De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KRONIEK

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KRONIEK

10 minuten leestijd

Van de nood des tijds — De nood in eigen land — Onder „regel" en „juk" — Van Amsterdams hervormd kerkelijk leven — In „een bezeten wereld".

Het ziet er in de wereld van vandaag niet rooskleurig uit. In Europa is een worsteling om eenheid; besprekingen en conferenties zijn er vele, doch het resultaat is pover. In Azië en Afrika is de gisting en spanning groot. Met name in de Kongo dreigt de chaos. Kasavoeboe en Loemoemba hebben elkander afgezet en bHjven nochtans op hun post totdat de instantie, die de macht heeft, zal beslissen, wie hunner zal regeren. Moskou zendt levensmiddelen, maar er is ook melding gemaakt van soldaten en bewapening, in de vliegtuigen meegezonden. Of het juist is? Het zou doen denken aan het turfschip van Breda.

Is er bij de volken besef van de nood, waarin de wereld verkeert? Ach, het is nog immer als in het oude en wegzinkende Rome: „panem et circenses", het volk wil brood en spelen. De Olympiade, herleving van een feest, — oudtijds om de 4 jaren in Griekenland ter ere van de goden met wedkamp op velerlei gebied gespeeld — houdt, vele geesten bezig en de kranten — helaas doet ook de chr. pers, voorzover ik die ken, er aan mee — geven in vele kolommen de verslagen van dit festijn in Rome. Dit in oorsprong heidens feest — in 440 na Chr. werden onder invloed van het doorbrekend christendom de spelen afgeschaft — heeft wel bij zijn aanvang in zijn leiders, op audiëntie bij de Paus, de pauselijke zegen ontvangen, doch de christelijkheid is er verre en eveneens de echte sport.

Hoe staat het in ons eigen land? Ook hier spanning en gisting. Over de betrekkingen met Indonesië, de verbroken betrekkingen wel te verstaan, het beleid betreffende Nieuw-Guinea, en de uitlatingen van de minister-president volgens buitenlandse persorganen over verandering in dat beleid, en wat verder op staatkundig — men denke aan de reacties van de Eerste Kamer inzake de „toto" en de dreigementen van minister Beerman — en sociaal terrein, waar het ook nog geen pais en vree is, roert.

Bij dit alles komt nog de dreigende ramp van een ten dele of bijkans geheel mislukte graanoogst. God kan nog een keer ten goede geven. Er is in vele kerken gedurig om gebeden. Maar leeft de gemeente mede? In de Noord-Oost-Polder werd in een geref. kerk een bidstond gehouden en na afloop konden vrijwilligers zich opgeven om als het weer keerde, te helpen bij het redden van de oogst. Daar bleek meeleven uit.

Maar overigens? In de kranten en „het nieuws" hebben berichten over wat dreigt in de agrarische sector niet ontbroken, doch ze meldden dan voorts weer van de voortgaande jacht naar genot en vertier, shows, feesten met de daarbij behorende(? ) „Koninginnen", etc. Het duidt op verlies van geestelijke waarden en uitholling van het leven. „Strandvonder" schreef in „Hervormd Weekblad", d.d. 3-9-'60 over deze en dergehjke verschijnselen, als volgt:

„Nooit" gevoelen zij zich „opgeroepen" en dit, terwijl de Stem van Gods Wijsheid zo duidelijk te horen valt.

Rusteloosheid, altijd oplaaiend verlangen, pijnlijke smart, — dat zijn de fatale, kwade werkelijkheden, die zij kennen, — maar ze blijven blind voor Hem, die de kracht geeft, om deze kwaden recht en positief te verwerken. Hoevele gezonden zijn in wezen ziek, want wie prikkels nodig heeft, om tot een degehjk gesprek of tot een daad van gemeenschapsbetoon te komen, is ziek".

Ik heb er niets aan toe te voegen; het spreekt voor zichzelf.

Als september in het land is, komt het normale leven weer op gang. De scholen beginnen. Tot blijdschap vooral van de huismoeders, die het in augustus met zijn vele regens vaak moeilijk hadden met haar kroost. Tot blijdschap ook van de kinderen? Misschien meer dan ze zelf uiten. De regel, het op tijd moeten aanwezig zijn en het geregelde werken, geeft vaak meer rust en vreugde aan kind en gezin als geheel, dan men denkt. Onder het juk, en vooral indien er iets in mag zijn van „het zachte juk" van de Heere Jezus, geeft rust aan het hart. Als daarnaar in onze gezinnen geleefd wordt, maar ook in onze scholen, — wat dragen wij over en weer elkander weinig daartoe op aan de troon der genade — zal de kracht van Gods heilig Woord zich doen gelden. „God is een man van Zijn Woord" (Kohlbrugge).

September is ook de maand, dat de catechisaties weer aanvangen. Tenminste in de steden en grotere plaatsen, waar de bevolking niet of ten dele agrarisch is.

Werkt in de catechisaties ook de milde werking van de „regel"?

In dit opzicht zijn we helaas wel zeer achteruit gegaan. Op de morgen van 31 augustus j.l., ter gelegenheid van de herdenking van de 80e verjaardag van H.K.H. Prinses Wilhelmina — Valerius' „Gedankt moet zijn den Heer", als toepassing op de toespraak van onze Koningin, was op zijn plaats! —, hoorde ik met bijzondere belangstelling de zo vertrouwde stem van ons ere-lid, Zijne Excellentie luitenant-generaal Duymaer van Twist. Het was onverwacht en verrassend. Hem werd gevraagd, wat hij zich nog van de geboorte van Prinses Wilhelmina herinnerde. Hij vertelde o.m., dat hij met anderen naar de catechisatie was gegaan van ds. Gerth. van Wijk, toen hij het nieuws hoorde, en die avond vrijaf kreeg. Daaruit bleek dus, dat de catechisatie reeds in augustus begonnen was of begon. Ja, we zijn, bij toen vergeleken, heel wat achteruit gegaan.

Maar, als nu nog maar, bij latere aanvangstijd, trouw bij catechisanten en catecheten aan de dag wordt gelegd.

Maandagmorgen 5 sept. jl. was voor de microfoon der N.C.R.V. (aetherleergang) het godsdienstonderwijs op de middelbare scholen onderwerp van bespreking.

Daarbij werd de nadruk gelegd op serieuze voorbereiding voor iedere les om de aandacht der leerlingen te winnen en te houden; en tevens, hoe vruchtbaar ze is ook voor de leraar zelf. Datzelfde geldt ook voor de catechisatie. Vooral nu de jeugd er niet makkelijker op wordt.

Het Amsterdamse hervormd kerkelijk leven van voorheen en nu was in de krant. Zulks naar aanleiding van de sociologische studie van dr. W. H. Vermooten: „Hervormd Amsterdam en zijn maatschappelijke achtergrond in de 19e en 20e eeuw", die H. A. V. bespreekt in „Hervormd Nederland", d.d. 30-8-'60. Het opschrift van het artikel luidt: „Van hoge hoed tot alpinopetje, van bontjas tot bromfiets". Er worden onder deze titel allerlei zaken naar voren gebracht, die de kerkeraad en de predikanten in de 19e en 20e eeuw verkeerd hebben gedaan. Richtingsstrijd, gebrek aan sociale bewogenheid en nog meerdere euvelen passeren de revue. Natuurlijk zal wel niemand willen beweren, dat de vorige generaties het alles zo uitnemend hebben gedaan. Maar één ding moet ik toch onderstrepen: — de schrijver vermeldt het ook — die dominees hadden de kerk vol. Als ik — naar wat het artikel zegt — „toen en nu  met elkaar vergelijk, valt er ook over „nu" niet te roemen. Maar H. A. V. ziet in de grauwheid van de huidige situatie van kerkelijk Amsterdam toch een licht dagen. Ik lees o.m.:

„Wie had kunnen dromen, dat alleen de kerkgebouwen nog heriimeren aan de kerk van vroeger, wie had zich veertig jaar geleden kunnen voorstellen, dat er in 1960 geen richtingsstrijd meer zou bestaan, dat de Vrijzinnigen in de gemeente geaccepteerd waren, dat cultuur en kerk volstrekt niet meer vijandig tegenover elkaar stonden, dat de wijkgemeenten gezond zouden functioneren, dat men reeds doorgestoten is in de richting van de mentale parochie (waarbij niet de geografische ligging, maar de mentaliteit der gemeenteleden de mensen samenbindt), dat er eendrachtig in grote ernst en in diep verantwoordelijkheidsbesef gezocht zou worden naar nieuwe wegen in het apostolaat? "

De schrijver moge dit aUes moedgevend vinden, hier is m.i. niet zo heel veel stof tot roemen. Ik werd in deze mening versterkt door wat ik las in „Woord en Dienst", d.d. 3-9-'60, onder het hoofd „De jeugd vhegt er in". Die zin was gekozen als opschrift boven een „affiche", verspreid door een comité van jongeren, dat apostolair-bewogen zich wilde geven om te werken onder onkerkelijke jeugd. Het comité was interkerkelijk samengesteld, er zat iets in van de oecumene. Aan de voorbereiding werd veel zorg besteed. Bij de voorbereidende besprekingen over liturgische vragen kwam de tweespalt aan het licht. De ene groep was vol kritische vragen, de andere brandde van verlangen om van „de opgestane Heer" te getuigen en poogde de eerste te bekeren.

Bij de bespreking van de bij de bijeenkomsten te zingen liederen kon men niet tot overeenstemming komen. Er waren er sterk geporteerd voor de liederen van Johan de Heer, er waren er ook die de psalmen een kans wilden geven.

De bijeenkomsten zijn gehouden, maar van de nazorg-actie kwam weinig terecht. Men eindigde met in gesprekskernen bijeen te komen en van de oorspronkehjke opzet kwam weinig terecht.

Ik deel een en ander mee, alleen om te laten zien de machteloosheid van een goed bedoelde actie, welke geen voortgang kon vinden, wegens heterogene gevoelens in het comité.

Nu is dit de hervormde gemeente van Amsterdam als zodanig niet aan te rekenen. Maar het zegt toch iets van de geestelijke situatie in de hoofdstad.

Predikanten mogen zich dan met „alpinopetje op bromfietsen" door de stad bewegen — ik wil aannemen met veel apostolair élan en bewogenheid — ik geloof niet dat ze met die buitenissigheden de gang en doorwerking van het evangelie bevorderen. Onlangs hoorde ik hoe een famihe, die een predikant, dusdanig gekleed en zich verplaatsend, op condoleantie-bezoek kreeg, daarop reageerde; temeer afwijzend, wijl hij de boodschap waarom het gaat in ieder sterfhuis, niet bracht. Nu behoeft deze nalatigheid niet samen te gaan met kleding en voertuig. Ook een predikant in bontjas en met hoge hoed op, of, minder deftig, in zwart costuum en met dito hoofddeksel, kan zich hieraan schuldig maken. Maar de gemeente, het kerkvolk, ik durf wel zeggen, het volk, vraagt, dat de brenger van de boodschap dat in alles stijlvol doet. Het evangelie vraagt stijl, maar stijl niet ten koste, maar ter bevordering van de boodschap, de enige troost in leven en in sterven.

Het is jaren geleden, dat prof. Huizinga in zijn „In de schaduw van morgen" in een bepaald verband sprak van „een bezeten wereld". Deze woorden schoten me te binnen toen ik las, dat Soekarno bij de viering van de stichting der republiek Indonesië o.m. uitriep, dat hij „bezeten was door de romantiek der revolutie". Uit die bezetenheid is ook de verbreking der diplomatieke betrekkingen mét Nederland wel te verklaren en wat er nog meer zal volgen. Want we zijn er, vermoed ik, nog niet. Doch daarover nu niet.

De vraag is gesteld in zendingskringen of onze zending door deze maatregel meerdere gevaren zal lopen of misschien verboden worden. Het gereformeerd zendingscentrum in Baarn, er naar gevraagd, was niet gerust. Oegstgeest kon nog geen antwoord geven. Baarn opperde, dat misschien wel het Indonesisch staatsburgerschap geëist zou worden, er bij voegend, dat r.k. missionarissen dit al hadden aanvaard. In „Alle den Volcke" van september las ik, dat juffrouw Egging, hoofd der Chr. huishoudschool in Rante-Pao, met verlof in Nederland, schrijft, dat zij dit staatsburgerschap heeft. Daardoor heeft zij wel visum-faciliteiten. Misschien is het voor vrouwelijke zendingskrachten gemakkelijker en ongevaarlijker Indonesisch staatsburgeres te zijn, dan voor de mannelijke. Ik kan dit niet beoordelen, en ga er dus niet verder op in.

Voorshands, vermoed ik, zal de zending, ook de onze, nog wel geduld worden door de Indonesische regering. Hoelang nog? Dat ligt in Gods Raad en die alleen zal bestaan. En als wij voorts mogen leven uit Psalm 33, dan kunnen wij verder in al de „bezetenheid" van het heden, „niet anders kunnend" dan verkondigen de grote daden Gods in de chaos van deze tijden. Want vóór alles heeft de zinkende wereld van nu, nodig de boodschap van: „Tot de Wet en de getuigenis! Zo zijn niet spreken naar dit woord, het zal zijn, dat zij geen dageraad zullen hebben" (Jes. 8 : 20). Zijn wij bereid ons in te zetten, ja te offeren voor deze boodschap? Ze is het verlossende woord voor alle nood des tijds.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 september 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

KRONIEK

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 september 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's