De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

IN GODS HANDEN

6 minuten leestijd

Vreselijk is het te vallen in de handen van de levende God. (Hebr. 10 : 31) Laat mij toch in de hand des Heeren vallen, want Zijn barmhartigheden zijn zeer vele. (1 Kron. 21: 13)

In de hier boven afgedrukte woorden wordt gesproken van de handen van God. Deze uitdrukking in de Bijbel getuigt, zoals zo vele andere, van de levendige, direct aansprekende wijze, waarop God de Heere zich aan ons openbaart. Hij spreekt tot ons op een menselijke, soms kinderlijke manier, opdat wij Hem maar goed zouden verstaan en zouden weten, wie Hij is en hoe Hij is. Zo is Hij de levende God, die zich in Zijn ontferming tot ons neerbuigt.

In onze taal wordt de uitdrukking „in iemands handen vallen" meestal in ongunstige zin gebruikt. Het is niet best, als je in de handen van een ander valt. Daar moet je voor oppassen, want dat betekent meestal niet veel goeds.

Is het zo ook met God, met het vallen in Zijn handen? Het woord in Hebr. 10 wijst in die richting. Maar dan moeten wij het toch goed verstaan. Want God de Heere is niet in de eerste plaats tegenover ons de wrekende God, zeer te vrezen in Zijn toorn. Hij heeft immers geen behagen in de dood en in de ondergang van ons zondaren. Dat betuigt Hij met grote klem. Dat zweert Hij met een eed.

Neen, Hij komt allereerst tot ons, in Zijn ontferming en barmhartigheid. Hij steekt ons de hand toe, ter verzoening. Dat heeft Hij reeds direct gedaan, aan het begin van ons leven, in het sacrament van de Doop. „Geef Mij de hand; laat het weer goed zijn tussen ons". Zo wonderlijk goed is Hij, tegenover ons. Zijn vijanden, die Hem met onze zonde gekrenkt hebben tot in het diepst van Zijn ziel.

Hij steekt ons de hand toe, ter verzoening. En zie, als wij letten op die hand Gods, dan zien wij: het is een doorboorde hand, het is de hand van de Heere Jezus, die aan het kruis vastgenageld is. Dat is de hand, die God ons reikt.

Zie, dan moeten wij eerst opmerken, willen wij het volle gewicht en de diepe ernst verstaan van het woord uit Hebr. 10. Het gaat in dat Schriftgedeelte over mensen, die de Zoon Gods vertreden hebben, die het bloed des verbonds onrein geacht en de Geest der genade smaadheid aangedaan hebben. Of anders gezegd: het gaat over mensen, aan wie de Heere Zijn hand ter verzoening reikt, maar die net doen alsof zij die hand niet zien of die zeggen: neen, niet nodig; doet U geen moeite!

Is dat niet een verschrikkelijk iets? Wat vindt u van het volgende? Iemand heeft een ander ten onrechte diep gegriefd. Die ander echter steekt hem als blijk van vergeving de hand toe, maar die uitgestoken hand wordt voorbij gezien en genegeerd. Doen wij zo niet tegenover God de Heere? Doen wij nog altijd zo?

Ja, als dit blijft doorgaan tot het bittere einde, dan kan het niet anders of het gaat volkomen mis. Dan zal toch eens de toorn Gods over ons ontbranden. Dan zal het inderdaad vreselijk zijn om te vallen in de handen van de levende God. Ontzettend om als een mens, die Zijn toegestoken hand geweigerd heeft, daar terecht te komen. Dat betekent de reddeloze verlorenheid, onder Zijn rechtvaardige toorn.

Maar wat dan? Want zulke mensen zijn wij toch eigenlijk. Waar zullen wij ons bergen? Is er dan geen ontkomen? Ja, zegt de Bijbel, ja, in de handen van diezelfde God. Dat weet David. Daarom bidt hij: „laat mij toch in de hand des Heeren vallen, want Zijn barmhartigheden zijn zeer vele".

Wonderlijk is dat eigenlijk! David heeft tegen God gezondigd. De straf is aangekondigd. En het is verdiend. David is erg bang. Wie zal hem redden? Waar zal mj zich bergen? Voor hem is er maar één werkelijke toevlucht; dat is God God, tegen wie hij gezondigd heeft. Hij werpt zich in Gods handen. Hij buigt zich onder het recht Gods. Hij aanvaardt de straf, want hij weet, dat God straft, gelijk een vader. Dat heeft hij zo dikwijls in zijn leven ondervonden. En daarom begeert hij niet anders, dan ook nu zich te mogen laten vallen in de hand des Heeren. Hij weet: dat is het beste, wat een mens doen kan, want Gods barmhartigheden zijn zeer vele. Gods barmhartigheid is onvoorstelbaar groot over ieder zondaar, die zijn zonde belijdt, die zich buigt voor Hem en smeekt om vergeving. Wie zo in Gods handen valt, komt niet om en gaat niet verloren, maar zal integendeel merken, dat Gods handen de handen van een Vader zijn, die Zijn neervallend, moegestreden kind opvangen en draagt in de armen van Zijn eeuwige barmhartigheid.

Het zijn dezelfde handen Gods, waar Hebr. 10 en waar David over spreken. En toch zo anders.

Voor de verharde zondaar, wiens hart ongebroken blijft, zijn ze een verschrikking. Het is vreselijk om in die handen terecht te komen. Niemand zal zich daaruit redden.

Maar voor David en voor ieder, die bidt om genade, zijn het dragende, beschermende, koesterende handen. Wat onze dood scheen te worden, bhjkt ons leven te zijn. De handen Gods blijken reddende, zegenende handen te zijn voor allen, die het leven niet in eigen hand ktmnen houden, die zich in Zijn handen laten vallen. Daarom vinden wdj in de Bijbel telkens weer het loflied op de goede handen van God, de Heere.

„Laat mij toch in de hand des Heeren vallen". Ja, dat is het beste, wat een mens kan vragen en doen. Willen wij het? Misschien vraag iemand: ja, maar mag het wel? De Heere zegt: „de ganse dag houd ik Mijn handen tot u uitgestrekt, tot u, al zijt ge ook van uzelf zo tegenstrevend en afwijzend". Mag het wel? „Zie hier ben Ik, kom tot Mij!"

Er zijn in deze wereld vele vriendelijke, helpende handen, zoals van een moeder, een man, een goede vriend. Ze willen wel helpen, maar het zijn menselijke handen. Ze zijn zo zwak. Ze zijn niet toereikend, als het gaat om de diepste nood en om de laatste dingen: verscheurend leed, de dood, de schuld, het oordeel Gods.

Gods handen alleen kunnen werkelijk helpen en redden. Het zijn de doorboorde handen van Christus, die reiken naar wie zich hopeloos verloren acht, naar wie niet verder leven kan. Zijn handen reiken lager dan waar de diepstgezonkene zich bevindt. Zijn handen beuren op, hoog boven de afgrond van het verderf en geven geborgenheid en rust aan Gods hart. Laat u dan in deze handen vallen. Daar wordt het angstige hart stil en getroost en het kinderlijk vertrouwen gewekt, dat zich gaat uiten in de woorden van het avondgebed:

„In Uwe handen beveel ik mijnen geest".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's