De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Gaan de kinderen gods, wanneer zij sterven naar de hemel?

Bekijk het origineel

Gaan de kinderen gods, wanneer zij sterven naar de hemel?

10 minuten leestijd

Het Dodenrijk

IV.

Alvorens tot onze slotconclusie over te gaan nog een enkele opmerking over het dodenrijk. Het geloof aan een voortbestaan na dit aardse leven is algemeen onder de volkeren. Er zijn wel wijsgeren, die dit trachten te verklaren als een reactie op de onaangename ervaring van de dood. Men zou de gedachte aan onsterfelijkheid of een voortbestaan aangegrepen hebben bij wijze van een vertroosting, althans van een tegemoetkoming aan de wens om te blijven leven.

Wij geloven niets daarvan en menen dichter bij de waarheid te zijn, als we het geloof in een voortbestaan na dit leven zien als een herinnering aan de eeuwige bestemming van de mens. Daarin is ook iets van een verzet tegen de dood. Deze heeft iets dat tegen het wezen van de mens ingaat.

En inderdaad de dood is een mysterie. Daarom laat de dood zich ook niet verklaren als een „gewoon natuurlijk" verschijnsel, hoe gaarne velen dat zouden willen. Slijtage zeggen ze, maar de mens is geen machine. Een machine lijdt aan slijtage en geeft het tenslotte op. Dat kan niet anders, want een machine is een dood ding.

Wil men echter bij een schepping Gods als de mens en zijn corporeel organisme van slijtage spreken, dan is dat zeer eenzijdig, want het mag dan zo zijn, dat het lichaam al functionerende en al werkende slijt, het leeft en het groeit, zo­ dat aan de ène kant weer nieuw wordt gebouwd, wat aan de andere kant zogenaamd verslijt. Niemand kan natuurlijke factoren aanwijzen, waarom dit proces niet in perpetuo zou kunnen doorgaan, om de eenvoudige reden, dat het leven als zodanig zich onttrekt aan onze wetenschap. De scheppende en onderhoudende werkzaamheid Gods is transcendent, ligt aan de andere kant van de verschijnselen en valt buiten ons bereik. Uit dien hoofde is de dood een evengroot mysterie als het leven. Geboorte en sterven dragen iets van dit mysterie mee.

Uit het geloof aan een voortbestaan na dit leven volgt als van zelf zorg voor de doden, ook dodenverering zoals die voorkomt, en vele gebruiken en riten worden daardoor bepaald, die bovendien een godsdienstig karakter dragen. Verder maakt men zich voorstellingen omtrent de omstandigheden, waarin de mensen, die gestorven zijn, verkeren.

Men kan zich indenken, dat aan een verzamelplaats der gestorvenen, aan een dodenrijk wordt gedacht. Reeds hebben we opgemerkt, dat ook in Israël van een sjeool wordt gesproken. In het Oude Testament komt het woord sjeool 65 maal voor.

Daarmede staan we derhalve op de bodem der openbaring! In verband met ons geloof in het voortbestaan der zielen, als ze uit het lichaam zijn uitgegaan, is het dus van bijzonder belang te vernemen, wat de Heilige Schrift over de sjeool of het dodenrijk zegt. Hoewel we geen uitvoerige behandeling aan deze zaak zullen wijden, kunnen we daaraan niet zonder meer voorbijgaan.

Over de afleiding en eigenlijke betekenis van het woord sjeool kunnen we gevoegelijk zwijgen, omdat daaromtrent geen zekerheid onder de geleerden is. De vertaling dodenrijk wordt verdedigd, omdat het in de Hebreeuwse structuur, die we parallelie noemen, afwisselt met woorden van de volgende betekenissen: graf, groeve, kuil, verderf, (plaats van) vertering, dood. Deze betekenissen zitten er dus aUe in, m.a.w. doodsmacht, doodsstaat, doodssfeer, doodsgebied. (Vgl. in voce Dodenrijk. Chr. Enc. tweede druk). Tegen deze saamvatting: doodsmacht, doodsstaat enz. hebben we geen bezwaar, doch het zweemt wel erg naar het abstracte.

Als de zielen, gelijk wij geloven, in het sterven uit het lichaam uitgaan, en alsdan een voortbestaan hebben, dan moet de sjeool toch een meer concrete betekenis hebben in de zin, zoals we bij Job o.a. tegenkwamen: huis der samenkomst, vergaderplaats, waar de zielen der afgestorvenen verblijven.

Daarbij denken we noch aan een „schimmig" bestaan, noch aan een leven, dat lijkt op het leven op aarde, want we zijn van oordeel, dat het voortbestaan der zielen (in het algemeen, we spreken niet over de wedergeborenen) geen leven mag genoemd worden. Daarom hebben we telkens gesproken van instandhouden, bewaren en denken daarbij aan het bewaren van een status quo der ziel, d.w.z. ze blijft in een toestand, zoals ze bij het sterven is.

Wij spraken ook van eenzaamheid. De ziel mist het lichamelijke organisme, waardoor ze contact had met de wereld om haar heen. Zulk een contact heeft ze zeker niet, als ze is uitgegaan uit het lichaam en heel het kenproces is stilgezet, omdat het apparaat ontbreekt. Er blijft voor haar niet over dan de eenzaamheid van het zelf en geen andere bezigheid dan met wat in het zelf is. Het bewustzijn kan moeilijk wat anders zijn dan een soort droombewustzijn.

De school van Abraham en de hel.

Zoals reeds eerder werd opgemerkt, is er verschil tussen de dood van rechtvaardigen en die van goddelozen (Daniël 12 : 2; Num. 23 : 10). Dat neemt echter niet weg, dat beiden in het dodenrijk terecht komen. Dat is althans onder het Oude Verbond zo. Dit is ook duidelijk in de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus (Luc. 16 : 22 vv).

In tegenstelling met ds. T. zijn wij van mening, dat deze gelijkenis ons wel degelijk ook ten aanzien van het dodenrijk een en ander openbaart. Daarin wordt ons, om dit maar eerst vast te stellen, een vergaderplaats der gestorvenen voorgesteld. Deze wordt onderscheiden en verdeeld in de „schoot van Abraham" en de „hel". (Zijnde in de pijn! Vers 23).

Wat dit laatste betreft, wijzen we nog even op onze onderstelling aangaande de zielen der goddelozen van het alleen maar bezig kuimen zijn met zich zelf en wat in het zelf is. Als er wordt gesproken van pi/n en smarten (vs. 25) denken we aan wroeging.

In de derde plaats geeft de gelijkenis te kennen, dat er in het dodenrijk een zeker onderling contact mogelijk is, en in de vierde plaats, dat er anderzijds een onoverbrugbare scheiding is tussen „de schoot van Abraham" en de plaats, die hel wordt genoemd.

Hoe dat onderling contact plaats vindt, valt buiten ons oordeel. Omdat er geen mond is om te spreken, is dit alleen mogelijk op een psychische wijze, d.w.z. zonder corporeel apparaat.

Over het voortbestaan van degenen, die in „de schoot van Abraham" worden vergaderd, moet uit de aard der zaak anders gedacht worden dan over de zielen der goddelozen. Moesten we van deze laatsten onderstellen, dat ze niet leven, maar slechts in de staat, waarin zij gestorven zijn, worden bewaard, dat kan van Abraham, de vader der gelovigen, en van allen, die in „zijn schoot" zijn, niet gelden. De heiligen van het oude verbond kenden onderscheid tussen leven en dood in geestelijke zin. Zij waren zich wel bewust van het werk des Heiligen Geestes, zoals menige profetie en psalm getuigt. Zij wisten, dat de Heere verlost van de dood en, dat de poorten der hel de Zijnen niet zullen overweldigen.

De zielen, aan wie deze zegeningen te beurt vielen, leefden tn het geloof en zijn in het geloof gestorven. In die zielen heeft het Woord Gods wortel geschoten. Zij delen in een onvergankelijk geestelijk leven. Ook als deze zielen in de staat, waarin zij sterven bewaard worden, dan leven ze. Ze zijn niet op zich zelf aangewezen om alleen in de eenzaamheid van het zelf met wat er in is, bezig te zijn, maar zij hebben — hetzij in geringere, hetzij in ruimere mate, hetzij nog maar kort in de leerschool van de Heilige Geest, hetzij reeds verder gevorderd, — zij hebben gemeenschap met de God van leven en dood. Daarin spreekt het gemis van het corporeel organisme niet — althans niet in die mate, — omdat de gemeenschap met God niet aan het lichamelijk bestel is gebonden, maar geestelijk van aard en mitsdien direct. Krachtens het geestelijke léven, dat zij deelachtig zijn, verkeren zij niet in een droomtoestand, maar zijn zich helder bewust van de geestelijke gaven, die zij mochten ontvangen en van de levende hope op de dag van Christus' toekomst, naar welke zij verlangend en met blijdschap uitzien.

Of na Christus' opstanding degenen, die in Hem geloven, in de „schoot van Abraham" worden vergaderd evenals de vromen van de oude dag, zodat zij met de goddelozen in een dodenrijk waren saamgebracht, schijnt ons niet zo van zelf sprekend. Verschillende plaatsen in het Nieuwe Testament wijzen in een andere richting.

„Heden zult gij, met Mij in het paradijs zijn" (Luc. 23 : 43) wijst mogelijk op een plaats, waar Hij met de Zijnen verblijft. Dit kan echter ook een uitdnukking zijn, die overeenkomt met wat elders de schoot van Abraham wordt genoemd, omdat de Christus nog niet in Zijn heerlijkheid was ingegaan. Dit komt ons daarom ook waarschijnlijker voor.

Paulus spreekt in 1 Cor. 5 : 8 van zijn behagen om uit het lichaam uit te wonen en bij de Heere in te wonen. Dat is derhalve een verwachting, die aansluit op Christus' woord: „Ik ga heen om u plaats te bereiden". „In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen". Paulus verwacht bij Christus zijn thuis te vinden. In Phil. 1: 23 bevestigt hij diezelfde verwachting als hij het zo uitdrukt: „Ontbonden te worden en met Christus te zijn". Met ontbonden bedoelt hij ook weer: uit het lichaam te zijn.

De Openbaringen spreken van zielen onder het altaar (Openb. 6 : 9), een grote schare staande voor de troon en voor het Lam (Openb. 7:9). In Openb. 14:3: „En zij zongen een nieuw gezang voor de troon".

Conclusie.

Al deze dingen overwegende geloven we, dat het waarlijk niet met de Heilige Schrift in strijd is te geloven, dat de kinderen Gods, als ze sterven naar de hemel gaan. Integendeel, dit geloof heeft met hemelspeculaties niets te maken. Zo waarlijk Christus is opgevaren en gezeten ter rechterhand Gods, zo waarlijk zullen ook zij, die door de kracht van Zijn opstanding werden gewekt tot de nieuwigheid des levens in de dood van Hem niet gescheiden worden. Want Hij heeft gezegd: Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij Mijn heerlijkheid aanschouwen. (1 Joh. 17 : 24.) Het ontbreekt Hem niet aan de macht, want Hem is gegeven alle macht in de hemel en op de aarde. (Matth. 28 : 18).

De Schriftgelovigen behoeven zich niet over te geven aan fantasieën en valse hemelvoorstellingen. Als ze zich door de tucht des Woords laten leiden, zullen ze dat ook niet doen. Was Paulus niet opgetrokken tot in de derde hemel? Hem werd daarin een blik gegund. Wat zegt hij echter? Onuitsprekelijke dingen! Het is daar een andere orde van zijn en daarom kunnen we de dingen, die daar zijn, niet omschrijven. Wat de Heilige Schrift daaromtrent mededeelt is uit de aard der zaak symbolisch, b.v. „de zielen onder het altaar". In de hemel staat niet een altaar zoals in de aardse tempel, maar op het altaar worden de offers gebracht. Het altaar ziet op de offervaardigheid, en de hier bedoelde zielen hebben hun leven geofferd voor de zaak des Heeren. Maar zij zijn daar en die levende offerande is bij de Heere in gedachtenis, want ze wordt afzonderlijk genoemd.

Zo ook is de troon Gods in de hemel symbool voor de openbaring van Gods Majesteit en heerlijkheid. Die Majesteit verschijnt daar en de zielen zijn daar en zien het. Zij staan daar in die hemelse werkelijkheid in heilige aanbidding. (Openb. 7: 9; vgl. ook Jes. 6). En zij kunnen daar staan en tegenwoordig zijn in de glans van de heerlijkheid Gods, omdat ze genade gevonden hebben in Christus en het Woord, dat is de Christus, gestalte in hen heeft verkregen.

De Vader heeft Zijn heilig kind Jezus tot Zich genomen en voor Zijn troon vergadert Hij allen, die van Christus zijn. (Openb. 7 : 9 w.).

Daar verheugen zij zich op de vernieuwing der dingen en zien de dag des Heereri met blijdschap tegemoet.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 september 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Gaan de kinderen gods, wanneer zij sterven naar de hemel?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 september 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's