RAAD UIT SCHOTLAND
Reeds eerder schreven wij in het Gereformeerd Weekblad over het leven van de Free Presbyterians in Schotland, over dat volk en over zijn predikanten. Ook dit jaar had ik het voorrecht enkele weken onder hen te vertoeven, 'k Ontmoette op mijn tochten door de Hooglanden zo'n tiental predikanten, die dingen zeiden, die ik de moeite waard achtte, om thuis door te geven.
Vooreerst al de ontmoeting met deze Godvruchtige dominé's was mij een verademing. Je wilt graag de predikanten van eigen kerk en zeker die van eigen kringen hoog houden, maar het kost je vaak wel heel veel moeite. Dr. Kuyper schijnt eens gezegd te hebben : „Holland ist nicht nur klein, sondern kleinlich". Dat zal van elke predikantenkring in onze kerk wel gezegd moeten worden, min of meer, maar dit oordeel treft toch ook wel onze Hervormd Gereformeerde predikantenkring, de goeden niet te na gesproken, 'k Heb in mijn studententijd Prof. Dr. H. Visscher al op de predikanten horen hakken, vanwege hun kleinheid van karakter, botheid van verstand en ongeestelijke geaardheid. Visscher zag dat met scherp oog en kon dat striemen met scherpe woorden, 'k Moet vaak aan de woorden van deze twee grote mannen denken, en word telkens weer getroffen door de grootheid van deze eenvoudige en voorname Schotten. Zij bezitten een gaafheid van karakter, een Reformatorisch inzicht en een Godvruchtigheid, die voor verscheidene van onze Hervormd Gereformeerde dominé's ook niet onsierlijk zouden zijn.
Maar nu dan de opmerkingen, die mij te denken gaven. In de kleine gemeente Stratherrick, gelegen in een mooi dal, zeide de oude Ds. D. J. Matheson : „Wij mogen de uitverkiezing niet plaatsen tussen Christus en een zondaar". Deze oude, vriendelijke predikant, die juist de grote stadsgemeente van Glasgow verlaten had, omdat hij die grote gemeente niet meer aankon, had zeker niet zijn boekerij en zijn verstand in de stad achtergelaten. Op puntige wijze wist hij vele dingen te zeggen. Onder andere dan dit, wat ik juist aanhaalde. Hij geloofde van harte in de vrijmacht van God, Die een volk tot Zijn eigendom verkozen heeft, maar hij zag ook helder in, dat dit geloofsstuk alleen waarde heeft, als het op zijn plaats gepredikt wordt, en dat er ook plaatsen zijn waar het niet verkondigd moet worden. Als de prediking handelt over Christus en een zondaar, als de prediking werkzaam is, om een zondaar voor Christus te winnen, als zij werkzaam is om Christus aan te bieden aan die zondaar, en als zij bezig is om de geloofsband aan die beiden te leggen, dan is het niet de tijd om van de verkiezing te handelen. Elke goede dogmatiek zal de verkiezing dan ook niet plaatsen tussen de roeping en de wedergeboorte, of tussen de roeping en de rechtvaardigmaking, of tussen de roeping en het geloof. De Nederlandse Geloofsbelijdenis plaatst de verkiezing, als zij theologisch over de leerstukken handelt, in artikel 16, nadat zij beleden heeft de drieënige God en de drie personen, de schepping en de val. En dan na artikel 16 de wederoprichting van de gevallen mens, het werk van Christus en de rechtvaardigmaking door het geloof. En als de Heidelbergse Catechismus, die in de christelijke rehgie onderricht, dus meer practisch spreekt, over de verkiezing spreekt, dan doet hij dat in de vraag over de Kerk en niet in Zondag 7, die over het geloof handelt, noch in Zondag 23, die over de rechtvaardigmaking handelt.
De Reformatorische leer is dus zeer voorzichtig in het plaatsen van de stukken en zet ze waar zij horen. Zij zet ze niet waar ze niet horen en laat de leerstukken niet in elkander overvloeien. In de prediking krijgen de dingen kracht, als zij daar behandeld worden, waar zij staan. Maar daar willen zij dan ook behandeld zijn. Wij geven veel te weinig leerstellige verhandehng van de stukken. En omdat de dingen toch ergens geplaatst moeten worden, plaatsen wij ze ook maar ergens, raak of mis. Tussen Christus en een zondaar mag niets staan. Daar is alleen de verkondiging des heils, het vrije aanbod der genade, en de belofte, zo zeggen die Schotten, is voor allen, die Hem met een waar geloof aannemen.
De tweede rake opmerking, die ik daar hoorde, was deze: „Velen kennen aan het sacrament van de Doop en aan dat van het Avondmaal regenererende kracht toe". Het leven van de verschillende kerken in Schotland loopt in veel opzichten parallel aan dat in de kerken van Holland. Zij klaagden over deze overschatting van het sacrament. Nu is het, dacht ik, goed, als wij in onze kringen dat goed bedachten, dat onze kerk leert, dat het geloof komt van de Heilige Geest, die het geloof in onze harten werkt door de verkondiging van het heilig Evangelie. Meer niet!
Dat is het enige wat het geloof werkt. En dan leert de kerk verder, dat het geloof gesterkt wordt door het gebruik van de sacramenten. Wel heeft de verkondiging van het Evangelie ook sterkende kracht voor het geloof, maar het gebruik van de sacramenten sterkt alleen maar. En meer niet! Ik meen, dat het gevaar niet denkbeeldig is, dat de drang van het sacramentalisme in onze kerk enerzijds en het gebrek aan Reformatorische verbondsopvatting in eigen kring anderzijds, gemakkelijk kan doen doorvloeien. Dan gaat men de belofte van het verbond houden voor de beloofde zaak zelf en dan wordt de noodzakelijkheid van de wedergeboorte, de eis der bekering, de roeping tot het geloof niet meer gevoeld. Het is zeker waar, dat de leer van het genadeverbond als goed Reformatorisch stuk in onze kerk om haar rechten komt, en het is ook zeker waar, dat men in onze kringen het zicht op dit Reformatorisch leerstuk goeddeels kwijt geweest is, maar wij mogen de grenzen niet overschrijden. Laat ons ons eenvoudig houden aan wat onze formulieren, aan wat Calvijn, Voetius en á Marck ons dienaangaande geleerd hebben. De noodzakelijkheid van de wedergeboorte en de eis der bekering, ze behoren tot de orde van het verbond. En zij moeten ook wel terdege gepreekt worden. Men krijgt wel eens de indruk, dat een overaccentuering van voorheen, die zelfs deed spreken van een wedergeboortetheologie, dit leerstuk nu geheel doet verzwijgen, dat zeker niet mag. De wedergeboorte ligt niet in het voorwerpelijke heil van Christus' geboorte en opstanding, al heeft zij daarin haar wortels. En de wedergeboorte ligt ook niet in de beloften van het verbond, zodat ons nu alleen maar rest deze belofte aan te nemen. Deze aanneming moet geschieden met een gelovig hart, en dat gelovige hart bekomt men alleen door de wederbarende kracht van de Heilige Geest. Parallel aan de noodzakelijkheid van de wedergeboorte loopt de eis der bekering. En die moet even krachtig gepredikt worden naar de orde van Gods verbond, juist aan de kinderen des verbonds.
Boven dit alles welft zich Gods verbondsbelofte, in dit alles stuwt de belofte van het genadeverbond op Evangelische wijze. Om het met die Schotten te zeggen : „Het Evangelie van Christus gaat tot elke zondaar, maar de beloften worden vervuld aan hen, die Hem met een waar geloof aannemen". En wij denken aan de tekst uit Johannes 1: „Hij is tot het Zijne gekomen, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen, maar zovelen als Hem aangenomen hebben, die heeft Hij macht gegeven om kinderen Gods genaamd te worden, namehjk die in Zijn naam geloven". Zo staat tussen Christus en een zondaar niets, dan de aanbieding des heils.
Ik denk nog aan een machtige preek van Ds. Maclean te Glasgow, over de tekst: „Die zal de wereld overtuigen van zonde, gerechtigheid en oordeel, van zonde, omdat zij in Mij niet geloofd hebben, van gerechtigheid, want Ik vaar op naar Mijn Vader, en van oordeel, want de overste dezer wereld is alrede geoordeeld".
Een tekst en een preek in deze lijn. Tussen Christus en een zondaar, die verloren gaat, staat niets dan het ongeloof, zoals tussen Christus en een zondaar die behouden wordt, niets staat dan het geloof, dat de Heilige Geest werkt door het Evangelie. En niet door de sacramenten, want die sterken alleen.
Het voert mij te ver om Ds. Maclean's preek in extenso te vertellen, hoe graag ik dat wilde doen. Nog iets anders, wat wij van deze Schotten ter harte moesten nemen. En wel bijzonder onze kerk in haar geheel. Men vertelde mij, dat de Free Church druk deed aan kansehuil met de predikanten van de Staatskerk, dat dé Staatskerk ernstig drong naar het aanstellen van bisschoppen. Wel was bij de eerste poging om bisschoppen te krijgen de zaak afgestemd, maar de voorstanders zouden niet rusten voordat deze zaak er door was. (Zoals men bij ons gedaan heeft met de toelating van de vrouw in het ambt, wat tot nu toe nog nergens een succes geweest is). Een jonge Schotse dame zeide tot mij: „De toename van liturgie moet de afname van prediking vergoeden. Mij voldoet dit allerminst en de bevolking bhjkbaar ook niet, want de kerken zijn leeg".
Toen ik op een zondag door Glasgow naar de kerk wandelde, passeerden wij vier mooie kerkgebouwen, die gesloten waren. Ik vroeg aan de heer Mac Rae, bij wie ik logeerde: „Wat zijn dit voor kerken ? " Het antwoord was: „Staatskerken, deze hier is een pakhuis van biervaten. Dit is het, als de kerk het Evangelie verlaat". Op deze ene lange weg vier kerken gesloten, en zulke mooie gebouwen. Wonen hier dan geen mensen genoeg meer ? De heer Mac Rae wees mij op de vele straten en woonhuizen. Mensen genoeg, maar dit is het, als men het Evangelie verlaat.
Men volgt in ons land de buitenlandse kerken na, de Anglicaanse kerk en de Lutherse kerk in Duitsland. Weer moet ik denken aan wat Prof. Visscher in de dertiger jaren op college zei: „Men moet nodig de Anglicaanse kerk navolgen, een kerk, die leeg staat en die de greep op het volk kwijt is". Die man kon scherp kijken en hij kon het scherp zeggen. Ik weet het, men kan naar de bisschop vragen, want het beroepingswerk zit vast. Vele predikanten krijgen zo nooit meer eens een beroep. En wij hebben alvast een beroepingscommissie, die voordrachten doet, nog niet bindend. En wij hebben ruil-mogelijkheden. Maar het beroepingswerk zit vast, omdat het preken vastzit in een zékere verschraling. En het preken kon ook nog wel wat vaster komen te zitten in een liturgisch formalisme. Ook bij ons merk je een niet op kunnen tegen dit liturgische opdringen, een zekere neiging om op „verantwoorde wijze" mee te gaan waar dit mogelijk is. Je kunt toch niet altijd en in alles neen zeggen. En wij gaan daarheen, wat de Anglicaanse kerk overvloedig te aanschouwen geeft, wat de Schotse Staatskerk op weg is te gaan doen of alreeds doet.
Pastorale zwakheid der predikanten roept om bisschoppelijke macht. Aan kleurrijke priestergewaden went men heel spoedig. En een rijkdom van kerkelijke handelingen kan toch de rijkdom van de Evangelieverkondiging niet vergoeden. Onze kerk gaat daarheen, naar ik vrees. En de Schotten weten het, met het voorbeeld van de Engelse en Schotse Staatskerk voor ogen: „Dit is het, als de kerk het Evangelie verlaat".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 september 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 september 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's