UIT DE PERS
In de vorige persschouw is al het een en ander overgenomen uit het referaat, dat prof. van Itterzon gehouden heeft op de conferentie van de Confessionele Vereniging, en dat tot titel had: „1961 en de leertucht". Na een uitvoerige uiteenzetting van de leertuchtprocedure, zoals deze geregeld is in hoofdstuk IV van ordinantie 6 van de kerkorde, en die bestaat uit 13 trappen, waarvan de eerste 11 nu reeds kunnen worden begaan (de zgn. judieiële leertucht), en de laatste 2 (de zgn. justitiële leertucht) pas na 1960, stelt prof. van Itterzon de vraag, hoe het nu in 1961 zal gaan met de kerkelijke leertucht in justitiële zin. Deze vraag kan pas beantwoord worden, als men eerst weet, wat de kerk vóór 1961 met die eerste 11 trappen heeft gedaan, de leertucht in judieiële zin. Geconstateerd wordt, dat de kerk in de afgelopen 10 jaren aan leertucht weinig of niets gedaan heeft. Geen enkel geval van judiciële leertucht is bekend. Wat kan hiervan dé oorzaak zijn? Prof. van Itterzon merkt op:
Het zou kunnen zijn (en een enkele is die mening ook toegedaan), dat het met de kerkelijke prediking zo rooskleurig is gesteld, dat nergens en door geen enkele dominee de fundamenten der kerk worden aangetast. Dat zou het allermooist zijn. Dan zouden er wel nuances kunnen zijn, richtingen of, zo u dat liever hoort, modaliteiten, maar zou het toch voor iedereen vast staan, dat alle predikanten bouwden op hetzelfde vaste fundament, hetgeen gelegd is, het fundament van apostelen en profeten, Jezus Christus. Dan zou het begrijpelijk zijn, dat er niets is gebeurd. Dan zou het vanzelfsprekend zijn, dat ook in 1961 aan leertucht niet zou worden begonnen.
Er is nog een andere mogehjkheid, nl.
dat er hier en daar wel bezwaren, misschien zelfs grote bezwaren zijn tegen de prediking van de plaatselijke predikant, maar dat men toch niet kan spreken van het aantasten van de fundamenten der kerk. Geen enkele predikant zal zich mogen verbeelden, dat hij altijd en overal het Woord des Heren zonder enige dwaling of menselijke fouten en gebreken verkondigt. De vraag is maar, hoe ver een dwaling kan gaan en hoe gebrekkig een dominee mag preken, voor en aleer hij aan het ondermijnen van de fundamenten is toegekomen. Allerlei lichtere, of zelfs ernstige dwalingen vallen buiten de bepalingen van de ordinantie voor het opzicht, zo lang maar vaststaat, dat de fundamenten der kerk er niet door worden aangetast. Intussen heeft de kerk, doordat er nog geen enkele predikant op ondermijnende activiteiten is aangesproken, nog steeds geen gelegenheid gehad voor iedereen duidelijk te maken, wat er nu precies onder de fundamenten der kerk moet worden verstaan. U begrijpt, dat ik terdege weet, wat ik zelf onder die fundamenten versta, en ik neem, zonder meer, van u aan, dat u allen, hoofd voor hoofd weet, wat u met de fundamenten der kerk bedoelt. Maar onze particuliere opvattingen behoeven nog niet dezelfde te zijn als die van de kerk. Daarom zouden wij zielsgraag van de kerk willen weten, wat zij, in vergadering bijeen, na breedvoerige beraadslaging, als het fundament ziet, waarop de kerk is gebouwd, het fimdament, dat niet kan worden weggetrokken, of de kerk scheurt, verzakt en valt in puin.
Prof. van Itterzon waarschuwt er dan voor te menen, dat de situatie in onze kerk met betrekking tot de inhoud der prediking zo rooskleurig zou zijn. Er zijn wel degelijk gevallen voorgekomen, waarin leertucht in aanmerking kwam, broederlijke leertucht wel te verstaan, er op gericht hen, die dwalen, zo mogelijk weer te brengen in het rechte spoor. Maar dit is niet gebeurd. Waar ligt dat aan?
Waaraan hebben wij het te danken, dat wij de 10 proefjaren nagenoeg geheel als kerk hebben verbruikt, zonder er iets mee te doen? Waarom hebben wij de judieiële leertucht nagenoeg in het geheel niet toegepast? Waarom hebben wij ons als kerk niet bevlijtigd om dwalende broeders kerkelijk aan te spreken? Waarom hebben wij in deze bewogen tijden van alles en nog wat gedaan; waarom waren wij op vele terreinen op het hoogst actief, maar hebben wij de verkondiging gelaten voor wat zij is? Waren wij het dan echt zo roerend eens? Waren wij op het allerdiepst één?
Dit zijn allemaal zeer klemmende vragen, die dringend om een antwoord roepen. Want — zo stelt prof. van Itterzon — : over de gehele hnie was het mis. Overal zijn stemmen te beluisteren, die duidelijke ontevredenheid laten horen over de inhoud van de prediking. Waarom is hierover in de afgelopen 10 jaren kerkelijk niet gepraat? Waarom liet men juist het vraagstuk der „leer" stilzwijgend liggen?
Zou het misschien hierdoor komen, dat het initiatief voor het oefenen van leertucht niet ligt bij de leden der gemeente? Niet bij de kerkeraden, niet bij de classis, maar pas bij de provinciale kerkvergadering? O zeker, gemeenteleden kunnen brieven schrijven, en kerkeraden kunnen bezwaren indienen, en classicale vergaderingen kunnen deze petities van harte ondersteunen, doch dit neemt niet weg, dat de provinciale kerkvergadering al deze ingekomen stukken niet in behandeling behoeft te nemen, óf, als zij dat wèl doet, ze voor kennisgeving kan aannemen en ze verder terzijde leggen. Uit vrees voor een hervormde „broeder-Marinus" heeft de wetgever het in de kerkorde zó geregeld, dat geen enkel gemeentelid, geen kerkeraad en geen classicale vergadering een leertuchtproces in gang kan zetten. Men was van oordeel, dat een lidmaat, een kerkeraad en zelfs een classis al te dicht op „het geval" zou zitten en dat het beter was, wanneer een meerdere vergadering, meer op een afstand van de betreffende predikant en gemeente, het recht zou hebben al dan niet met een leertuchtbehandeling te starten.
De praktijk heeft echter uitgewezen, dat een provinciale kerkvergadering vaak zó heerlijk ver van de plaatselijke moei- lijkheden kan afstaan, dat de hele zaak maar in de doofpot gedaan of onder de tafel gewerkt wordt. Intussen nemen de spanningen in een gemeente of classis toe, en ontstaat er een onhoudbare situatie.
Nu is het gebeurd, dat de provincie Zuid- Holland een zaak heeft aangevat en met leertucht een begin heeft gemaakt. In dit geval ging het echter niet om een predikant, maar om een hoogleraar, die eervol van zijn ambt was ontheven en alleen de rechten als van een emeritus-predikant bezat. Dat was een moedige daad, waarover men deze provinciale vergadering beurtelings heeft geprezen en gelaakt, en waarop ik straks nog terugkom. Maar waar zijn de andere provincies gebleven? Was daar alles koek en ei? Begrijp me wel: Ik heb allerminst de bedoeling u aan te zetten tot langdurige leertuchtprocedures, waarvan ik uiteindelijk de aanstoker zou zijn. Als er niets te klagen is, fiat. Maar als men klaagt en mokt, moet men weten, dat het initiatief in geen geval bij de Generale Synode moet worden gezocht, maar dat elke provincie haar eigen verantwoordelijkheid heeft en daarmede haar eigen roeping. En als men uit onkunde sinds 1951 zijn kansen en gelegenheden heeft laten voorbijgaan, wordt het de hoogste tijd, dat men die nu eindelijk aangrijpt. Dat behoeft - tot 1961 werkelijk niet te wachten.
De leden van de provinciale kerkvergaderingen houden zich dit voor gezegd. Prof. van Itterzon noemt nog een andere reden, waarom er geen leertucht is geoefend. Bij de invoering van de nieuwe kerkorde is alom betoogd: De kerk heeft rust nodig. De kerk verdraagt op dit moment nog geen leertuchtprocedures. Het opzienbarende en geruchtmakende moest worden geweerd.
Welnu, de kerk heeft naar deze raad gehoorzaam geluisterd.
Wij hebben (zoveel maanden scheelt het niet meer) nu bijna 10 jaar, wat de fundamenten der kerk betreft, in zoete rust verkeerd. Wij weten er in 1960 al even weinig van als tien jaar geleden. De kerk heeft rust gehad. Ten aanzien van de kwestie van de fundamenten der kerk zijn wij geen enkele, maar dan ook geen enkele stap gevorderd. Wij zijn in 1960 nog altijd op het punt, waar wij stonden, toen de kerkorde werd aanvaard. Als ik goed ben ingelicht, vindt men dit ook in de kringen der Generale Synode een teleurstellend feit en betreurt men het daar evenzeer als wij, dat er bij de provinciale kerkvergaderingen niet meer uit de bus is gekomen. Want hoe minder de kerk over deze dingen spreekt, des te meer komen zij ter sprake op samenkomsten van modaliteiten en richtingen. De gemeente moet toch een uitlaat hebben, en als de kerk zelf de bezwaren niet opvangt en het gesprek niet op gang brengt, nemen verenigingen en richtingsblokken het werk over.
Dit is zeer juist gezien. Omdat de kerk in haar kerkelijke vergaderingen lang niet altijd kerk is en kerkelijk handelt, krijgt men de nare situatie, dat de richtingsorganisaties vaak doen „wat des kerks is".
Prof. van Itterzon betreurt het zeer, dat er nog steeds geen Ordinantie voor het Belijden is gekomen.
Hier wreekt zich een lacune in onze kerkorde, waarop in een artikel van 5 februari 1948 reeds werd gewezen. Ik schreef toen, ruim 12 jaar geleden: „Voor ongeveer alle onderwerpen, in de kerkorde vervat, is een Ordinantie gegeven. Zo is er een Ordinantie voor het Apostolaat, maar van een Ordinantie voor het Belijden is niets gekomen. Artikel X van de kerkorde is in de nadere uitwerking, een paar gravamina uitgezonderd, stiefmoederlijk behandeld. Wat dit niet nodig? En waarom niet, als wij juist naar het belijdend karakter onzer Kerk toegaan? "
Die ordinantie voor het belijden is er nog steeds niet. Is zij niet nodig? De apostel Paulus is de halve wereld doorgetrokken zonder ordinantie op het apostolaat. Dat wil niet zeggen, dat wij aan zulk een ordinantie geen behoefte hebben, maar wèl, dat het toch scheef is, als de kerk wèl voor haar apostolaat, maar niet voor haar belijden de baan heeft uitgezet. Als wij belijdende kerk willen zijn, moeten wij vooral niet in het negatieve verzanden. Negatief. Dat is immers een gravamen met bezwaren tegen de belijdenis der kerk. Negatief. Dat is ook een leertuchtproces tegen een predikant, die de fundamenten der kerk zou willen verwoesten. Als wij de klare taal van de kerkorde in de ordinanties niet beter kumnen uitleggen en verdiepen dan in een paar negatieve artikelen, brengen wij van het belijden toch niet veel terecht. Of, als u het liever anders hoort: Als onze kerk in de laatste jaren heeft beleden (en dat heeft zij over verschillende aangelegenheden metterdaad gedaan), dan was dat toch zonder enige samenhang met enige ordinantie. Dat ging meer improvisatorisch toe dan menigeen had gewenst. Waarom is zulk een ordinantie voor het belijden er nog steeds niet gekomen?
Het antwoord op deze interessante vraag bewaren wij voor een volgende keer.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 augustus 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 augustus 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's