheid worden gevraagd, of een nuance-verschil wel een genoegzame grond is om „iets anders" te willen en zich daar druk over te maken; als de kerkeraad de minderheids„nuance" moet aanvaarden, waarom kan dan niet omgekeerd de minderheid zidh voegen naar de geestelijke verzorging van de kerkeraad? Dat zou dan immers ook „maar een nuance-verschil" zijn? Een „evangelisatie" is daarmee niet te verdedigen; een scheurgemeente nog veel minder.
Ten overvloede blijkt veelal, waar hervormd-gereformeerde kerkeraden om der lieve vrede wil bereid zijn om over een nuance-verschil heen te stappen, de minderheid plotsloos met „nuance" een leer te willen aanduiden, die voor een gereformeerde kerkeraad niet als nuance te aanvaarden is. Men ontkomt niet aan de indruk, dat zich achter besprekingen hierover een spelletje touwtrekken verbergt, waarbij de minderheid alleen maar tracht te bereiken wat er te bereiken valt. Een hervormd-gereformeerde kerkeraad met verantwoordelijkheidszin leent zich daar niet toe, en zegt eenvoudig: dat achten wij nog toelaatbaar, en daarmee uit.
Met het getwist over wat nu „slechts nuance-verschil" is, of met het afwijzen van de verlangens der minderheid, is men voluit in de impasse gekomen. In Frankrijk ziet men wel zijstraten of zijwegen met een verkeersbord waar op staat: „Impasse", doodlopende weg. Men kan die wel inslaan, maar er is aan de andere kant geen uitweg. Men loopt erin vast.
Hier is het dus zo, dat een kerkeraad van een hervormd-gereformeerde gemeente op de hiervoor aangegeven wijze aantoont, dat op de verlangens van de middenorthodoxe minderheid niet kan warden ingegaan. Daarmee is dan de zaak doodgelopen. Men kan daaraan dan nog een poging verbinden, op grond van de formulering „wij willen slechts een andere nuance" een compromis te vinden, maar dat pleegt ook vast te lopen, op het verschil in interpretatie van wat nog wel nuance is en wat niet meer.
Is het daarmee klaar? Daarover een volgende maal.
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 augustus 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 augustus 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's