De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

ZONDAG EN ZONDAGSARBEID

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

ZONDAG EN ZONDAGSARBEID

8 minuten leestijd

III

Over dit rapport heeft op 16 en 17 mei jl. een conferentie plaats gehad, die belegd was door het Convent der Christelijk-Sociale Organisaties en waar ± 150 predikanten de gasten waren van de in dit Convent samenwerkende organisaties. Alles was perfect geregeld en er is derhalve teredht op deze conferentie grote erkentelijkheid uitgesproken aan het Convent, dat terwille van de zaak, waarom het gaat, zich grote kosten getroostte, om deze nadere bezinning mogelijk te maken.

Hoewel dus maar een klein deel van de Nederlandse predikanten (± 5%) aanwezig was, waren wel vele kerkelijke gezindten vertegenwoordigd. Verder was de aanwezigheid van vooraanstaande figuren uit grote bedrijven en vakbondsleiders garant voor een praktische benadering van de problemen. Uiteraard zijn er geen „kant en klaar-oplossingen gevonden, maar de vragen en kwesties zijn veel duidehjker geworden en bleken soms ook anders te liggen, dan veelal werd aangenomen.

Vanuit de praktijk werd de zaak belicht door de heer W. Bakker, personeelchef bij de Hoogovens.

Hij liet zien, dat ook de zondagsarbeid, die wij vanouds als verbonden aan de natuur zien (de boerderij!) ontstaan is doordat de mens de schepping zich ten dienste ging maken. Zo vindt niemand het vreemd meer, dat schepen op de grote vaart ook 's zondags varen. En op die manier is bepaalde zondagsarbeid steeds meer vanzelfsprekend geworden.

De bevolkingsuitbreiding noopt tot meer industrialisatie, waarbij „onstopbare" processen onvermijdelijk zijn.

Toch betekent onze arbeidswetgeving een rem op zondagsarbeid en er is steeds vergunning nodig. De werknemers staan in het algemeen niet afwijzend tegenover de zondagsarbeid en weigering om principiële redenen komt heel weinig voor.

Hij stelde de vraag, waarom van kerkelijke zijde nog zo zelden met de in­dustrie overleg is gepleegd. Men houdt toch ook rekening met de boeren als de aanvangstijd der kerkdiensten wordt vastgesteld?

Uit de discussiegroepen werd later de vraag gesteld of het dubbele loon voor zondagsarbeid (dat door de wet is gesteld als rem voor de bedrijven) tegenwoordig niet als lokpremie zou werken. In antwoord daarop zeide de heer Bakker, dat het tegenwoordig in Nederland en omliggende landen vaak moeilijk is, meer werk op zondag gedaan te krijgen, omdat men niet meer een deel van de vrije dag wenst prijs te geven, zelfs niet al wordt voor een beperkte werktijd dubbel tarief betaald. Dit werd bevestigd door een leidinggevende figuur uit het Philips-concern.

Hét komt ons voor, dat dit ongedacht aspect opent i.z. de zondagsarbeid. De arbeiders willen het dus zelf niet meer, omdat zij het vrije weekeinde wensen, zonder de last van zondagsarbeid. Deze tendens zal nog versterkt worden door de invoering van de vijfdaagse werkweek. Vermoedelijk zal het probleem dus straks veel minder liggen bij de zondagsarbeid, dan wel bij de recreatie op zaterdag en zondag. Helaas is de afkeer van de zondagsarbeid, die aan het licht treedt, niet principieel van karakter.

Uit theologisch oogpunt werd de vraag belicht door ds. E. de Vries, Geref. pred. te Amsterdam. Hij stelde zich op het standpunt, dat men de arbeid als zodanig, de rustdag en het al of niet werken daarop moet benaderen vanuit het Koninkrijk Gods. Daarin gaat het om de heerschappij van Jezus Christus en het welzijn van de mens.

Op de zondag gaat het om de gemeenschap in de samenkomst der gemeente Gods, waarin de bevrijding van de vloek der zonde gevierd wordt. Door de wet der vrijheid, waaronder de gemeente van Christus staat, moet gezegd worden, dat zondagsarbeid niet verboden is — een ieder zij in zijn eigen gemoed ten volle verzekerd — maar evenzeer, dat algemene zondagsarbeid beslist afgewezen moet worden.

Een belangrijk steunpunt voor deze gedadhtengang was de mening van ds. de Vries, dat het vierde gebod t.a.v. de zondag eigenlijk niet meer kan spreken. Christus heeft de Wet vervuld en de vloek der Wet weggenomen. Hij is een Heere, ook van de sabbath (Marc. 2 : 28). Tevens spreekt art. 25 N.G.B. van het afdoen der ceremoniële wet. Waarom maken wij daarmede geen ernst als het om de rustdag gaat?

Het is duidelijk, dat op dit standpunt weinig plaats meer overblijft voor het sabbathsgebod. Christus heeft dan bevrijd van de vloek der Wet en wij hebben te leven uit de wet der vrijheid. Veel meer dan vroeger zal het aan ieder persoonlijk moeten worden overgelaten hoe hij de zondag wil vieren, mits de dienst des Heeren niet in het gedrang komt. Op deze wijze staat men ook veel minder krampachtig tegenover de recreatie op zonidag.

Hoe aantrekkelijk deze belichting van de zaak ook is, in de discussie werd er tegenover gesteld, dat voor Israël de Wet toch niet uitsluitend als vloek gold en met name door de profeten meermalen op de vreugde van de sabbath is gewezen. En de catechismus heeft toch in zijn uitleg van het vierde gebod wel degelijk getracht aan deze zijde van de zaak recht te doen wedervaren in de nadruk op de beoefening der naastenliefde en het zich stellen onder de werking des Geestes, zodat wij hier op aarde de eeuwige sabbath in beginsel aanvangen.

Evenzeer komt bij deze beschouwingen aan de orde de vraag hoe wij de gemeente zien. Op gereformeerd standpunt wordt toch altijd de noodzaak verstaan van onderscheidende prediking. Kunnen wij dan ten aanzien van de zondagsheiliging een zo grote vrijheid wel verantwoorden?

Evenmin mag uit het oog verloren worden, dat onze traditionele vormen van zondagsheiliging in een praktijk van eeuwen gegroeid zijn. Wij moeten dus ook willen erkennen, dat daar veel „inzettingen van mensen" bij zijn, die niet voor alle tijden gelden. En juist in deze tijd, waarin alles wat op traditie berust sterk wordt omstreden en zijn beslag op de geesten verliest, zullen wij aan wijziging van het zondagspatroon niet ontkomen.

Dat behoeft niet louter verlies te zijn, integendeel, het kon de zaken eerlijker doen zien en dus ook weer zinvol maken, wat nu slechts als dode vorm vaak blijft bestaan. Maar er zal veel bezinning nodig zijn, om te gaan verstaan, wat wezenlijk en wat bijkomstig is.

En nu de reacties uit eigen kring. Wij ontvingen tien brieven. Gezien het grote aantal lezers van De Waarheidsvriend is dat niet veel te adhten, maar gelet op het feit, dat de vraag om reacties een proef was om tot een zekere uitwisseling van gedachten te komen met de lezerskring, achten wij het toch prettig, dat meerderen hun mening uitspraken. Wij hopen een en ander ook aan het C.N.V. door te geven.

De meningen waren overigens nogal verdeeld. De meerderheid was er zeer mee ingenomen, dat een zaak als deze aan de orde was gesteld, omdat zij ook persoonlijk in hun werk met deze kwesties te maken krijgen. En zij „zitten" er eigenlijk ook allen een beetje mee.

Interessant is verder, dat de situatie, waarin men zelf verkeert de briefschrijvers beïnvloedt bij het bepalen van hun standpunt. Hier geven stad en platteland een andere kijk op de zaak, maar eveneens blijkt van belang te zijn in welke werkkring men verkeert. Zo schreef een ouderling, zelf lid van het C.N.V., over de vele vragen, waarvoor hij in de praktijk gesteld wordt en waarvoor niet altijd een pasklaar antwoord te geven is door verwijzing naar het vierde gebod. Toch willen allen wel van dit gebod blijven uitgaan en wat onze catechismus ervan zegt zien als richtlijn. Als wij de samenkomst der gemeente onder het Woord blijven voorop stellen naar goed-gereformeerde traditie, worden vele vragen vermeden.

De gestelde vraag sub b (t.w. of wij apart staan als gevolg moeten aanvaarden) is bhjkbaar wat verwarrend geweest. Het feit werd deels met enige huivering erkend. Het verleden geeft daarvan ook niet veel voorbeelden die erg aanlokken. Hoe beducht wij ook zijn voor isolement, de veranderde tijdsomstandigheden zouden wel eens kunnen opdringen wat vdj niet begeren, als wij het wezenlijke niet willen verliezen.

Op de vraag i.z. de onvervangbaarheid van de plaatselijke gemeente (punt c.) was heel weinig reactie. Hier dringen zich dan ook vele theologische vragen aan ons op, vooral ook over de betekenis van de plaatselijke gemeente en de functie van de ambten daar binnen. Er is een feitelijke ontwikkeling gaande, die steeds meer mensen uit hun eigen gemeenten haalt juist op de zondag. In hoeverre andere vormen voor het kerkelijk samenzijn nodig zijn, en wat daarbij van de ons zo vertrouwde zaken als onmisbaar moet worden beschouwd is nog verre van duidelijk. Er liggen hier heel wat vragen, die voorheen niet aan de orde kwamen.

Het laatste punt was de vraag, of het rapport niet op twee gedachten hinkt t.a.v. de recreatie. Die indruk hadden meerderen met ons. En ook op de conferentie is dat niet duidelijker geworden. Wel verstonden de meeste brieven de moeilijkheden op dit gebied. Zonder tweeslachtig te worden, zullen wij verstaan, dat de behoefte hier voor stedelingen wel anders liggen dan voor bewoners van het platteland. Het is b.v. nu al vaak zo, dat bewoners van hoge flatgebouwen in eigen huis nauwelijks tot rust en bezinning kunnen komen door het gerucht van rondom. Dan zullen wij dus bepaald geen algemeen geldende regels meer kunnen stellen, hoe gewenst dat ons moge voorkomen.

Ons dunkt, dat op gereformeerd standpunt inderdaad strenge beperking geboden zal zijn, maar evenzeer zullen wij het gevaar van wetticisme moeten onderkennen. En in veel sterker mate dan vroeger zal de persoonlijke verantwoordelijkheid een beslissend woord gaan meespreken, omdat traditionele levensvormen worden uitgehold. En met betrachting van de beide tafels der Wet zal er toch ook in onze veranderende tijd een weg te vinden moeten zijn.

Hopelijk hebben deze artikelen iets mogen bijdragen tot de bezinning hieromtrent in onze kring.


I en II: zie nrs. van 26 mei en 2 juni.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 augustus 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

ZONDAG EN ZONDAGSARBEID

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 augustus 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's