DE Dordtse LEERREGELS
Dat er velen door de bediening des evangelies geroepen zijnde niet komen en niet bekeerd worden, daarvan is de schuld niet in het Evangelie, noch in de Christus, door het Evangelie aangeboden zijnde, noch in God, Die door het Evangelie roept en zelfs ook, die Hij roept, onderscheiden gaven meedeelt; maar in degenen die geroepen worden; van dewelke sommigen, zorgeloos zijnde, het Woord des levens niet aannemen; anderen nemen het wel aan, maar niet in het binnenste huns harten en daarom is het, dat zij, na een kortstondige blijdschap van het tijdelijk geloof, wederom terugwijken; anderen verstikken het zaad des Woords door de doornen der zorgvuldigheden en wellusten der wereld en brengen geen vruchten voort, hetwelk onze Zaligmaker leert in de gelijkenis van het zaad (Matth. 13).
HOOFDSTUK III/IV Artikel 9
Velen worden niet bekeerd, zegt artikel 9. Dus sommigen worden wel bekeerd. In een gemeente kunnen bekeerde mensen zijn. Wanneer dat zo is mogen wij er zeer dankbaar voor zijn.
Zijn ze ergens aan te kennen? Jawel, hun kenmerken kan men vinden in Mattheüs 5:1-12 en op andere plaatsen.
Hoe komt het, dat in een gemeente velen niet bekeerd zijn? Ons artikel zegt: omdat zij het woord des levens niet aannemen. Het is dus niet genoeg, dat dit woord gepredikt wordt. Het moet aangenomen worden. In Hand. 8 : 14 lezen we, dat Samaria het Woord Gods aangenomen had. In Hand. 11:1 zijn het de heidenen. Aannemen is dus hetzelfde als geloven. Zalig worden kan, volgens de H. Schrift alleen langs de weg van het aannemen van Gods gave. Wij hebben van ons uit geen mogelijkheid om tot God op te klimmen en iets te nemen.
Hoe gaat het met dit aannemen? Dan moét er eerst iets met de mens gebeurd zijn. Paulus schreef: De natuurlijke mens verstaat niet de dingen, die des Geestes Gods zijn. Het Grieks heeft: dechomai: ontvangen, aannemen. De natuurlijke mens neemt de dingen, die des Geestes Gods zijn, niet aan.
Wie is de natuurlijke mens? De mens, die niet door de H. Geest is aangeraakt. Grosheide verklaart: de mens met wie niets gebeurd is; de mens, die alleen maar leeft en niet de Geest ontvangen heeft.
Somtijds tekent een ouderling of predikant er verzet tegen aan, dat er iets met een mens gebeuren moet. Alles zou gebeurd zijn op Golgotha. Daar zou dan ook de bekering, de wedergeboorte, de inlijving in Christus gebeurd zijn, en nu is elk mens een geestelijk mens. Daar was kort geleden een ouderling op huisbezoek bij een reformatorisch man. De ouderling prees de dominee, zoals het behoort. De predikant placht kostelijk de heerlijkheid van Christus te preken, volgens hem. Doch aan het slot had de predikant soms een betreurenswaardige vraag, naar zijn oordeel. Dan vroeg hij zomaar in eens: gemeente hebt u daar deel aan? Amen. Dat moest er volgens de ouderling juist niet bij. De voorwerpelijke uiteenzetting was zo mooi en door deze vraag viel er een schaduw over het geheel. De bezochte had een omgekeerd oordeel. Hij vond, dat de dominee te vlug zijn Amen liet volgen, en dat hij er niet goed aan deed, zijn vraag niet nader uit te werken. De dominee bleef in gebreke te verklaren hoe men er deel aan krijgt en wat het inhoudt, dat men aan Christus deel heeft.
Hieruit blijkt hoe nodig het is, dat wij Gods Woord onderzoeken. Waar ons duidelijk geleerd wordt, dat er met de natuurlijke mens iets gebeuren moet. Het is ook niet genoeg, dat hem de Christus gepredikt wordt. Daar bUjft hij even zorgeloos onder als hij was. 's Mensen binnenste moet omgeploegd worden. De tien scharen van Gods Wet moeten er doorheen. Zolang dit niet gebeurd is — en ieder mens ontwijkt deze bewerking zo lang hij kan — valt het zaad wel op de harde weg, maar het ontkiemt niet.
Dus dat is de eerste groep mensen. Zij zijn zorgeloos. De eeuwigheid, hun schuld, de toom Gods, het raakt ze niet. Soms zijn ze lichtvaardig. Het zit wel goed, menen zij. Maar zij blijven die ze zijn. Kunnen zij dat dan helpen? Zij doen in elk geval hun best om te blijven in hun natuurlijke staat. Die beminnen zij. Als God niet met kracht hun hele leven onderste boven komt werpen, blijven ze zorgeloos. De harde van hart begrijpt niets van de noodzakelijkheid van bekering en geloof. Hij wil het niet ook. De natuurlijke mens, niet omgeploegd, blijft gesloten voor de werkingen van Gods Geest. Hij acht ze dwaasheid. Hij spot er menigmaal mee. Denk maar aan de ouderling, die het al kwalijk nam, dat zijn dominee er op zinspeelde. Paulus schreef: Hij kan de werkingen van des Heeren Geest niet verstaan. Daarom is ons nodig, dat de H. Geest, dat God Zelf er bij komt en ons verstand opent. Dan zien wij, dat het Gods Woord is en ontvangen wij het als zodanig. „Eerst waar God Zijn woord spreekt en door de Geest het verstand opent (verg. 1 Thess. 1: 6; 2 : 13) valt aan de kant van de mens de beslissing" (Theol. Wörterbuch 11, 53).
En nu de tijdgelovigen. Wat kan een mens veel ontvangen van de gaven Gods en toch onbekeerd blijven. Het binnenste des harten blijft gesloten. Daar is wel wat gebeurd, doch er is niet genoeg gebeurd. Comrie spreekt er uitvoerig van hoeveel algemene werkingen er kunnen zijn, zonder dat de rechte bekering volgt. De Schrift geeft vele voorbeelden van Demassen e.a., die de tegenwoordige wereld hebben liefgekregen. Dat behoeft niet eens naar buiten te blijken. Het bovenste van een mens kan degelijk omgeploegd en fijn gemaakt worden. De Wet dringt met zijn eis en vloek in het geweten door. De Geest van God werkt ontdekkend. Doch dat niet alleen. Misschien ontstond er 'n grote benauwdheid. Doch daarop volgde met kracht een belofte. Het verstand werd verlicht, blijdschap geboren, de benauwdheid was weg. Sommigen houden dit heel hun leven voor de waarachtige bekering.
Wat hapert er bij de tijdgelovigen aan? De bearbeiding Gods dringt niet door tot in de wortel. De mens raakt niet geheel verloren en gaat niet over in Christus. Zij bouwen op zand en graven niet tot op de rots. Men vrage op dit punt geen afgeronde voorstelling. Vele Godgeleerden hebben getuigd, dat zij het tijdgeloof en het waar zaHgmakend geloof niet voor allen overtuigend konden beschrijven. Daar is een zeker geloof, daar is ook blijdschap, daar is een verlichting van het verstand en toch is dit alles het echte niet. De mens is sterker gebleken dan alle middelen, waarmee de Heere aan hem gewerkt heeft.
Ik geloof niet, dat men alleen aan gevoelige harten moet denken. Allerlei soorten mensen, die een naam hebben in de kerk en die wat beleefd hebben, maar bij wie het werk toch is blijven steken, horen bij de tijdgelovigen, dacht ik.
Calvijn worstelt met het tijdgeloof op de volgende wijze. Hij neemt Simon de tovenaar als voorbeeld. Deze acht hij door de majesteit van het Evangelie overwonnen, zodat hij enigermate geloofde en zichzelf gaarne tot Christus begeven heeft. Een tijdgelovige noemt Calvijn iemand, die met enige smaak van het Evangelie aangedaan is, datzelve begeerlijk aangrijpt en zijn Goddelijke kracht gewaar wordt. Door een bedrieglijke veinzing van geloof stellen zij dan niet alleen der mensen ogen, maar ook hun eigen harten teleur. En dan geeft de reformator de volgende diepdoordringende beschrijving: „Want zij beelden zichzelf in, dat de eerbied, die zij het Woord Gods toedragen, enkel Godzaligheid is, overmits zij de openbare en tastbare smaad en verachting van dien alleen voor goddeloosheid houden en oordelen". Wat een rake beschrijving van veler godsdienst. Zij zijn niet openbaar goddeloos, ja zij hebben eerbied voor Gods Woord, dus het is wel goed. Ik ben wedergeboren, zei iemand, want toen ik in militaire dienst was, ging ik tweemaal naar de kerk, dat doet een mens niet van zichzelf. Ik heb het ware geloof, zei een ander, want ik bid elke dag en lees in de bijbel, als ik niet geloofde, zou ik daar geen lust in hebben. En dan vervolgt Galvijn: „Maar hoedanig deze toestemming ook zijn moge, zij dringt niet door tot het hart om daarin ingedrukt te blijven. En al is het, dat ze somtijds schijnt wortelen geschoten te hebben, zo zijn nochtans die wortelen niet levend". Het is niet de echte vernedering, maar ook niet dat echte vol zijn van Christus. Zij zijn niet van vat in vat geledigd en hun smaak is niet veranderd (Jer. 48 : 11). Het is een gedeeltelijke bekering.
Hoeveel kerkelijke gelovigen zouden onder deze groep vallen? Galvijn vervolgt: „Het hart des mensen heeft in zich zoveel kameren der ijdelheid, 't is met zoveel schuilhoeken der leugenen vervuld, en met zo een bedriegelijke geveinsdheid overdekt, dat het de mens zelf dikwijls bedriegt". Wat is het dan nodig, dat iedere predikant die schuilhoeken uit zoekt te bezemen. Wat moet er ook bevindelijk en ontdekkend gepreekt worden, opdat zovelen zich niet zouden bedriegen. Galvijn schrijft daarvan „dat de verworpenen somtijds bijna door een gelijk gevoelen worden aangedaan als de uitverkorenen".
Wat leren de gelovigen hieruit? „Zichzelven met zorgvuldigheid en ootmoed te onderzoeken, opdat hen geen zorgeloosheid des vleses in stede van zekerheid des geloofs overkome".
Waar komt dit geloof bij de verworpenen uit voort? Galvijn zegt: uit een mindere werking des H. Geestes. Maar als het nu soms bijna hetzelfde is, waar ligt dan het verschil? „De verworpenen krijgen nooit meer dan een onzeker en onduidelijk gevoelen der genade, zodat ze veeleer een schaduw dan een vaste zaak aangrijpen: want de Geest verzegelt de vergeving der zonden eigenlijk in de uitverkorenen alleen, zodat ze deze door een bijzonder geloof tot hun gebruik en nuttigheid zichzelf toepassen".
Als ik het mijne er bijvoegen mag, zou ik willen zeggen, dat er een krachtige werking des Geestes in een zondaar kan geweest zijn, die niet tot een krachtdadige bekering leidt. Nochtans deelt God hem grote gaven mee. Hij blijft ze echter de baas. Wat zou 't grote verschil wezen? M.i. niet, dat ze altijd weer zichtbaar de wereld ingaan. Wel, dat de wortels niet levend blijven, zoals Calvijn zegt. Bij een waar gelovige werkt het al maar door. Hij wordt hoe langer hoe meer ontledigd. Hij wordt ellendiger en armer in zichzelf. Dat wordt levendiger. Aan de andere kant wordt hij meer en meer van Christus vervuld. Daardoor komt alles vaster te hggen. De tijdgelovige bespeurt deze werkingen niet en daardoor mijdt hij de ware gelovigen. Hij voelt zich niet aan hen verwant en zoekt andere vrienden. De tijdgelovige is meer verwant met de gedeelde gelovige. Bij de eerste is de rechtvaardigmaking om zo te zeggen half, bij de tweede is de heiligmaking ook half. Daar is geen werkelijk breken met de zonde, dat bij de eerste veel meer is. Men kent de gelovigen wel, die bij een Avondmaal of met Oud en Nieuw een ogenblik tot zichzelf inkeren en dan soms blijk geven, dat er enige vruchten des Geestes zijn. Doch het is telkens een vroomheid als een morgenwolk. Men wil het met enkele gevoelige ogenblikken goed maken. Verder heeft men een erg ruim geweten. Of anderen, die werkelijk wel genade hebben in de zin van de tijdgelovigen, maar in een bepaalde zonde blijven hangen. Ze hopen, dat het misschien toch wel goed komt, zij zondigen soms op de genade, maar het loopt op niets uit.
Met alle zonden moet gebroken wor den. De mens moet zeer beslist niet gedeeltelijk ontdekt of gedeeltehjk verlost worden, doch tot op de grond ontbloot.
De korte zin nu van artikel 9 is, dat God Zich vrijmaakt van al de kerkgangers en die het Woord ergens horen. De Heere werkt ook veel meer met Zijn Geest dan velen menen. Doch de zondaar houdt het tegen. Het vlees onderwerpt zich niet aan het werk Gods. Het bedenken van het vlees is vijandschap tegen God. Waarom zet de Heere bij ieder niet de volheid van Zijn Geest aan het werk? Waarom de mindere werking? Dat is de Heere ibekend. Maar dit kunnen we wel zeggen, dat op deze wijze nog weer duidelijker openbaar komt hoe sterk de tegenstand van de mens is en van de krachten, die op hem en in hem werken: Simon, Demas. Het is hardigheid des harten, het is de vijandschap tegen een grondige verbrijzeling, het zijn de wellusten der wereld, die de mens opzwepen en meevoeren om tegen God te strijden, die ons roept en aan de geroepenen onderscheidene gaven mededeelt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 augustus 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 augustus 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's