De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Kroniek

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Kroniek

9 minuten leestijd

„Allure van een volkskerk — Medewerking van de gemeente — Over de leertucht in onze kerk — De „Toto" en het vervolg.

„Krijgen de Gereformeerde Kerken ook meer en meer de allure van een volkskerk...? " Die vraag wierp prof. dr. Herman Ridderbos op in een der nrs. van „Het Gereformeerd Weekblad" (uitgave J. H. Kok, Kampen). Ik las enkele uittreksels van zijn artikel in „Trouw", d.d. 16-6-'60.

De schrijver kwam tot de bovenaangehaalde vraag door kennisname en overpeinzing van gegevens in het „kerkelijk jaarboek der Geref. Kerken" van 1959. De gegevens daarin gepubhceerd geven te zien, dat het aantal afsnijdingen van de gemeenschap der kerk, vergeleken met wat in 1957 daaromtrent was vermeld, sterk is gedaald.

Op zichzelf beschouwd, zou deze daling als een verheugend verschijnsel kunnen aangemerkt worden. Tot deze gevolgtrekking kon de schrijver niet concluderen, omdat andere cijfers hem hadden gezegd, dat een groeiend aantal leden — ook weer in vergelijking met vorige jaren — zich vrijwillig aan de kerkehjke gemeensöhap had onttrokken, en zulks zonder zich bij een andere kerk te voegen.

Hij stelt dan de vraag:

„Werkt de kerk meer en meer eraan mee, dat deze weg van het zich onttrek­ ken wordt gekozen? Is het ook waar, wat men meermalen kan horen, dat de „randen" in bepaalde kerken zo breed geworden zijn, dat een tuchtoefening in de zin van zondag 31 eigenlijk niet meer uitvoerbaar is? "

En zijn conclusie is:

„Zo krijgen de schijnbaar „dorre" cijfers toch weer een geestelijk, eventueel ook ongeestelijk reliëf en kunnen zij aanleiding geven tot een nadere bezinning op de vraag, in hoeverre de geref. kerken wat de tucht in de praktijk aangaat nog bij de belijdenis leven".

Over het hier eerlijk uitgesproken verschijnsel hebben wij ons te bedroeven. Te meer, daar in onze kerk en onze gemeenten veel dergelijks is, dat verdriet geeft en reden is om de kerkelijke schuld voor Gods aangezicht te belijden, zodat wij waarlijk ons niet behoeven af te zetten tegen andere kerken om onszelf op de been te houden. De moeilijkheden, waarmede andere kerken te kampen hebben, kunnen ons in dezelfde of nog verder om zich heen grijpende ellenden geen verlossing brengen. Daaraan zal de Koning der Kerk te pas moeten komen.

Wat „de dorre cijfers" prof. Ridderbos zeiden en hem brachten tot de vraag of de Geref. Kerken iets van „allure van volkskerk" krijgen, is geen verschijnsel van de laatste tien of vijftien jaren. Het was in de twintiger jaren, dat ik in gesprek met een nu reeds ontslapen gereformeerd predikant, hem de vraag stelde, of het waar was, dat attestaties door de Geref. Kerk van Amsterdam afgegeven, zonder nadere informatie door sommige „zuster-kerken" niet werden aanvaard. Ik had dit van kennissen uit zijn kerk gehoord. Hij bevestigde het gerucht, met de bijvoeging, dat in dergelijke grote gemeenten het eigenlijk voor een kerkeraad onmogelijk was, zich een goed oordeel over belijdenis en levenswandel der leden te vormen, als de gemeente niet van harte medewerkt. Het proces, hier boven aangeduid, was toen dus al gaande. Doch er werd niet over geschreven in een krant.

Evenwel, niet om dat geleidelijk voortschrijdend proces te accentueren, maakte ik van dat gesprek melding. Die predikant sprak van „medewerking van de gemeente".

Wij zijn, mede door jarenlange „volkskerk"-praktijk het kerkelijk meeleven verleerd. Wie heeft nog besef van wat een „attestatie" is? Men ziet ze doorgaans als een soort verhuisbiljet. Het echte moet binnen zes weken na vertrek zijn opgevraagd en ingeleverd. Maar het „kerkelijk verhuisbiljet", alias de attestatie, laat men gerust bij verhuizing jaren lang ter plaatse. Men vraagt ze aan wanneer er bij kennismaking- of huisbezoek door predikant of ouderling op geattendeerd wordt, of wanneer een stemming van enig belang op komst is. En men weet vaak niet eens, dat dan geen attestatie kan afgegeven worden, doch een „bewijs van lidmaatschap", omdat de aanvrager meer dan een jaar uit de gemeente vertrokken was. In zulk een geval mag een kerkeraad geen attestatie, d.w.z. een getuigenis, dat op belijdenis en levenswandel van betrokkene niets valt aan te merken, afgeven. Doch die verklaring kan de betrokken kerkeraad, zal hij geen vals getuigenis afleggen, niet geven, tenminste in grotere gemeenten niet, zonder medewerking van de gemeente. Vandaar, dat afkondiging aan de afgifte dient vooraf te gaan met verzoek, indien tegen belijdenis en levenswandel bezwaren zijn, deze schriftelijk en ondertekend ter kennis van de kerkeraad dienen gebracht te worden.

„IJdele formaliteiten zal misschien deze en gene zeggen. Ja, dat zijn ze helaas vaak geworden door onze kerkelijke inzinking en afwijking van de bijbelse inzettingen inzake het kerkelijk leven. En dit euvel neemt men niet weg door te ijveren voor „huisgemeenten" en „kleine kernen" (prof. Hoekendijk) of perfecte kerkorden en dito ordinantiën, hoe zeer nodig en goed bedoeld ook. Hier is nodig innerlijke reformatie, bekering tot de gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift en elkander op te wekken tot kerkelijk meeleven en elkander op te scherpen in de liefde. In dit verband is echter nog wel iets meer op te merken!

Prof. van Itterzon heeft onlangs voor de Confessionele Vereniging een treffende lezing gehouden over de tucht, onder de titel: „1961 en de leertucht". Uit het eerste stuk, gepubliceerd in „Hervormd Nederland" van 21-7-'60, is onder „Uit de Pers" het een en ander in ons blad overgenomen. In het m. d.d. 4-8-'60 stond het vervolg, waaruit eveneens een exposé in het jongste nr. van ons blad is gegeven. Het is niet direct „bis. in idem", tweemaal hetzelfde, als ik hier de aandacht op het volgende vestig. Scherp maar waar, vermeldde hij, dat van 1951 tot nu, dat is in ongeveer 10 jaar, van de gelegenheid om te handelen naar wat de kerkorde thans reeds mogelijk maakt om bezwaren tegen predikanten, die naar men meent „de fundamenten der kerk" — hij betreurt het terecht, dat de Synode nog nimmer aangaf, noch in een ordinantie, noch in andere publicatie, wat haars inziens onder die „fundamenten" verstaan moet worden — aantasten, nog geen gebruik werd gemaakt. Hij adresseert dit verwijt allereerst aan de „Provinciale Kerkvergaderingen", aan wie de kerkorde het aanbinden van zulk een procedure opdraagt.

Maar hij richt zich, als ik hem goed begrepen heb, tot heel het kerkvolk, dat genoeg klaagt, en moppert en in het gesprek veel bezwaren heeft tegen de leer van bepaalde predikanten. Prof. van Itterzon heeft volkomen gehjk, naar ik meen. Men heeft de diverse „commissies voor bezwaren en geschillen" wel weten te vinden. Vooral, wanneer men in de gemeente over wijk-indeling en dergelijke zaken niet tevreden was, al of niet gerechtvaardigd. Procedures over de levenswandel der predikanten zijn er ook geweest, meer dan gepubliceerd werden. Het is wel. Maar dat geschiedde onder het regiem van 1816 ook nog wel. Doch het gaat hier over de leertucht, het voornaamste stuk van de tucht. Een tuchtprocedure kan sinds 1951 worden aangevangen. En de kerk zweeg, en stemde door te zwijgen toe, dat „de kerk rust moet hebben". En ondertussen ging het ondergraven van de fundamenten door!

„Maar tegen prof. Smits' uitlatingen is toch vanuit Zuid-Holland verzet aangetekend" zal men mij toevoegen. Ach ja, het is waar. Doch hij staat aan de rand van het kerkelijk leven, „hoogleraar met bevoegdheden van een emerituspredikant". En is hij de enige?

Er zijn vele plaatsen in de kerkprovincie Zuid-Holland, waar een „evangelisatie" is. Daar blijkt wat uit. De provinciale kerkvergadering van Zuid- Holland heeft de kerkeraden indertijd hierover een brief geschreven. Kerkeraden van gemeenten met „evangelisaties", klaagden predikanten aan, die in de „evangelisaties" voorgingen. Die predikanten verdedigden zich. Maar waar is het offensief van de zijde der „evangelisaties"? Zijn er klachten kenbaar gemaakt? Zo ja, zijn ze behandeld, of in de „ijskast" gezet?

In de Nachtgezichten van Zacharia staat de uitdrukking: „en zie het ganse land zit en het is stil" (1:11). Zo lijkt het mij ook onder ons te zijn. En naar ik soms vrees, doordat men niet bij machte is offensief op te treden, wijl de kennis ontbreekt tot bewijs uit de H. Schrift. De nood der kerk is niet gering en hij heeft vele facetten!

Het ontwerp tot wijziging der loterijwet, de „Toto" huiselijk gezegd, is door de Tweede Kamer aanvaard. Het protest der kerken — wij zijn dankbaar, dat ook onze kerk hier een positief geluid deed horen — en de tegenstand van bijna de gehele A.R.P., de S.G.P. en meerdere leden der C.H.U. — ook dit gemeenschappelijk verzet heeft ons verblijd — heeft niet mogen baten.

Het rumoer rondom deze zaak is wat geluwd. Er zijn sinds ook zoveel wereldschokkende gebeurtenissen onze aandacht gaan bezig houden — de troebelen in de Kongo, de Cubaanse kwestie, de acties der V.N., de verkiezingscampagne in de V.S. — dat deze stilte begrijpelijk is.

Maar als nu straks de Eerste Kamer haar fiat aan de „Toto" geeft — op verwerping schijnt weinig of heel geen kans — wat dan?

Ik vraag dit met het oog op de Christelijke sportverenigingen, welke, evenals de andere, geldelijke steun niet kunnen ontberen, doch uit principiële overwegingen de revenuen uit de „Toto" niet kunnen aanvaarden. Gelukkig zijn die zo ingestelde sportverenigingen er nog vele! Denkt men in de kerk wel genoegzaam aan deze clubs, waarvan onze jongeren leden zijn? Niemand zal van Bijbels standpunt uit tegen de sport als zodanig kunnen zijn, al zijn er vele bezwaren tegen de excessen.

Nu kan men verwijzen naar subsidie van de staat. Het is erg goedkoop, zulks te doen. Ik wil niet beweren, dat zulk een subsidie niet alleszins billijk zou zijn. Maar ook al wordt die verstrekt, zijn we er dan? Is hier geen roeping voor de kerk? Er is een actie gaande voor „een miljoen". Ds. Kret nam het initiatief. Of het gelukken zal?

Hoe men ook over de activiteiten, uit dit plan voortgevloeid, denke, hier wordt gevoeld, dat men met negatieve instelling tegen de „Toto" niet klaar is. Indien men bezwaren zou hebben tegen organisatie of opzet van dit plan — ik ben met de finesses niet op de hoogte, ben ook geen expert in deze materie — laat men die dan kenbaar maken, of een betere weg aangeven, doch niet in nietsdoen zijn kracht zoeken. Protesteren tegen een kwaad — in casu de „Toto" —, is uitstekend, is plicht. Doch het is evenzeer plicht te helpen en te steunen. Ligt hier geen taak voor onze kerkeraden? We collecteren voor het „Pit". Om de geestelijke belangen van onze jongens. Laat men het „thuisfront" in dezen niet vergeten. Het zou kunnen gebeuren, dat onze jongeren, door ons nietsdoen, voor de verzoeking bezweken en tenslotte steun aannemen uit de „Toto"; misschien in arren moede over toch geen meeleven van de kerk. Het wordt meer gezien, dat men in deze tijd van compromissen — ze vieren hoogtij — „slikt" wat men aanvankelijk fel bestreed. Ook in dezen zij Zach. 1: 11 ter waarschuwing!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 augustus 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Kroniek

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 augustus 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's