Bezinning nodig
op de situatie in gemeenten met niet-Geteformeetde minderheden
De vorige week hébben wij gezien, hoe een hervormd-gereformeerde kerkeraad die zijn verantwoording kent voor een bearbeiding van de gemeente naar de belijdenis der Kerk, niet in kan gaan op verlangens naar een prediking die hierin systematisch te kort schiet. Pretendeert een minderheid, niet meer dan een niet-essentieel nuance-verschil te wensen, dan ontvalt haar de grond om zo met volle zeilen een gereformeerde kerkeraad tegen te komen.
Met besprekingen hierover loopt men of op het een, of op het ander vast. Een uitweg is er niet. Alles is geprobeerd, men bewandelt nog wel de weg van samensprekingen, maar daar komt men niet uit.
Daarmee is voor vele hervormd-gereformeerde gemeenten de zaak bekeken. Men blijft zorg dragen voor de gereformeerde prediking, in de hoop dat dit in de toekomst niet door een verandering in de richtingstructuur van de gemeente moeilijker of onmogelijk zal worden gemaakt. Met „de anderen" bemoeit men zich liefst zo weinig mogelijk, vooral indien door een scheurgemeente op grond van de artikelen 238 de stemming over en weer onder het nulpunt is gedaald.
Is dat juist? Vast niet. Het lijkt schrijver dezes, dat zich hier onder ons een wat benepen instelling openbaart, die zo in de aposteltijd en in de Reformatie niet gevonden werd. Onmiddellijk moet hierbij aangetekend, dat met de suggestie om minder benepen te zijn hier niet is bedoeld — wat niet-gereformeerden hopen en gereformeerden vrezen — het gunnen van ruimte aan niet-gereformeerde „bedrijvigheid" in gereformeerde gemeenten.
Hoe is het dan wel bedoeld? Dat wij met onze gebondenheid aan Schrift en belijdenis niet alleen maar erop uit moeten zijn, die gebondenheid in onze gemeenten veilig te stellen en om deze banier onze eigen mensen te verzamelen. We zien dan in „de anderen" alleen maar mensen die deze gebondenheid bedreigen, en van wie we daarom afstand moeten nemen. Dat is te defensief. We moeten daarentegen in de niet-gebondenheid van de anderen aanleiding vinden, hen tot dezelfde gebondenheid aan Schrift en belijdenis te brengen die ook wij kennen. Dat is offensief.
Zo'n offensief karakter van ons optreden, het opeisen van „de anderen" — in liefde en met wijsheid — voor de religie die in de belijdenis der Kerk zijn uitdrukking vindt, sluit het verdedigen van de aloude Waarheid allerminst uit. De zorg, die de gereformeerde kerkeraden van onze Kerk daar voor blijken te hebben, is verheugend. Dat hierin uitkomt, dat hun gemeenten hun mede die zorg bewust hebben willen toevertrouwen, eveneens. Maar er is een andere zijde van dezelfde zaak. Die andere zijde moet komen niet in de plaats van de zorg voor een gereformeerde prediking, maar daarbij. Men dient in die gemeenten evenzeer zorg te hebben daarvoor, dat ook „de anderen" worden gebracht tot het geloof der Kerk.
Daarvoor is een principieel ander zicht op „de anderen" nodig dan men nu vaak ontmoet. Niet zonder reden werd „de anderen" steeds tussen aanhalingstekens geplaatst. Want in bijna alle dingen zijn zij helemaal niet anders dan wij. Zij delen evengoed als wij in de beloften des Verbonds, omdat zij als wij behoren tot de Kerk van Christus. Wij zijn als zij van nature geneigd, God en de naaste te haten. Als wij een overtuiging met ons omdragen van de noodzakelijkheid van de prediking van de rechte leer, de leer der Kerk, maakt die overtuiging op zichzelf ons allerminst aangenaam voor God. Het is goed-gereformeerd, daarvan doordrongen te zijn. Maar brengen wij dat bij de beleving van de verhouding tussen de Heere God, de nietgereformeerden en ons wel in praktijk? Vinden we onszelf niet een beetje meer Gods Kerk dan „de anderen"? Zo is het toch niet. De niet-gereformeerden behoren daar krachtens de H. Doop even goed toe als wij. Zowel zij als wij moeten, als gelijkberechtigden in de Kerk van Christus, staan en opwassen in het geloof. Daarom kan en mag het ons niet onverschillig laten of dat opwassen in het geloof ook werkelijk plaats vindt, voor hen zo goed als voor ons.
Tot hiertoe is er nog geen haar verschil tussen hen en ons. Ook niet hierin, dat bij dat opwassen in het geloof de prediking des Woords naar de rechte leer, dat is de leer der apostelen en de leer der Kerk, en de reine bediening der Sacramenten de door God daartoe gestelde middelen zijn, zowel voor hen als voor ons.
Hét verschil komt pas naar voren hierin, dat het besef van dit laatste ~ de prediking naar de „pura doctrina", de rechte leer, nodig voor het opwassen in het geloof — bij ons levend is. We kunnen niet zeggen, dat dit besef bij de niet-gereformeerden niet leeft, maar men kent daar niet die zorg voor het ongerept houden van de leer der apostelen als bij ons. Men experimenteert daar graag theologisch met leringen, die uit de geest des tijds en de daarmee verband houdende filosofische voorstellingen opkomen. Men schijnt te denken dat een leer die laat ons zeggen voor tachtig procent zuiver is ook nog wel een wasdom van 80% (of misschien wel van meer dan 100%) zal geven. Op de ernstige waarschuwingen in de Schrift om niets aan het Woord toe of af te doen op straffe van oordelen die niet mis zijn, is de aandacht niet zozeer gericht. En toch luistert dat zo nauw. Want de bedoeling Gods van de prediking des Woords en de bediening der sacramenten is immers, dat dit Woord weerklank vinde in de harten en zo mensen, ze stellend voor het aangezicht Gods, tot het geloof beweegt. Maar hoe zullen zij geloven zonder die hun recht predikt? Wat een waarschuwingen aan de nieuwtestamentische gemeente om de dwaalleraars niet na te volgen!
Hieruit blijkt, dat het verschil tussen gereformeerd en niet-gereformeerd wel uitermate belangrijk is, omdat de bloei van de gemeente regelrecht met de prediking van de reine leer samenhangt. Maar waar die prediking niet wordt begeerd en de gemeente dus niet bloeit zoals dat mogelijk zou zijn, daar is toch nog de gemeente, en niet een troep „anderen".
Omdat de niet-gereformeerden dus ook voluit gemeente zijn, is een om hen heen manoeuvreren niet geoorloofd. Te meer niet, omdat het feit dat de dwaalleer na de Reformatie in de Kerk heeft kunnen binnendringen, toch ook een stuk schuld is van onszelf, waar wij in de lijn der geslachten verantwoording voor dragen.
Daarom is het probleem niet, hoe wij het strategisch zo aanleggen dat deze mensen geen voet aan de grond krijgen. Dan gooien we met het badwater, de niet-gereformeerde leer, ook het kind, de niet-gereformeerden weg. Daarmee is niet gezegd dat we maar rustig aan hen allerlei posities in de gemeente zouden moeten overlaten, want dan zouden we met de mensen de leer weer binnenhalen. Maar er werd bedoeld, dat onze zorg voor de gereformeerde leer niet mag opgaan in dit gemanoeuvreer.
Het probleem is, eenvoudig gezegd, hoe de niet-gereformeerden wèl-gereformeerden worden. Dan zouden alle moeilijkheden als bij toverslag verdwenen zijn.
Maar dat hebben wij niet in de hand, zal worden opgemerkt. Een „opengaan' voor de strekking en inhoud van de leer der godzaligheid, naar het Woord, is een werk des Geestes in het hart. Daar kunnen wij mensen niets aan af- of toedoen.
Dat is ongetwijfeld juist, maar dat betekent niet, dat wij bij dat werk des Geestes helemaal niet betrokken zouden zijn. Dat zouden wij wel willen. Dan hadden wij het veel gemakkelijker. Maar met deze houding zou de voortgang van het Evangelie, van het Koninkrijk Gods in de aposteltijd en in de Reformatie zijn uitgebleven. In de opdracht, het evangelie aan alle creaturen te prediken heeft toch zeker de Heere Christus in eigen persoon ons tot middel gesteld. Wij moeten dus de bodem toebereiden.
(Slot volgt.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 augustus 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 augustus 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's