MEDITATIE
Wat willen wij voor Jezus missen?
Ja gewis, ik acht ook alle dingen schade te zijn om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus, mijn Heere. Filippensen 3: 8a.
Paulus schrijft vanuit de gevangenis een brief aan de gemeente in Filippi. Met deze gemeente is Paulus nog nauw verbonden. Hij zal niet zo licht vergeten, wat hem daar overkomen is en wat hij aan wonderen van God de Heere gezien heeft. Ook daar heeft hij in de gevangenis gezeten. Merkwaardig dat Paulus hierover niet klaagt. Wat weet hij moedig en overgegeven alles te aanvaarden, wat hij aan moeite en verdriet, aan teleurstelling en tegenslag, te verwerken krijgt. Niet dat het hem altijd even gemakkehjk heeft gezeten, ik denk aan zijn smeken om van de doorn ia zijn vlees af te komen, maar hij is het met God eens geworden en heeft in lijdzaamheid alles weten te verwerken. Hoe kan dit toch? Onze eerste reactie op tegenspoed is meestal murmureren en ons verzetten. Wij vinden het niet zo gauw goed, wat God in ons leven doet. Het blijkt telkens weer, dat wij van nature boordevol verzet zitten tegen de Heere. De Bijbel spreekt er van, dat het bedenken des vleses vijandschap tegen God is. En nu merk je in deze brief van Paulus niets van dit verzet tegen Gods leiding. Hij klaagt God niet aan, dat Hij er niet voor zorgt, dat hij zo spoedig mogelijk vrij komt. Hoe kan iemand nu zo gewillig zijn? Waar vindt deze houding zijn oorzaak in? Het antwoord op deze vraag ligt mede in onze tekst. Paulus heeft iets in zijn hart, dat meer waard is dan vrij rondlopen en een gemakkelijk leven hebben. De Apostel verlustigt zich in de Heere Jezus en in al Zijn weldaden. Dit is zijn troost en zijn kracht, zijn rijkdom en zijn blijdschap. Daarom kan hij van uit de gevangenis de gemeente opwekken om zich te verblijden in de Heere.
Paulus heeft geloof. En daar ontbreekt het ons maar al te vaak aan. Zeker, ook wij geloven wel veel dingen. Wij geloven de Bijbel, wij geloven, dat God er is. Wij geloven alles wat in de Bijbel staat, van de schepping en van de zondeval, van de verzoening en de verlossing. We geloven, dat er een hemel is en dat er een hel is. Maar dit geloof doet ons zo weinig. Het is in de grond der zaak niet anders dan een verstandelijk voor waar houden, wat ons beschreven staat in de Bijbel. Maar ons hart is er niet bij betrokken, we leven niet in, wat de Bijbel ons predikt. Het zijn meestal alleen maar woorden voor ons en geen zaken, die beleefd worden. Wat een dodigheid is er van binnen, wat zijn we toch gemakkelijk en zorgeloos en daarom zo arm en zo dood-ongeluMdg. Wat hebben wij aan een „verstandelijk" geloof, aan een voor waar houden van alles wat in de Bijbel staat, zonder bekering, zonder dat er iets van birmen verandert, zonder dat we op God betrokken worden en meemaken in ons hart, wie God is in Zijn heilige majesteit, zonder dat we voor God op de knieën komen en om genade leren smeken en van Christus vergeving ontvangen en in Zijn gemeenschap mogen ondervinden, hoe groot de waardij is van al de schatten, die de Zaligmaker heeft verworven voor doemschuldige zondaren. Wat moet er van binnen dan heel wat veranderen, willen we toe zijn aan het geloven, zoals we dit in onze tekst beluisteren. Daar moet ook aan ons allemaal een groot werk gebeuren. Van dood levend worden, zo predikt ons de Bijbel. Opgewekt worden uit een doodzijn-in-zonden-en-misdaden, zo schrijft de Apostel in een andere brief. Dit is gebeurd bij Paulus en hiervan getuigen al de gelovigen. God opende het hart van Lydia onder de prediking in Filippi. Zo gaat het Woord van God naar binnen, zo wordt het levendig in ons hart, zo gebeurt dat wonderlijke, dat we veranderd en omgezet worden, dat we uit onszelf uitgetrokken worden en overgezet in Christus, zodat we in Hem leven. Dit is bij Paulus gebeurd en daar mogen we allemaal wel om vragen, dat we uit ons eigen bestaan van zonde en ongerechtigheid, van vloek en van oordeel, uitgehaald worden en ingebracht in de Heere Jezus, dat we door het geloof met Hem verbonden worden, om zo deel te krijgen aan alles wat de Heere Jezus heeft, aan het nieuwe leven, dat Hij verworven heeft door Zijn verzoenend lijden en sterven. Door het geloof is Paulus met de Heere Jezus verbonden. En in dit geloof heeft hij zijn rijkdom en zijn blijdschap. Daarom is het voor hem best uit te houden in de gevangenis.
Voor Paulus is de Heere Jezus alles geworden. Om Christus vindt hij alles schade. Heel kras drukt Paulus zich uit. Alle dingen staan in de weg, hinderen hem. Overal wil hij van af en hij kan ook alles best missen, als hij Christus maar heeft.
Wat willen wij missen voor de Heere Jezus? Het is met ons mensen wel heel ongelukkig gesteld, want wij vinden juist „alles" belangrijker dan de Heiland. Wij lopen voor „alle dingen" heel hard, maar hebben er van onszelf heel geen zorg over om de Heere Jezus te verkrijgen als onze Zaligmaker en Behouder. Wij bekommeren en verontrusten ons over vele dingen. Wij willen hier op aarde wat bereiken, hier gelukkig zijn en genieten van alles wat de wereld ons heeft te geven. Wij willen onze zonden er niet voor opgeven, maar blijven bezig om ons vlees te verzadigen. We zouden o zo graag met ons geld en met ons bezit, met onze zonden en met de begeerlijkheden dezer wereld, de hemel ingaan. Het moeilijkste punt is wel, dat de Bijbel spreekt van bekering. Dat de Heiland het zo stelt, dat niemand met zichzelf, met zijn eigen leven, met zijn zonden en ongerechtigheden, de hemel in kan gaan. Wie zijn leven wil behouden, zijn natuurlijke leven, zijn aardse, aan de begeerlijkheden dezer wereld gebonden leven, wil behouden, die zal het verliezen. De weg naar de hemel, zo verklaart de Heere Jezus ons, is een weg van zelfverloochening, van sterven aan onszelf en aan onze zondige natuur, om een ander leven, het leven van en met de Heere Jezus te ontvangen.
Het is zo jammer, dat dit zo weinig tot ons spreekt. Zolang wij het hier op aarde goed hebben en gelukkig zijn met wat de aarde oplevert, mooie dingen kunnen kopen en gezelligheid hier hebben, waar zullen we ons dan verder over bekommeren? We hebben genoeg aan onze menseHjke godsdienst en tobben er niet over, dat we met „alles", wat we van de wereld hebben, tot onze godsdienst toe, verloren liggen en verloren gaan. En dit moet ons juist zorg gaan geven, dit ons van binnen beroeren, zodat we te doen krijgen met onze toestand voor de eeuwigheid, met onze zondigheid en vloek, met onze verlorenheid, opdat we het dodelijke gevaar in gaan zien van het ons vermaken in „alle dingen", terwijl we het ene nodige missen, de Heere Jezus, de Verzoener en Behouder, de Zaligmaker en Koning.
En hiervoor is het hart van Paulus nu juist ingewonnen, zodat hij met heel zijn ziel begeert om al inniger met zijn Heiland verbonden te worden en al meer van Hem te ondervinden, om volkomen in Hem te zijn, om de uitnemendheid der kennis van Jezus Christus mijn Heere.
Paulus weet van de uitnemendheid van de Heiland. Hij steekt boven allen en alles uit. Niets zou Paulus weten, dat Christus te boven gaat. In heel de wereld is niets te vinden, dat ook maar in de schaduw van de Zaligmaker kan staan. Hij is zo bijzonder, want Hij is de Middelaar Gods en der mensen. In niet te peilen liefde heeft Hij de hemel verlaten en is Hij ingekomen in de toestand van ons mensen, in onze nood en verlorenheid, in onze schuld en vloek. En daarmee is Hij gegaan naar Golgotha om er alles voor ons mensen te doen wat er bij God gedaan moet worden tot verzoening en verlossing. Hoe schittert de hefde van de Middelaar uit! Hij heeft aan het strenge recht van God genoeggedaan. Hij heeft verzoening gewrocht en een eeuwige verlossing teweeggebracht. In Hem is vergeving van al onze zonde. Om Hem worden duivels-kinderen aangenomen tot Idnderen Gods. Paulus kan er niet over uit, hoe bijzonder de Heere Jezus is, in wie hij zich verlustigen mag, omdat het zijn Heere is. Christus is de Eigenaar van Paulus. De Apostel is overgegaan in andere handen. Hij was van de overste dezer wereld, van de satan, aan wie wij ons allemaal verkocht hebben. Maar Paulus mag het weten en er uit leven, dat de Heiland hem losgekocht heeft met de dure prijs van Zijn bloed. Dit is zijn troost, dat hij niet meer van zichzelf is, maar in leven en sterven het eigendom van de getrouwe Zaligmaker, die met Zijn dierbaar bloed voor al de zonde betaald heeft en verlost uit de heerschappij des duivels.
Wat een rijkdom is dit, wat een zalig leven hebben al Gods kinderen. Zouden we hiervoor alles niet over kunnen hebben? Zouden we om deze Heere Jezus te gewinnen niet alles op kunnen geven? Zou er iets zijn in heel ons zonde-bestaan, dat ons gelukkiger maakt dan de Heiland? Ja gewis, vast en zeker is het, dat niets in de schaduw van Hem kan staan. Dat we alles gerust prijs kunnen geven van onze zonden en van de begeerlijkheden dezer wereld om Hem te gewinnen, om Hem deelachtig te worden, om door het geloof met Hem verbonden te worden en zo te leven uit al Zijn schatten. Dit maakt .echt gelukkig, dit geeft troost en houvast in het leven. Zo hebben we doorzicht en uitzicht en mogen we in hartelijk vertrouwen en met blijmoedige opgewektheid de toekomst ingaan, al blijft de zonde ons geluk verstoren, al blijft de duivel plagen, al worden we door moedeloosheid overvallen, al blijven de aanvechtingen niet uit. Want in Christus is het leven, dat nooit meer sterven kan, het eeuwige zalige leven!
Ik zal blijmoedig henentreden In 's Heeren mogendheid. Mijn hart is uitgebreid, O Heer, om Uw gerechtigheden. Ja die alleen, te prijzen Op aangename wijzen!
(Barneveld)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 augustus 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 augustus 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's