Opgevoed te Jeruzalem
Welk is dan het voordeel van de Jood? Of welke is de nuttigheid der besnijdenis? Vele in alle manier; want dit is wel het eerste, dat hun de woorden Gods zijn toebetrouwd. Romeinen 3 vers 1, 2
Ten tijde, dat Saulus van Tarsen te Jeruzalem werd opgevoed in de kennis der Schriften, was het Jodendom in verscheidene groepen verdeeld, die niet altijd even vriendelijk tegenover elkander stonden. Sommige van die zijn ons bekend uit het Nieuwe Testament. Bijvoorbeeld de Farizeeërs en de Sadduceeërs, die vooral in de Evangeliën menigmaal ter sprake gebracht worden, omdat zij de voornaamste tegenstanders van de Heere Jezus geweest zijn gedurende Zijn omwandeling op aarde.
Ook horen wij daar van Herodianen en van Zeloten. De Herodianen waren partijgangers van het huis van Herodes. Zij vormden dus meer een politieke dan een godsdienstige richting 1). Misschien hebben zij van het huis van Herodes de bevrijding van het gehate romeinse juk verwacht. Tot de Zeloten zal zeer waarschijnlijk ook Simon Zelotes, een der discipelen, enige tijd behoord hebben, voordat hij door Christus geroepen werd om „met Hem te zijn". Als hij somtijds Simon Kananites genaamd wordt, dan is dat alleen, omdat Kananites het aramese woord is voor zeloot of ijveraar 2). Deze Zeloten wilden niet lijdelijk afwachten, totdat het God behagen zou het volk uit de druk te verlossen, doch met geweld de bevrijding bewerkstelligen. Bij de joodse opstand van het jaar 66 na Christus stonden zij dan ook in het voorste gelid. Hoe moeilijk het is om religie en politiek te scheiden in de bewegingen uit die dagen, blijkt vooral bij de Zeloten. Beide gingen hand in hand. Religie en pohtiek waren ten nauwste aan elkaar verbonden.
Verder weten wij ook nog het een en ander van zogenaamde apocalyptische stromingen. De H. Schrift licht ons over deze niet in. Afgezien dan van het feit, dat sommigen ook Christus plaatsen willen binnen het raam van deze apocalyptische kringen. Onzes inziens echter geheel ten onrechte. Er zijn geschriften tot ons gekomen, die uit deze groepering stammen, en die ons in staat stellen onszelf enigermate een beeld te vormen van wat er onder de aanhangers van die apocalyptische stromingen geleefd heeft. Het is duidelijk, dat zij over het algemeen zeer pessimistisch oordeelden over het lot van Israël in deze wereld, en dat zij met spanning en met verlangen hebben uitgezien naar de toekomst, naar de grote dag des Heeren, waarop de God des Verbonds gericht houden zou over de ganse aarde. In dezelfde duistere taal, waarin ook het laatste gedeelte van het boek Daniël geschreven is, hebben zij allerlei „openbaringen' en overzichten der Verbondsgeschiedenis te boek gesteld, waarin zij blijk gaven nauwlettend op de tekenen der tijden acht te geven. Meestal stelden zij het voor, alsof Henoch, Abraham, Mozes, Baruch, Ezra of een der andere grote figuren uit de Heilshistorie deze geschreven zouden hebben. En gemeenlijk waren zij van gedachte, dat er eerst een tijdperk van grote druk door het volk Gods doorgemaakt zou moeten worden, en dat daarna de Heere de Zijnen met Zijn genade en met Zijn zegen zou bezoeken in de toekomende eeuw 3).
Ook moet er nog gewezen worden op de secte der Essenen. Nog niet zo heel lang geleden kenden wij deze alleen uit enkele mededelingen, die te vinden zijn bij de Romein Plinius, en bij de Joden Philo en Flavius Josephus. Door de vondsten, die sedert 1947 bij de Dode Zee gedaan zijn, meent men thans echter meer van deze groep af te weten. Hoewel in dit opzicht nog geen absolute zekerheid bestaat, zijn niettemin de meeste geleerden van oordeel, dat wij hier inderdaad te doen hebben met overblijfselen van een Esseense gemeenschap. Zij moet bestaan hebben uit mensen, die sterk gekant waren tegen de geestelijke leiding, die er van de officiële leidslieden uitging, en die terwille van de zuiverheid van hun geloof en leven zich teruggetrokken hadden in de eenzaamheid van de streek rondom de Dode Zee. Een handelwijze dus, gelijk die zich in de geschiedenis der Kerk later herhaaldelijk voordoen zal. In de buurt van het huidige Ain Fasjka leidden zij een bijkans ascetisch leven in gemeenschap van goederen en in gehoorzaamheid aan een bepaald reglement, waarin de gang van zdcen onder hen vastgesteld was. Eerst na een vrij lange proeftijd kon men als volwaardig lid van hun secte worden toegelaten. De opneming geschiedde onder het afleggen van een plechtige eed. De secteleden beschouwden zichzelf als de kinderen des lichts, die niets uit te staan hadden met de kinderen der duisternis, tegen wie de strijd aangebonden moest worden. De studie van de Heihge Schrift nam bij hen een belangrijke plaats in. En van de wijze, waarop zij het Oude Testament hebben uitgelegd en toegepast, is de laatste jaren heel wat aan het lioht gekomen, dat verhelderend gewerkt heeft op onze beschouwingen over het Jodendom van de Nieuwtestamentische periode. Zelfs voor het begrip van het oudste Christendom is dit niet zonder vrucht gebleven. Hoe dit ook zij, het is hier de plaats niet om daar nader op in te gaan. In ander verband zullen wij daar, naar wij hopen, nog de gelegenheid toe hebben. Momenteel interesseren ons alleen die geestelijke stromingen, waarmede Saulus ongetwijfeld contact gehad zal hebben tijdens zijn „studententijd" te Jeruzalem, toen hij — en dat hebben wij letterlijk te verstaan — aan de voeten van Gamaliël gezeten was, samen met nog andere jongeren, lettend op wat deze leraar der wet vanaf een verhoging tot de kring zijner leerlingen te zeggen had 4).
Wij mogen wel zeggen, dat het dan voomamelijk gaat om de Farizeeërs en de Sadduceeërs. Tot de Sadduceeërs rekenden zich vooral vele priesters. De naam van hun groep is niet bevredigend te verklaren. Vermeld zij slechts, dat sommigen hem in verband brengen met de priester Zadok. Zijn betekenis zou dan wezen: afstammelingen van Zadok 5). Anderen zijn het daar echter niet mee eens, aangezien zij geloven, dat hij samenhangt met een hebreeuws woord, dat hen aanduiden zou als: de rechtvaardigen. Het Nieuwe Testament laat ons zien, dat er tussen de leerstellingen der Farizeeërs en der Sadduceeërs op vele punten een grote tegenstelling bestond. Informaties van Flavius Josephus bevestigen dat. Wij lezen tenminste bij hem: „In deze tijd waren er onder de Joden drie secten, die verschillend over de menselijke dingen oordeelden. De ene werd die der Farizeeërs, de tweede die der Sadduceeërs, de derde die der Essenen genoemd. De Farizeeërs zeggen, dat vele, maar niet alle dingen, door het noodlot geschieden; volgens hen staat het van sommige dingen in onze macht, of zij al dan niet zullen plaats hebben. De Essenen beweren daarentegen, dat alles onder de macht van het noodlot beschikt is. Terwijl eindehjk de Sadduceeërs het noodlot geheel opheffen, zijn bestaan ontkennen, en beweren, dat niets van hetgeen de mensen overkomt, naar zijn leiding geschiedt, maar alles van onszelf afhangt, zodat wij van het goede zelf de oorzaak zijn en het kwade aan onze eigen onberadenheid te danken hebben 6). En elders: „De leer der Sadduceeërs laat de zielen tegelijk met de lichamen sterven en erkent geen andere voorschriften dan die der wet. Zelfs achten zij het verdienstelijk de leraars hunner eigen wijsbegeerte te bestrijden. Deze leer telt slechts weinige aanhangers, maar deze behoren tot de aanzienlijke stand. Zij oefenen om zo te zeggen niet de minste invloed uit op de gang van zaken, want als zij onwillig en bukkende voor de noodzakelijkheid een staatsambt bekleden, sluiten zij zich aan de Farizeeërs aan, daar zij anders niet door het volk geduld worden. 7)
Kenmerkend voor de Sadduceeërs was dus, dat zij de wet van Mozes aanvaardden, maar dat zij de profeten van minder waarde achtten; dat ze het bestaan van engelen en geesten verwierpen, evenals de opstanding des vleses; en dat zij afwijzend stonden tegenover de praedestinatie, door Josephus „het noodlot" genoemd.
Niet de leer der Sadduceeërs was het, die de jonge Saulus bekoorde. Daar hij van huis uit anders onderricht was, waren het de beginselen der Farizeeërs, die hem meer boeiden. Waar het woord Farizeeër vandaan komt, is niet geheel zeker. Natuurlijk had het oorspronkelijk niets te maken met huichelaar, geveinsde, hypocriet. Dat is een klank, die het sedert Christus' ontdekkende prediking gekregen heeft, ook al moet toegegeven worden dat reeds de rabbijnen spraken van: „de Farizeeër van de schouder", die trots de vervullingen der geboden op zijn schouder droeg. De naam kan afgeleid zijn van een werkwoord, dat evengoed „uitleggen" als „afzonderen" betekenen kan. Een Farizeeër kan dus zowel een uitlegger, als ook een afgezonderde (van de schare, die de wet niet kent) beduiden. De wet van Mozes werd namelijk bij hen zeer in ere gehouden. Dat spreekt des te meer, als gelet wordt op de verleiding om mee te doen met het hellenistische cultuurleven, te midden waarvan het joodse volk toenmaals geplaatst was. Tegelijkertijd evenwel hielden zij zich ook aan de overleveringen der Ouden, tezamen de mondelinge wet genoemd, in tegenstelling tot het geschreven Woord Gods. Die mondelinge wet had enorm veel gezag onder hen. Zij werd beschouwd als de omtuining van de wet van Mozes. Dus als traditie, die niet gemist kon worden, en die noodzakelijk was voor het bewaren en beschermen van het geschreven Woord. Niet voor niets leerden zij dan ook, dat de mondelinge wet terugging op Mozes. Deze zou haar op de Sinaï ontvangen hebben, en zij zou sindsdien mondeling overgeleverd zijn door de eeuwen heen. De naam van Mozes stond er borg voor, dat zij van Goddelijke oorsprong was. Evenals de namen dergenen, die haar overgeleverd hadden. In de Spreuken der Vaderen, een joods geschrift, dat in de Misjnah een plaats gekregen heeft, lezen wij dienaangaande: „Mozes ontving de (mondelinge) wet op de Sinaï en leverde haar over aan Jozua, en Jozua aan de oudsten, en de oudsten aan de profeten, en de profeten leverden haar over aan de mannen van de Grote Synagoge. Zij zeiden drie dingen: Wees weloverwogen in het oordeel, werf veel leerlingen, en maak een omheining rond de (geschreven) wet" 8).
Gehjk wij boven reeds gezien hebben, geloofden de Farizeeërs, dat het lot het mensenleven bepaalt, maar dat ook een zekere mate van vrijheid aan de menselijke wil moet worden toegeschreven. Handelingen 23 vers 8 wijst er voorts op. dat zij het bestaan van engelen en boze geesten aannamen en dat de opstanding der doden door hen geleerd werd. Tenslotte is het ook nog bekend, dat zij er de nadruk op legden, dat er in het hiernamaals, op grond van de wijze van leven, beloning of straf vergolden zou worden. Het niet onpartijdige oordeel van Flavius Josephus over de Farizeeërs luidt: „De Farizeeërs leiden een strenge levenswijze en ontzeggen zich ieder genot. Wat de overlevering als goed en rechtmatig heeft overgeleverd, stellen zij zich tot wet, terwijl zij het voor een heilige plicht houden, tegen de minste overtreding harer voorschriften te waken. Zij bewijzen aan gevorderden in leeftijd grote eerbied, en vermeten zich niet zich tegen hun instellingen te verzetten. Hoewel zij stellen, dat alles door het noodlot geschiedt, ontnemen zij toch aan de menselijke wil niet het vermogen om naar eigen aandrift te handelen, daar het volgens hen aan God behaagd heeft in zekere mate de will van het noodlot te doen samenwerken met de menselijke wil, en ieder vrij te laten, of hij zich ten goede of ten kwade wil keren. Zij geloven ook, dat er een onsterfelijke kracht in de zielen ligt, en zij onder de aarde beloningen en straffen ontvangen naar gelang zij zich in dit leven aan de deugd of de boosheid gewijd hebben; terwijl dezen eeuwige banden wachten en genen het vermogen bezitten in het leven weder te keren. Door dit alles is hun gezag bij het volk zo groot, dat aUes wat de godsdienst betreft, gebeden en offers, naar hun uitlegging plaats heeft. Zulk een eervol getuigenis van hun deugd ontvingen zij van de steden (nl. van het volk), daar zij zowel in het werkelijke leven als in hun gesprekken steeds naar het hoogste zochten. 9).
Hoewel Josephus in zijn typering van het Farizeïsme stellig niet geheel objectief geweest is, mogen wij toch wel aannemen, dat Saulus van Tarsen door rabbi Gamaliël de Oude grotendeels volgens deze principes is onderwezen.
1) De Herodianen komen voor in; Matth. 22 : 16; Mark. 3 : 6; 12 : 13.
2) Cf. Luk. 6 : 15 en Matth. 10 : 4.
3) Cf. H. H. Rowley: „The Relevance of Apocalyptic", London, 1955; C. P. van Andel: „De structuur van de Henoch-traditie en het Nieuwe Testament", Utrecht, 1955, p. 103 v.v.
4) Cf. A. H. Edelkoort: „De handschriften van de Dode Zee", Baarn, z. j.; en: J. van der Ploeg; „Vondsten in de woestijn van Juda", Utrecht, 1957. Dit is betrouwbare literatuur.
5) Cf. 2 Sam. 8 : 17.
6) Cf. Flavius Josephus: „Joodse Oudheden", Xin, 5, 9. Naar de vertaling van dr. W. A. Terwogt, Dordrecht, 1873.
7) Idem, XVIII, 1, 4.
8) Cf. H. Danby „The Mishnah", London, 1954, p. 446.
9) Cf. Flavius Josephus: „Joodse Oudheden", xvm, 1, 3
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 augustus 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 augustus 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's