De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

11 minuten leestijd

Nogmaals — en nu voor de laatste keer — willen wij, vanwege het belang van de zaak, aandacht schenken aan het referaat van prof. van Itterzon over: „1961 en de leertucht", waarvan het slot nu verschenen is in het „Hervormd Weekblad De Gereformeerde Kerk" van 18 augustus j.l.

De lezers zullen zich herinneren, dat prof. van Itterzon de vraag stelde: waarom is er in de kerkorde nog steeds niet een ordinantie voor het belijden gekomen? Immers, voor ongeveer alle onderwerpen, in de kerkorde vervat, is een ordinantie gegeven. Alleen voor het belijden nog niet. Hoe komt dat?

Prof. van Itterzon zoekt naar de oorzaken, waarom wij nog steeds niet aan de leertucht zijn toegekomen. Eén van die oorzaken ligt volgens hem in het feit, dat in het gesprek der richtingen de waarheidsvraag niet voldoende doorgesproken is. De zg. eenheid, die tot stand kwam, was niet een eenheid in de waarheid.

In verschillende gemeenten, die ik „gemengde gemeenten" zou willen noemen, hebben de richtingen van vroeger de strijdbijl begraven en zijn zij ertoe gekomen elkanders boodschap te erkennen. In die gemengde gemeenten lag het verschillend. Soms lagen de verhoudingen als rechts tegen links, soms ook was het de positie van rechts tegen rechts. Wanneer men nu werkelijk naar zijn diepste overtuiging de ander zo dicht genaderd was, dat men van harte kon erkennen: wij zijn broeders in Christus, wij staan op hetzelfde fundament, wij hebben elkaar in het belijden en in de belijdenis der kerk gevonden, was dit een verheugende zaak. Maar wanneer men over en weer uit een zekere moeheid en lusteloosheid de strijd maar opgaf en afsprak, dat men van weerskanten water in de wijn zou doen, werd het erger. Dan sprak men bijv. af, dat men in belangrijke diensten de apostolische geloofsbelijdenis niet meer zou lezen, omdat één groep in de gemeente diverse artikelen niet meer voor zijn rekening kon nemen. Zo kwam het, dat de gemeente dan het bekende: „geboren uit de maagd Maria, opgestaan uit de doden, opgevaren ten hemel, vergeving der zonden, wederopstanding des vleses" niet meer van de kansel beleed, omdat een van belde groepen het er niet mee eens was. Hoe de andere groep dit dan zonder een noemenswaardig protest kon nemen, is mij tot op heden steeds een raadsel gebleven, maar u wilt wel geloven, dat deze vorm van onderlinge verbroedering niet tot één plaats in Nederland beperkt is gebleven. Persoonlijk ben ik van mening (maar ik zou toch eindelijk wel eens willen weten, wat de kerk in haar geheel hier van dacht), dat we hier bezig zijn met de fundamenten der kerk. Zie, zulk een toenadering, hoe hartelijk ook bedoeld en hoe vurig ook begeerd, vind ik persoonlijk bedenkelijk. Dit is geen gezamenlijk toegroeien naar de belijdenis der vaderen. Dit is ook niet een zich bewegen op de weg van het belijden der kerk. Dit is een samen weg-raken van een kostbaar erfgoed, zonder dat over het prijsgeven van dit bijbels bezit in het brede verband der kerk ook maar één woord is gesproken. Intussen: als men op deze wijze aan het verbroederen slaat, is het geen wonder, dat de fundamenten der kerk niet meer op hun deugdelijkheid worden nagezien en dat vroeg of laat zich een vervlakking en verval kan openbaren, die een gemeente geestelijk ondermijnt. Dat men in zulk een sfeer niet aan leertucht denkt, spreekt vanzelf. De „rechte leer" heeft hier alle belang verloren, zowel bij rechts als bij links. In dat opzicht hebben wij elkaar niets te verwijten. Ongemerkt komen wij dan opnieuw in het vaarwater der oude verlichting, in de sfeer van God, deugd en onsterfelijkheid, van vrijheid, gelijkheid en broederschap. Van een samen worstelen en tot een rijker en dieper belijden te komen mag dan niet worden gesproken. 'Het geloof verschraalt, de belijdenis wordt die van de grootste-gemene-deler en misschien herinnert u zich nog van uw schooljaren, dat de grootste-gemene-deler dikwijls heel klein was. Een belijdenis, verdund, vermagerd, sterk versmald, omdat anders niet allen er onder konden worden gevangen. Neen, in zulk een atmosfeer raakt alle leertucht zoek en tevens alle gesprek over de rijkdom van evangelie en belijdenis. Men mocht de ander soms eens kwetsen.

Dit is een zeer juiste analyse van de gang van zaken in vele gemeenten, waar verbroedering tussen de richtingen is tot stand gekomen. De oorzaak hiervan is voor een groot deel gelegen in de naoorlogse modaliteitenvisie. Het benaderen van de waarheid kwam in de plaats van het prediken van de waarheid. Het nieuwe theologische denken is hieraan niet vreemd.

De referent stelt de vraag of het niet onbarmhartig is, als predikanten van hun ambt worden ontheven. Hij meent van niet.

Zo heel erg onbarmhartig kan ik dat niet vinden. Als in het zakenleven de meergenoemde handelsreiziger zijn eigen firma, waarvoor hij reist, ondergraaft, wordt hij op stel en sprong ontslagen. Dat vindt iedereen vanzelfsprekend. Maar wanneer in het kerkelijk leven een predikant de fundamenten van zijn eigen kerk aantast en hij zich niet laat gezeggen, klaagt menigeen steen en been over zulk een onbarmhartige kerk, die hem uit het ambt ontzet. Men vergeet dan, dat de kerk in de kerkorde nog financiële regelingen heeft gemaakt, waardoor een ondermijnende dominee toch nog geruime tijd zijn salaris blijft ontvangen. Waar wordt zulks in het zakenleven gevonden? En waar vindt men dat in menige andere kerk?

Bovendien klinkt het nogal eenzijdig, als men zegt, dat leertucht een onbarmhartige zaak is. Want dan denkt men toch uitsluitend aan de éne partij, die van de predikant en vergeet men, dat er ook nog een andere partij is, die van de gemeente en de kerk. Ik kan het niet anders zien, dan als een grove nalatigheid en een schreeuwende onbarmhartigheid tegenover de schapen der gemeente, als alleen met de dwalende, misleidende herder wordt gerekend en geen ogenblik met de dwalende, misleide kudde. Misschien dat wij in dit opzicht van de oude profeten nog wel iets konden leren.

Zal er in 1961 iets veranderen ten aanzien van de leertucht? De kans hiertoe is nagenoeg nihil.

Als de kerk in de laatste tien jaar nagenoeg alle leertucht verzuimde, omdat zij tegen het kerkelijk gesprek opzag; — als de kerk er geen interesse voor heeft, of de fundamenten der kerk worden ondergraven of niet; — als de kerk 11 trappen van leertucht te vermoeiend vindt en dus aan een 12e en 13e trap zeker niet toekomt; — als de provinciale kerkvergaderingen ook in en na 1961 op de door hen ingeslagen weg van zoete rust wensen voort te gaan, omdat het toch zo onaangenaam is om in moeilijkheden te geraken; als de kerk de rust begeert boven actieve bewogenheid ook op het punt van het belijden; — als het belijden der kerk van zo weinig gewicht moet worden geacht, dat er geen ordinantie voor het belijden nodig is; — als het hoogste ideaal is, dat wij onderling onze spanningen oplossen door belangrijke waarden uit onze belijdenis prijs te geven; — als het heil der gemeente en de volheid der prediking niet meebrengen, dat onze kerk juist in het belijden laat zien, dat zij in de oorlog uit een bange en benauwde droom hardhandig is wakker geschud; — verandert er ook in 1961 ten aanzien van de leertucht niets. Helemaal niets. Als wij zelfs aan de judiciële leertucht niet toekwamen, heeft straks de door velen gevreesde justitiële leertucht nog minder kans.

't Is hard nodig — zo stelt prof. van Itterzon —, dat de kerk wakker wordt en opwaakt uit haar zoete rust. Indien nodig — met het oog op de ere Gods en het heil der zielen —, dienen alle treden van de leertuchtladder te worden bewandeld, desnoods tot de laatste toe: de ontheffing uit het ambt.

Als wij naar een betrouwbare maatstaf zoeken waaraan ons getuigenis zal worden gemeten, zal deze niet mogen bestaan in een paar magere zinnen, waaruit wij alle bijbelse aanstoot en ergernis hebben weggenomen, en waarin wij, naar het heet, elkander hebben gevonden. Dan zal het hoogste doel niet zijn, dat wij in de kerkelijke spanningen elkander vinden, maar dat wij samen Jezus Christus vinden, de Heiland der wereld. De opbouw van de leertuchtartikelen is werkelijk niet van die aard, dat er van ketterjagerij en inquisitie mag worden gesproken. Zo ergens, dan mocht boven dit gedeelte der kerkorde wel met lichtende letters geschreven staan: Van het geduld en de lankmoedigheid der kerk jegens dwalende Herders. Of: Van het onvermoeide pogen om dolende leraars terug te brengen tot hun apostolische roeping en taak.

Hierna gaat prof. van Itterzon in op de kwestie-prof. Smits en de zaak-dr. H. v.d. Linde te Middelburg, die overging tot de R.K. Kerk.

Nogmaals betuigt de referent, dat volgens ord. 13-29-5 alleen het breed moderamen van de generale synode in de kwestie-prof. Smits handelend kan optreden door hem zijn bevoegdheden als van een emerituspredikant te ontnemen.

En vindt het breed moderamen der Generale Synode de verantwoordelijkheid om prof. Smits zijn bevoegdheden als van een emeritus predikant te ontnemen, al te zwaar, dan kan het toch het advies vragen van de Generale Synode of van de raad voor kerk en theologie? Wij leven toch niet meer onder het bewind van 1816, waar men zich op een wetsartikel blind staarde? De kerk heeft toch wel zoveel soepelheid, dat het mogelijk is, dat een breed moderamen een synode raadpleegt, ook al staat dat niet in de kerkorde met zoveel woorden uitgestippeld? Het wordt, zo mogen wij wel zeggen, de hoogste tijd, dat de kerk nu eens iets zegt, dat niet vernietigd wordt. Sinds de dag, waarop het besluit van de provincie Zuid- Holland op kerkordelijke gronden werd te niet gedaan en er ook bij de generale commissie voor het opzicht niets uit de bus kwam, wacht de kerk. Ze heeft het gevoel, dat wij de tijd om te spreken al lang voorbij hebben laten gaan en wil daarom dringend weten, hoe de zaken staan.

Ook prof. Smits zelf heeft daar recht op. Zijn provocerend optreden en spreken heeft toch eigenlijk maar één doel: dat de kerk klaar en onomwonden uitspreke of hij in de Hervormde Kerk een plaats heeft, ja dan neen. Hij vraagt, ja dwingt de kerk om een uitspraak.

Ten aanzien van dr. v. d. Linde merkt prof. van Itterzon op, dat hier de vraag in geding is, of romaniserende en katholiserende figuren in hun ambtelijke werkzaamheden de fundamenten der Ned. Herv. Kerk aantasten of niet. De Generale Synode nam indertijd een belangrijk besluit, toen zij de additionele wijdingen met even zovele woorden verwierp. Wij weten allen, dat met deze wijdingen de vragen van apostolische successie, priesterambt, altaar, sacramentstheologie, bisschoppelijke kerkinrichting en dergelijke ten nauwste verbonden zijn. De commissie voor de ambten, door de synode ingesteld, is blijkbaar met hoogst actuele zaken bezig en zal de kerk uit de mist moeten helpen, waarin wij nu al enige jaren varen. Persoonlijk ben ik van mening, dat onze belijdenis in dit opzicht een duidelijke taal spreekt. Er is geen enkel bezwaar tegen, dat men de inhoud der belijdenis op dit punt aan de Heilige Schrift toetst. In het oecumenisch gesprek moeten wij theologisch weten wat wij zeggen en belijden.

Het kan duidelijk zijn, dat in onze kerk, krachtens haar belijdenis, geen ruimte mag zijn voor een katholiserende modaliteit, ondanks het beweren, dat onze kerk daardoor dan meer een oecumenisch karakter zou krijgen. Prof. van Itterzon eindigt aldus:

1961 en de leertucht. Neen, wij zoeken de leertucht niet om te komen tot ketterjacht en inquisitie, tot banning en uitdrijving. Die doeleinden hebben onze voormannen nooit verdedigd. Wat zij wilden, was, dat de kerk, die aan de belijdenis en aan het belijden was ontzonken, haar belijdenis opnieuw zou gaan belijden, existentieel, dat is: met hoofd en hart en hand. Maar zij wilden en wij willen meer. De belijdenis moet opnieuw gloed en kleur krijgen en van het oude stof worden ontdaan. Maar de kerk moet vooruit. Zij moet ook nieuw willen belijden. Zoals onze vaderen op de synode van Dordrecht bij de Ned. Geloofsbelijdenis en de Heid. Catechismus niet bleven stilstaan, maar tot een gloednieuw geschrift kwamen, geboren uit de remonstrantse strijd, zo is het de taak van de kerk van heden, om door alle kerkelijke gesprekken in en om de leertucht heen, wikkend en wegend, in het licht van Gods Woord, voort te gaan met belijden. De geestelijke stromingen van nu stellen de kerk voor vele vragen, waarop een antwoord komen moet. Met dankbaarheid vermelden wij het vele, dat in deze jaren reeds is geschied. Maar het voornaamste komt nog en wij moeten vooruit. Dat alles is het werk van de gehele kerk, maar zij zal slechts zegen op die arbeid zien, als zij het oude gebed in het hart draagt: Kom, Schepper, Heilige Geest!

Bidden wij dagelijks dit gebed voor onze zo zieke kerk!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 augustus 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 augustus 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's