DE Dordtse LEERREGELS
Maar dat anderen door de bediening des Evangelies geroepen zijnde, komen en bekeerd worden, dat moet men de mens niet toeschrijven, alsof hij zichzelf door zijn vrije wil zou onderscheiden van anderen, die met even grote of genoegzame genade tot het geloof en de bekering voorzien zijn, hetwelk de hovaardige "Uetterij van Pelagius stelt; maar men moet het Gode toeschrijven, Die, gelijk Hij de Zijnen van eeuwigheid uitverkoren heeft in Christus, alzo ook diezelfde in de tijd krachtiglijk roept, met het geloof en de bekering begiftigt, en uit de macht der duisternis verlost zijnde, tot het rijk van Zijn Zoon overbrengt, opdat zij zouden verkondigen de deugden Desgenen, Die hen uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht en opdat zij niet in zichzelf, maar in de Heere zouden roemen, gelijk de Apostolische geschriften telkens getuigen.
HOOFDSTUK III/IV
Artikel 10
In artikel 9 is het uitgesproken, dat velen, die geroepen zijn door de bediening van het Evangelie niet komen. Daar is beleden dat dit hun eigen schuld is. Maar nu zijn er ook anderen, die wel komen. Men zou denken, dat dit ook aan henzelf ligt. De eersten hebben de geschonken gaven niet goed gebruikt. Dat staat vast. God deelt onderscheiden gaven mee, doch vele geroepenen maken daar een slecht gebruik van. Denk maar aan de vele waarschuwingen, die in de wind geslagen worden. Hoe is Kaïn gewaarschuwd en de eerste wereld en Jeruzalem door de profeten en door Jezus. Zij zijn echter niet alleen gewaarschuwd voor de verkeerde weg. Positief is hen ook de rechte weg gewezen.
Wat zijn er ook in onze dagen onder de gereformeerde prediking velen, die de waarschuwingen zonder meer laten passeren. Dat is hun eigen wil en zin. Wij predikanten hebben een geweldige waarschuwing te brengen. Men zegt vaak, dat de midden-orthodoxe en vrijzinnige prediking hierin schromelijk te kort schiet. Ik wil dit niet ontkeimen, hoewel het onbegrijpelijk is. Men kan welhaast geen bladzij in de Bijbel lezen of de waarschuwingen voor een eeuwig verderf springen een dominee in zijn gezicht. Hoe kunnen wij voorgangers dan te kort schieten in het waarschuwen? En toch geloof ik, dat wij dit gevaar allemaal lopen. Wij hebben een waarheid te verkondigen of wij hebben een weg voor te stellen en te vertellen, maar ongemerkt gaat de dringende waarschuwing de preek uit.
En dan is er nog iets, dat is ook erg. Waarschuwen kan de hoofdinhoud vande prediking worden. Het kan een preeksysteem worden bij deze of gene, terwijl hij het zichzelf niet zo aantrekt, als hij het anderen predikt. Wij moeten waarschuwende woorden gebruiken, doch wij moeten bovenal zelf hebben leren vrezen en beven voor het verderf.
Gaan alle mensen dan op onze waarschuwingen en nodigingen letten? Neen, dan blijven velen totaal onaangedaan. Zij willen niet wederkeren tot de Heere. Zij willen de wegen der zonde niet verlaten. God Zelf kon Kaïn daar niet toe bewegen, de profeten Israël niet en Jezus de Joden niet, door de waarschuwingen.
Anderzijds is er toch altijd een volk geweest, dat wel luisterde. De hele Bijbel door ziet men tweeërlei volk. Abel staat naast Kaïn, Henoch en Noach naast de eerste wereld, Izaak naast Ismaël.
Hoe komt het, dat sommigen luisteren? Velen antwoorden op deze vraag, dat de diepste oorzaak daarvan in de vrije wil van de mens ligt. Tenslotte zou hij dan toch niet zo diep verdorven zijn of ergens zit nog wel een stukje goede wil. Als voorbeeld van velen, die leren dat de wil des mensen het onderscheid maakt, wordt Pelagius genoemd. Volgens deze was er al heel weinig aan de mens verdorven. Min of meer sloot hij aan bij de Christelijke kerk van de eerste tijd. Men kwam daar te staan tegenover het heidense noodlot en het Gnostisch naturalisme. In de naam van beide voelt men al het verschil met de raad Gods. Het noodlot zit vol willekeur. In Gods raad is daar geen sprake van. Al wat God doet is wijs en heilig. Naturalisme wil zeggen, dat de van oorsprong gegeven natuur zo of zo is en men dus niet kan spreken van verantwoordelijkheid. Als een leeuw een mens doodt, stellen wij dat dier niet verantwoordelijk. Het is zijn natuur. Hoewel de mens van nature verdorven is, stellen wij hem — en terecht — toch verantwoordelijk. De eerste eeuwen hadden de christelijke denkers nog niet de rechte voorstelling van de raad Gods en van de diepe val des mensen. Zij legden nadruk op de vrijheid van de mens. Deze was wel in meerdere of mindere mate door de zonde bedorven, maar bleef toch nog vrij en kon de aangeboden genade Gods aannemen. Zij leerden geen onwederstandelijke genade. En Gods raad dan? Daarvan leerden zij, dat deze op voorwetenschap rustte. God gaf reeds in de eeuwigheid aan het verderf over, van wie Hij vooruit wist, dat zij niet zouden geloven en Hij verkoos degenen, wier verdienste Hij vooruit had gezien. Het zijn de bekende gedachten: de mens is door de zonde verzwakt en sterfehjk geworden. Toch kan hij nog het natuurlijk goede willen en ook de aangeboden genade aannemen en verwerpen.
Pelagius heeft deze leer niet helemaal overgenomen. De leer der erfzonde en de dood als straf der zonde Het hij liggen, leerde hij niet. Bij hem heeft voorts de mens een goede natuur en vooral een goede wil. Door deze wil bezit de mens de heerlijke en onverliesbare vrijheid om het goede, maar ook om het kwade te doen. Als de mens nu deze mogelijkheid maar goed gebruikt, komt alles in orde.
Artikel 10 verwerpt deze leer. Daar is onderscheid, dat zien de oude Godgeleerden ook zeer wel. Maar het onderscheid ligt niet in het gebruik van de vrije wil.
Tussen de mensen is principieel geen onderscheid op dit punt. Wij zijn allen onbekwaam tot enig goed. Er is niemand die God zoekt. Er is niemand, die goed doet.
Heeft de mens dan geen vrije wil? Ja zeker, doch deze vrije wil kiest alleen vrijwilHg het kwade. De mens is niet anders dan een slaaf der zonde en het bedenken des vleses is vijandschap tegen God. Uit zichzelf blijft een zondaar tegenstand bieden tegen Gods waarschuwingen en nodigingen, totdat hij niet meer kan. Pelagius leerde, dat er genade nodig was. Waarin bestond die genade voor hem? Ten eerste uit de gave van de vrije wil en van het natuurlijk verstand. Daarna noemde hij de wet van Mozes, vervolgens de leer en het voorveeld van Christus. Anderen in onze tijd zullen nog wel veel meer te noemen hebben. Sommigen menen, dat elk gedoopte een genoegzame mate van de H. Geest heeft ontvangen, anderen wijzen op de prediking, waar de Geest Gods voor ieder, die het hoort, bij ingesloten is. Weer anderen wijzen op het offer van Christus, Die voor ieder zonder uitzondering zou gestorven zijn en de schuld der zonde betaald hebben. Voorts zeggen zij: nu komt het er op aan, wat de mens met deze grote en genoegzame genade doet. In de handen van de mens leggen zij de beslissing, de uiterste beslissing. Zij zien de mens nog staan in dezelfde toestand als Adam voor de val. Er is niets onherstelbaars gebeurd met de wil. Uit zijn eigen kracht kan hij het goede willen. De mens is niet geheel verdorven.
Het is voor de hoogmoed van de mens ook wel een bijzonder moeilijk te verteren zaak, dat God onderscheid maakt, waar geen onderscheid is. Het lijkt aannemelijker, wanneer wij het ons zo voorstellen, dat God de mogelijkheid stelt en voorstelt. God geeft Zijn Zoon voor allen. Deze Christus wordt gepredikt. God geeft in deze prediking de Geest en nu hangt het van de mens af.
Als dit waar zou wezen, als de mens nog één goede wilsbeweging tot zijn zaligheid zou moeten toedoen, was het verloren. Daar is in ons niets goeds.
Ja maar, hoe komt het dan, dat er toch gelovigen zijn. Dat is een vrucht van onwederstandelijke genade en van een doorzetten en kiezen Gods tegen alles van de mens in. Het is met ons zo gesteld, dat wij tot het laatste toe weerstand bieden. Dit betekent niet, dat wij niets toegeven. Allerlei soorten goedheid en vroomheid kan men in de godsdiensten en in de kerken vinden. Sommige predikers en sommige hoorders komen dicht bij de ware prediking en het ware geloof. Maar altijd blijft er nog een kloof tussen. Altijd houden zij nog iets voor zichzelf. Toen de Heere Jezus op aarde was, heeft Hij Zich tegen alle bestaande godsdienst moeten keren. De Heiland bracht geen veredeling van het Farizeïsme noch van het Sadducisme noch van het Essenisme of van wat ook. Hij bracht het sterven van alle godsdienst en alle eigengerechtigheid en alle ongerechtigheid. Daartegen verzet zich de natuurlijke mens. Sommigen geven weinig toe, anderen veel. Maar ieder wil ergens halt houden en in leven blijven. Ergens verzet hij zich tegen God en blijft zich verzetten. De roomse kerk is daar een voorbeeld van. Na de reformatie heeft zij veel aan zich veranderd. Maar zij is een grote vijandin gebleven van de bijbelse prediking van de algehele verdorvenheid van de mens en daarom ook van de ware prediking der verlossing alleen door Christus. Maria doet wat, de heiligen doen wat, de kerk doet wat en God doet wat. Zo zijn er veel godsdienstige mensen, die heel hun leven blijven vechten tegen het evangelie van vrije genade. Wij doen dat allemaal als God het niet verhoedt.
Wat doet God dan? Hij deelt gaven uit aan allen, die geroepen worden. Deze weigeren prompt om in te gaan op des Heeren roepstem. Maar nu gaat God met sommigen al verder en verder. Zij blijven zich verzetten. Zij lijden onder hun eigen verzet, maar zij kunnen niet anders. Zij zien in vele dingen dat verzet later pas. Maar God gaat door, al maar verder. Hij geeft, dat zij nergens kunnen blijven steken. Zij worden hoe langer hoe meer overreed van de noodzakelijkheid van het geloof in Christus en het loslaten van al het eigene. Zij worden overreed, dat alles tekort is, zolang hen Christus niet is geopenbaard en toegeëigend. In elk geval: Gods onwederstandelijk werk aan hen gaat al maar verder. Zo heeft de Heére het van eeuwigheid Zich voorgenomen. Een andere weg zou er ook niet geweest zijn. Als de Heere ergens een mens nog de keuze liet, bleef de gevallen zondaar tegen God kiezen. Maar nu werkt God net zo lang, totdat de Heere een andere keuze, een nieuw willen (Fil. 2 : 13) heeft gewerkt. Wanneer God de Heere Zich niet voorgenomen had deze en die zalig te maken, zou er niemand ooit komen. De minste en geringste aandacht, gewilligheid, begeerte, ootmoed is werk des Heeren. Als God voortgaat met dat werk, het is alleen uit Hem. En als de Heere het voleindigt, dat gebeurt om redenen uit God.
Niet alle mensen ontvangen deze onwederstandelijke genade. Velen ontvangen genadegaven, doch niet allen onwederstandelijke genade.
Is dit geen willekeur? Neen, de onwederstandelijke genade verschijnt in een samenhangend geheel van verkondiging en genadegaven en smekingen (2 Cor. 5 : 20) Gods, dat wij niet anders kunnen zeggen dan dat de Heere Zich volkomen vrijmaakt van de zondaar. Deze wil niet horen. De Farizeeër wilde niet van zijn godsdienstige werken af en de Sadduceeër niet van zijn liturgie en de roomse niet van zijn sacramentele genade en de gereformeerde niet van zijn verbond of iets dergelijks. God laat Zich aan heidendom of jodendom of christendom niet onbetuigd van de hemel. Nochtans blijft ieder wandelen in zijn eigen wegen: Kohlbruggianen, Geref. Bonders, etischen, confessionelen, joden, roomsen, liturgisten, ieder blijft wandelen naar het goeddunken van zijn vrome en goddeloze hart. En dan is er daartussen door het wonder, dat er een Jacob, of een Ruth of een Rachab of een Zacheüs of een Saulus van Tarsen zalig wordt. Dat is echt niet vanwege die vrije wil of het goede gebruik van de ontvangen gaven. Dat is gewoon vanwege de onwederstandelijke genade Gods, die niet alleen de mogelijkheid doch ook de werkelijkheid, niet alleen de verwerving doch ook de toepassing der verlossing schenkt. Dat is vanwege de souvereine genade, die altijd nog weer sterker blijkt dan de zwaarste weerstand van de mens.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 augustus 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 augustus 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's